Strafrecht overig

Minimega Sale. Veroordeling voor samen met anderen opzettelijk het beroep van betaaldienstverlener uitoefenen…

Rechtbank Rotterdam, 5 november 2026

Zaakgegevens

Op 5 november 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
5 november 2026
Datum publicatie
4 november 2026
Zaaknummer
83-091258-22
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:15315
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Minimega Sale. Veroordeling voor samen met anderen opzettelijk het beroep van betaaldienstverlener uitoefenen zonder vergunning van de Nederlandsche Bank, feitelijk leidinggeven aan bedrijf dat samen met anderen valse in- en verkoopfacturen voorhanden heeft gehad en vals opmaken van werkgeversverklaringen. Gevangenisstraf van 14 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk. De in beslag genomen geldbedragen worden teruggegeven aan de verdachte.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 83-091258-22

Datum uitspraak: 5 november 2026

Datum zitting: 9 september 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1965 in [geboorteplaats] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

Advocaat van de verdachte: mr. T. Farber

Officier van justitie: mr. M. Altena

Kern van het vonnis

Bewezen is dat de verdachte samen met anderen opzettelijk het beroep van betaaldienstverlener heeft uitgeoefend zonder vergunning van de Nederlandsche Bank, dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan een bedrijf dat samen met anderen valse in- en verkoopfacturen voorhanden heeft gehad en dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het vals opmaken van werkgeversverklaringen. De verdachte wordt daarvoor veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk. De in beslag genomen geldbedragen worden teruggegeven aan de verdachte.

Leeswijzer

De rechtbank acht de aan de verdachte ten laste gelegde feiten (vermeld in bijlage 1) bewezen. De bewezenverklaring, de motivering daarvan en de bespreking van de bewijsverweren staan in hoofdstuk 2.

De feiten en de verdachte zijn strafbaar. Deze beslissingen staan in hoofdstuk 3.

In hoofdstuk 4 wordt de aan de verdachte opgelegde straf nader toegelicht.

In hoofdstuk 5 staat de beslissing over de inbeslaggenomen goederen.

In hoofdstuk 7 staan alle beslissingen in het kort.

1 Tenlastelegging

De volledige tenlastelegging staat in bijlage 1.

2 Bewijs

2.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor alle feiten. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

2.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit voor de feiten.

Onderhouds- en aannemingsbedrijf [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) was een bemiddelingskantoor dat commissies van vijf en tien procent hanteerde voor het regelen van klussen voor ZZP-ers respectievelijk het leveren van personeel aan opdrachtgevers. Het dossier moet in dat licht worden gezien.

Ten aanzien van feit 1 heeft de verdediging verder het volgende bepleit. Het dossier bevat geen bewijs voor de contante transacties, terwijl er een direct verband moet bestaan tussen beide zijden van de gestelde geldtransfer (te weten de ontvangst van het geld van de betaler enerzijds en het ter beschikking stellen van dat geld aan de begunstigde anderzijds) om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Bovendien moet per afzonderlijke transactie worden vastgesteld dat de contante geldmiddelen daadwerkelijk zijn ontvangen of beschikbaar zijn gesteld en dat die ontvangst of aflevering verband hield met de corresponderende girale betaling.

Met betrekking tot feit 2 is aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt dat voor de bedragen op de facturen geen daadwerkelijke diensten zijn geleverd.

Ten aanzien van feit 3 is met betrekking tot alle vier de werknemers aangevoerd dat zij in dienst zijn geweest bij bedrijven van de verdachte en dat zij ook daadwerkelijk hebben gewerkt op basis van de gesloten arbeidsovereenkomsten, zodat op de betreffende werkgeversverklaringen geen onwaarheden zijn vermeld.

2.3.

Oordeel van de rechtbank

2.3.1.

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

De bewezenverklaring van de feiten 1, 2 en 3 is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen opgenomen in bijlage 2, de onderstaande bewijsmotivering en de ambtshandelingen en documenten opgenomen in de voetnoten bij de bewijsmotivering.

2.3.2.

Bewijsmotivering

De rechtbank zal bij de bewijsoverwegingen de feiten 1 en 2 gezamenlijk, en vervolgens feit 3, bespreken.

2.3.2.1. Feiten 1 en 2 (bankieren zonder vergunning en valsheid in geschrift)

2.3.2.1.1. Inleiding

Het onderzoek Sale is begonnen als een onderzoek naar een gefingeerd dienstverband bij [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2] ), eigendom van de verdachte (hierna ook: [verdachte] ). [verdachte] was voorts middellijk bestuurder van [bedrijf 3] B.V. (hierna: [bedrijf 3] , met ingang van 31 mei 2023 failliet verklaard) en [bedrijf 4] B.V. (hierna: [bedrijf 4] ), waartegen onderzoeken zijn begonnen met dezelfde verdenking. [verdachte] was ook vanaf 1 juni 2019 bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 5] B.V. (hierna: [bedrijf 5] ), een administratiekantoor. Sinds 16 december 2022 is medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) bestuurder en enig aandeelhouder van dat kantoor. Voor die tijd was [medeverdachte 1] vanaf mei 2015 als medewerker werkzaam bij [bedrijf 5] . [bedrijf 5] deed onder meer de administratie van [bedrijf 2] , [bedrijf 3] en [bedrijf 4] . Onder feit 3 is ten laste gelegd dat [verdachte] werkgeversverklaringen valselijk heeft opgemaakt.

De partner van een van de werknemers naar wie onderzoek werd gedaan werkte voor de eenmanszaak [bedrijf 1] van medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ).

[bedrijf 5] deed ook de administratie van dit bedrijf. [verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat zijn [bedrijf 5] vanaf 2019 de administratie voor [bedrijf 1] regelde, waaronder het opmaken van facturen, en dat [bedrijf 5] ook de administratie deed voor een aantal klanten van [bedrijf 1] Vanwege de samenhang met [bedrijf 5] is ook onderzoek gedaan naar werknemers bij [bedrijf 1] Nader onderzoek heeft ertoe geleid dat [medeverdachte 2] onder feit 3 eveneens wordt verdacht van het valselijk opmaken van werkgeversverklaringen.

Op 8 maart 2023 hebben doorzoekingen plaatsgevonden in de bedrijfspanden van [bedrijf 5] en de woningen van [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . De bevindingen tijdens deze doorzoekingen, in combinatie met ontvangen TCI-informatie over [verdachte] , hebben ertoe geleid dat de verdenkingen ten aanzien van [verdachte] en [medeverdachte 2] zijn uitgebreid met het verrichten van geldtransfers zonder vergunning van de Nederlandsche Bank en het (in het geval van de verdachte: feitelijk leidinggeven aan een bedrijf dat zich schuldig heeft gemaakt aan het) voorhanden hebben van valse in- en verkoopfacturen op naam van [bedrijf 1] Ook [medeverdachte 1] is als verdachte aangemerkt van het verrichten van geldtransfers zonder vergunning van de Nederlandsche Bank en het voorhanden hebben van valse in- en verkoopfacturen op naam van [bedrijf 1] Daarnaast wordt hij verdacht van het aanwezig hebben van 101 tabletten MDMA die zijn aangetroffen in het kantoor van [bedrijf 5] tijdens de doorzoeking op 8 maart 2023.

2.3.2.1.2. Het vermoeden van fraude

Aan de hand van onderzoeksbevindingen is het vermoeden ontstaan dat [bedrijf 1] op basis van ongespecificeerde facturen (in het dossier inkoopfacturen genoemd) diensten bij een reeks klus- en onderhoudsbedrijven heeft ingekocht, terwijl deze bedrijven geen werkzaamheden hebben verricht voor [bedrijf 1] maakte het bedrag op de facturen giraal over aan de klus- en onderhoudsbedrijven. Het vermoeden is dat deze bedrijven vervolgens aan [bedrijf 1] het overeenkomstige bedrag contant terugbetaalden met daarbovenop een commissie van vijf procent. Op deze wijze konden volgens de officier van justitie de klus- en onderhoudsbedrijven hun contante (vermoedelijk criminele) geld omzetten in giraal geld via een vermoedelijk valse factuur.

Aan de hand van de onderzoeksbevindingen is tevens het vermoeden ontstaan dat [bedrijf 1] op basis van facturen (in het dossier verkoopfacturen genoemd) zogenaamd door haar verrichte werkzaamheden factureerde aan ondernemingen. Deze ondernemingen betaalden de factuur giraal aan [bedrijf 1] , waarna [bedrijf 1] het overeenkomstige bedrag contant retour gaf met aftrek van een commissie van tien procent. Het vermoeden is dat deze bedrijven op deze manier de (betaalde) facturen als kosten opvoerden in hun aangifte winstbelasting teneinde minder belasting te betalen. Daarnaast konden zij op deze manier beschikken over een contante geldstroom buiten de boekhouding om.

2.3.2.1.3. Onderbouwing van dit vermoeden

Uit het dossier leidt de rechtbank een aantal omstandigheden af rond [bedrijf 1] dat ondersteuning biedt voor dit vermoeden. Het gaat hierbij enerzijds om contra-indicaties voor een bouw- of aannemingspraktijk, en anderzijds aanwijzingen voor illegale contante geldstromen.

ad a. contra-indicaties voor een bouw- of aannemingspraktijk

Het ontbreken van sporen van een bouw- of aannemingspraktijk of -werkzaamheden

Op de website van [bedrijf 1] staat dat [bedrijf 1] een bouwbedrijf is en diensten levert met betrekking tot de bouw, renovatie, keukens en badkamers. Onder het kopje ‘referenties’ staat vermeld: “Wij hebben meer dan 25 jaar ervaring met bouwprojecten en mogen ons met recht een bouwspecialist noemen. Benieuwd waar de kracht van [bedrijf 1] ligt? Dat leggen onze klanten u graag uit!".Ook zijn er referenties van met naam genoemde personen vermeld en voorbeelden genoemd, en foto’s getoond, van projecten waar [bedrijf 1] bij betrokken zou zijn geweest. Uit onderzoek is echter gebleken dat die referenties vals zijn (de genoemde personen bestaan niet) en dat de gebruikte foto’s reeds 9500 keer gebruikt zijn op het internet.

Het telefoonnummer van [medeverdachte 2] dat vermeld staat op de website is in de periode van 24 februari 2023 tot en met 8 maart 2023 getapt. In die periode zijn er geen gesprekken gevoerd die te herleiden zijn tot het verrichten van klussen voor of door [bedrijf 1] Er zijn wel gesprekken gevoerd over het betalen van facturen.

Dat [bedrijf 1] in feite niet als bouwbedrijf functioneerde en de website van [bedrijf 1] dit beeld kennelijk ten onrechte uitdroeg, sluit aan op de gegevens van de in het onderzoek betrokken bedrijven die met [bedrijf 1] zaken deden. Aan de hand van de winst- en verliesrekeningen van deze bedrijven is onderzoek gedaan naar hun inkoopkosten voor materiaal en uitbesteed werk en zijn deze vergeleken met de benchmarkcijfers voor bedrijven in de bouwsector. Hieruit volgt dat de bedrijven die door [bedrijf 1] zijn ingehuurd voor een groot deel zeer lage of geen inkoopkosten hadden voor materiaal en uitbesteed werk. Meer specifiek hadden negen bedrijven helemaal geen inkoopkosten, hadden elf bedrijven een percentage van 0,11 tot 3,10 procent van de totale omzet aan inkoopkosten en zes bedrijven hogere inkoopkosten. Dit is opvallend omdat uit de benchmarkcijfers volgt dat de inkoopkosten bij bedrijven in de bouwsector gemiddeld minimaal 34 procent van de omzet bedragen.

Het ontbreken van projectadministratie

Dat [bedrijf 1] vermoedelijk niet daadwerkelijk als bouwbedrijf heeft gefunctioneerd in de ten laste gelegde periode wordt ondersteund door de aangetroffen administratie. Tijdens de doorzoeking in het bedrijfspand van [bedrijf 5] is een ordner van [bedrijf 1] met fysieke administratie in beslag genomen. In deze ordner zijn in- en verkoopfacturen van [bedrijf 1] aangetroffen over de periode van 1 juli 2019 tot en met december 2019. Verder is in deze ordner correspondentie met de belastingdienst en bankafschriften gevonden. In de ordner is geen projectadministratie gevonden, terwijl aan de hand van projectadministratie juist opdrachten en prijzen worden berekend. Tevens ontbraken opdrachtaanvragen, opdrachtbevestigingen en/of berekeningen van opdrachten in de administratie. Daarnaast was het grootste deel van de facturen voorzien van de omschrijving ‘aangenomen werkzaamheden’ zonder specificatie van deze werkzaamheden.

De digitale administratie bevestigt dit beeld. Over de periode 1 juli 2019 tot en met 25 juli 2023 zijn in het digitale verwerkingsprogramma totaal ruim 500 inkoopfacturen opgenomen van 26 verschillende bedrijven met een totaalbedrag van € 1.144.773,50. Op geen enkele inkoopfactuur is een werkadres en/of specificatie van de uitgevoerde werkzaamheden opgenomen. Daarnaast blijkt dat de factuurbetalingen aan de bedrijven zijn gestopt nadat op 8 maart 2023 verschillende doorzoekingen hebben plaatsgevonden.

Verder zijn in het onderzoek in totaal ongeveer 200 verkoopfacturen aangetroffen voor een totaalbedrag van € 1.012.341,93 en is er gekeken naar de verkoopfacturen van vier van de grootste ondernemingen aan welke [bedrijf 1] heeft gefactureerd. Ook hieruit volgt dat de meeste van de 200 verkoopfacturen niet zijn voorzien van gespecificeerde werkzaamheden en een specifieke locatie waar de werkzaamheden zouden zijn verricht.

Uit het dossier volgt dus niet dat voor de op de in- en verkoopfacturen gefactureerde bedragen daadwerkelijk werkzaamheden zijn verricht. Het lijkt te gaan om lege facturen die een ander doel dienen.

Op basis hiervan is het onaannemelijk dat [bedrijf 1] als bouwbedrijf heeft gefunctioneerd.

Bemiddelingsbureau?

Ter terechtzitting heeft de verdediging aangevoerd dat [bedrijf 1] zou zijn opgericht om te bemiddelen tussen ZZP-ers aan de ene kant en opdrachtgevers in de bouwsector aan de andere kant. [verdachte] heeft ter zitting verklaard dat het bedrijf zich voor 90 procent bezig hield met bemiddelen en voor tien procent met bouwprojecten. In overleg met [bedrijf 5] en de bedrijven hanteerde [bedrijf 1] volgens de verdediging het volgende verdienmodel: [bedrijf 1] bracht beschikbare ZZP-ers in contact met opdrachtgevers die personeel nodig hadden. Dit deed zij tegen een commissie van vijf procent, te betalen door de ZZP-er, en een commissie van tien procent, te betalen door de opdrachtgever. Deze commissies zijn niet terug te vinden op de facturen, omdat iedereen op de hoogte was van deze commissies en het voor meer papierwerk zou zorgen indien er nog extra facturen moesten worden opgemaakt voor de bedragen die [bedrijf 1] toekwamen. De ZZP-ers en opdrachtgevers waren het volgens de verdachten eens met deze werkwijze. De aangetroffen geldstromen houden dan ook rechtstreeks verband met de gevonden in- en verkoopfacturen. De tijdens de doorzoekingen aangetroffen boekhoudingen waarin percentages van vijf en tien procent worden gehanteerd, houden verband met de behoefte om de verdiensten van [bedrijf 1] voor [medeverdachte 2] inzichtelijk te maken.

De rechtbank acht deze uitleg, die als een alternatief scenario kan worden beschouwd, ongeloofwaardig. Voor dit scenario is geen enkel objectief spoor in de bedrijfsvoering en administratie van [bedrijf 1] terug te vinden. Indien [bedrijf 1] daadwerkelijk als bemiddelaar optrad, zou immers een aansluiting moeten kunnen worden gemaakt tussen de eenmansbedrijven/ZZP-ers waaraan betalingen zijn gedaan enerzijds en de opdrachtgevers van [bedrijf 1] anderzijds. Zo’n aansluiting zou kunnen bestaan uit een vermelding op zowel de in- als de verkoopfacturen van de soort werkzaamheden/het project/het aantal uren waarvoor de ZZP-er was ingehuurd. Een dergelijke aansluiting blijkt op geen enkele wijze uit het dossier en de verdachten hebben ter terechtzitting ook geen verklaring gegeven voor het ontbreken hiervan. Dat [bedrijf 1] een bemiddelingsbedrijf is volgt ook nergens anders uit; noch uit de bedrijfsomschrijving van [bedrijf 1] bij de Kamer van Koophandel, noch uit de eigen website. Indien bemiddeling het verdienmodel zou zijn van [bedrijf 1] is het onaannemelijk dat dit alleen terug te vinden zou zijn in de gevonden ‘persoonlijke’ administratie en louter gebaseerd was op – zo begrijpt de rechtbank de uitleg – een vorm van stilzwijgend vertrouwen tussen de bemiddelaar respectievelijk de inlener/uitlener. Zonder herleidbare bedrijfsadministratie zouden deze werkwijze en de daarmee verworven verdiensten ook niet aantoonbaar gemaakt kunnen worden bij conflicten over de uitvoering van het werk dan wel tegenover de fiscus. Als de uitleg van de verdediging zou kloppen ligt het ook niet voor de hand dat de betrokken percentages wel, en uitsluitend, in de persoonlijke boekhoudingen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zouden zijn te vinden, zoals in dit geval.

Bij het vorenstaande komt dat vóór de terechtzitting door geen van de verdachten of getuigen over een dergelijke bemiddelingsconstructie is verklaard, met één uitzondering, de getuige [getuige] (hierna: [getuige] ). Deze verklaring is ongeveer tweeënhalf jaar na de aanhoudingen van [verdachte] en [medeverdachte 2] afgelegd en vindt geen steun in de overige inhoud van het dossier. Eigenaren van andere bedrijven en opdrachtgevers hebben geen verklaringen willen afleggen. Tegen de achtergrond van het ontbreken van objectieve onderbouwing van het door de verdachten geschetste scenario, acht de rechtbank deze verklaring ongeloofwaardig en onvoldoende om voor waar aan te nemen.

Conclusie ad a.

De rechtbank komt tot de conclusie dat [bedrijf 1] niet als bouwbedrijf heeft gefunctioneerd en evenmin als bemiddelingsbedrijf.

Ad b. aanwijzingen voor illegale contante geldstromen

Er bestaan daarentegen overtuigende aanwijzingen voor het door de officier van justitie aangenomen verdienmodel.

Schaduwboekhouding

De aanwijzingen voor de aanwezigheid van illegale geldstromen vinden voor de rechtbank in de eerste plaats steun in documenten die door de officier van justitie zijn aangeduid als ‘schaduwboekhouding’, dat wil zeggen: administratie die naast de echte boekhouding wordt gebruikt om bepaalde inkomsten, uitgaven of andere feiten te verhullen.

Zo zijn er in de bungalow van [medeverdachte 2] verschillende voorwerpen in beslag genomen die te maken lijken te hebben met administratie, waaronder een USB-stick, een handgeschreven aantekeningenbriefje, twee foto’s (van een geprinte tabel en van een handgeschreven kladbriefje), en twee Excelbestanden op een computer. Daarnaast is er ook in de woning van [medeverdachte 1] een aantekeningenbriefje in beslag genomen. De in de bungalow van [medeverdachte 2] en in de woning van [medeverdachte 1] aangetroffen aantekeningenbriefjes zijn kennelijk door verschillende personen geschreven, maar vertonen gelijkenis voor wat betreft het gebruik van (verkorte) namen en getallen.

Op de onder [medeverdachte 2] in beslag genomen voorwerpen, zoals de Excelbestanden aangetroffen op de USB-stick, staan bedragen en bedrijven genoemd die verband houden met transacties die volgen uit de bankrekening van [bedrijf 1] over de periode van 10 juli 2019 tot en met 30 januari 2020. Daarnaast is er in de Exelbestanden op de USB-stick een kolom met de naam ‘ [naam 1] ’ opgenomen. Volgens de politie staan in deze kolom getallen die in bijna alle gevallen overeenkomen met (ongeveer) tien procent van het ontvangen bedrag. Ook is in de Exelbestanden te zien dat er achter de namen van bedrijven percentages worden weergegeven en dat dit gaat om vijf en tien procent. De politie heeft het volgende geverbaliseerd over de Excelbestanden: “Achter een aantal uitgaven van [bedrijf 1] wordt een datum, de naam [verdachte] of [medeverdachte 1] , een ontvangen bedrag en een uitgaand bedrag vermeld. Hierbij komt het uitgaande bedrag veelal overeen met het bedrag dat vanaf de rekening van [bedrijf 1] is betaald. Het ontvangen bedrag is in de meeste gevallen hoger dan het bedrag dat vanaf de bankrekening van [bedrijf 1] is betaald”.

Op het handgeschreven aantekeningenbriefje staan afkortingen vermeld van bedrijven met bedragen daarachter, met daarbij een bedrag dat daarbij op wordt geteld of er vanaf wordt gehaald. In de meeste gevallen gaat dat om plus vijf procent van het transactiebedrag of min tien procent van het transactiebedrag.

Ook is duidelijk dat in het kader van de verkoopfacturen, de bedragen die (administratief zichtbaar) op de rekening van [bedrijf 1] zijn bijgeschreven, bijvoorbeeld door de bedrijven [bedrijf 6] en [bedrijf 7] in 2021, met de aftrek van tien procent van het factuurbedrag zijn vermeld op het ‘handgeschreven kladbriefje’ dat is afgebeeld op een van de aangetroffen foto’s, terwijl deze kennelijke geldstroom niet in enige andere administratie is aangetroffen.

Hetzelfde patroon volgt uit de twee Excelbestanden die zijn aangetroffen op de computer van [medeverdachte 2] . In het Exelbestand met de naam “uitgaven” zijn bedragen opgenomen die zijn te koppelen aan factuurbetalingen van [bedrijf 1] aan bedrijven en is er ook een kolom met de naam “plus” waarin een bedrag is opgenomen dat ongeveer vijf procent van het factuurbedrag is. Voor het Exelbestand met de naam “inkomen” geldt hetzelfde, maar in plaats van een kolom met de naam “plus” is nu een kolom opgenomen met de naam “min” waarin een bedrag is opgenomen dat ongeveer tien procent is van de factuurbetalingen die [bedrijf 1] van bedrijven heeft ontvangen.

De rechtbank acht voor het aanmerken van deze documenten met boekhouding als ‘schaduwboekhouding’ van belang de constatering dat een belangrijk deel van de (gereduceerde of vermeerderde) bedragen daarin, niet is terug te vinden in de eigenlijke administratie van [bedrijf 1] , dan wel de afschrijvingen van de bankrekeningen, terwijl de bedragen – afgaande op de precieze getallen en data – een traceerbare relatie hebben met zowel girale betalingen als in het dossier voorkomende bedrijven. Een verifieerbare, begrijpelijke verklaring voor deze nogal concrete aanwijzingen voor contante betalingen hebben de verdachten niet gegeven. De verklaring dat het hierbij om betaalde bedragen voor verrichte bemiddelingsdiensten in de bouw zou gaan, met een kennelijk stilzwijgende commissie-aftrek, is hiervoor al als onaannemelijk gekwalificeerd.

Communicatie rond de facturen en betalingen

De gegevens in de schaduwboekhouding sluiten aan op de informatie die blijkt uit vele afgeluisterde telefoongesprekken en weergegeven berichtverkeer tussen de verdachten onderling en met vertegenwoordigers van de eerdergenoemde bedrijven. Uit deze communicatie blijkt dat er steeds weer door de inkopende/inlenende partij wordt gevraagd om facturen voor bepaalde bedragen, terwijl voor de hand ligt dat de verkopende/aanbiedende partij ( [bedrijf 1] ) de prijs bepaalt op basis van uitgevoerde werkzaamheden. Voorts ontbreekt doorgaans elk overleg over, dan wel elke verwijzing naar, de werkzaamheden waar de factuur op ziet. Daarnaast volgt uit de communicatie dat er afspraken werden gemaakt om te komen tot fysieke ontmoetingen met deze personen, rondom de periode dat de facturen werden gezonden en betaald. Dit nogal consistente patroon en de kennelijke codetaal die in de taps en berichten werd gebezigd (er werd bijvoorbeeld vaak gevraagd of iemand ‘nog een bakkie kwam doen’) ondersteunt het vermoeden dat bij deze ontmoetingen contante geldoverdrachten plaatsvonden.

Zo is op de telefoon van [medeverdachte 1] communicatie aangetroffen met [persoon A] (hierna: [persoon A] ), eigenaar van [bedrijf 6] , aan welk bedrijf [bedrijf 1] verkoopfacturen heeft gestuurd. Uit deze communicatie volgt dat [persoon A] vraagt om facturen en daarbij bedragen noemt. Deze bedragen zijn 1 op 1 te koppelen aan informatie die volgt uit de aangetroffen (schaduw)administratie en aan facturen die zijn aangetroffen in de digitale administratie van [bedrijf 1] Zo zegt [persoon A] op 1 februari 2021 tegen [medeverdachte 1] : “Morgen [medeverdachte 1] graag tussen de 1100 en 1300”. Tijdens de doorzoeking van de woning van [medeverdachte 2] is een geprinte tabel aangetroffen en daarin staat onder de naam “ [persoon A] ” een bedrag vermeld van € 1.150,- met de datum 3 februari erbij. Dit komt overeen met een verkoopfactuur die is aangetroffen met factuurdatum 3 februari 2021 voor een bedrag van

€ 1.150,-. Daarnaast is in de geprinte tabel een bedrag opgenomen van € 1.400,- met daarbij als datum 24 februari vermeld. Dit bedrag komt overeen met een factuur van 24 februari 2021 en een factuurbedrag van € 1.400,-, en een gesprek tussen [persoon A] en [medeverdachte 1] waarbij [persoon A] op 23 februari 2021 tegen [medeverdachte 1] zegt: “He [medeverdachte 1] Graag 1400 als lukt”.

[persoon A] vraagt ook aan [medeverdachte 1] ‘of er nog ruimte is’. Dit is atypisch, aangezien [bedrijf 1] de verkopende partij is, maar de inkopende partij aangeeft wat er op de facturen moet staan. Daarnaast is in de weergave van het telefoongesprek te lezen dat [persoon A] aan [medeverdachte 1] vraagt: “Ken je 12500 mate” en dat [medeverdachte 1] hierop reageert: “Ik ga overleggen.” En even later: “Heeft [verdachte] al met [medeverdachte 2] besproken. Ging hem niet worden”. Hieruit kan worden afgeleid dat de inkopende partij vraagt om een factuur en de verkopende partij aangeeft dat het niet gaat lukken.

Eenzelfde patroon is te lezen in de Whatsappberichten tussen [medeverdachte 1] en [getuige] van [bedrijf 8] B.V. (hierna: [bedrijf 8] ) in de periode eind 2020 en begin 2021. In die gesprekken gaat het alleen over het sturen van facturen. Er wordt niet gesproken over de hoogte van het bedrag op de factuur, het aantal gewerkte uren en/of de specifieke werkzaamheden waarvoor gefactureerd dient te worden. [getuige] vraagt een aantal keer wel actief om een factuur van [bedrijf 1] zonder dat hij aangeeft voor welke werkzaamheden hij een factuur wil krijgen. Wat met name opvalt aan het Whatsappgesprek is dat [getuige] afspreekt om langs te gaan bij [medeverdachte 1] zodra een verkoopfactuur van [bedrijf 1] door [bedrijf 8] is betaald. Vermoedelijk gaat [getuige] langs bij [medeverdachte 1] om iets op te halen. Dit volgt onder andere uit een bericht van 29 oktober 2020 waarin [getuige] schrijft "Kan jij regelen dat er morgen weer een factuur wordt gestuurd. Kom maandag om 10:00 uur het ophalen". Op 27 november 2020 schrijft [getuige] aan [medeverdachte 1] : “kan jij een factuur laten sturen”, waarop [medeverdachte 1] antwoordt dat hij een factuur heeft gestuurd. Vervolgens geeft [getuige] op 30 november 2020 aan dat het bedrag ‘erop staat’ en vraagt hij wanneer hij langs kan komen. [medeverdachte 1] geeft aan dat [getuige] een dag later langs kan komen. In de administratie van [bedrijf 1] is een verkoopfactuur aangetroffen met 27 november 2020 als factuurdatum waarbij een factuurbedrag van € 10.750,- op 30 november 2020 is bijgeschreven. Op 22 december 2020 ontvangt [bedrijf 1] een bedrag van € 9.875,- van [bedrijf 8] . Een dag later, op 23 december 2020, zegt [getuige] tegen [medeverdachte 1] dat hij morgenochtend langs gaat komen. Dit patroon tussen factuurbetalingen en het kort daarna afspreken komt vaker terug. Zo vraagt [medeverdachte 1] op 27 januari 2021 aan [getuige] : “Deze maand weer 1tje sturen”. [getuige] geeft aan dat dit goed is en dat hij maandagmiddag langs zal komen. Op de bankrekening van [bedrijf 1] werd op 29 januari 2021 een factuurbetaling ontvangen van [bedrijf 8] .

Verder volgt uit een afgeluisterd telefoongesprek op 27 januari 2023 tussen [verdachte] en de eigenaar van [bedrijf 9] B.V. (hierna: [bedrijf 9] ) dat [persoon B] aangeeft dat hij ‘5’ zou willen ‘als het kon’ nadat [verdachte] aan hem vraagt wat hij nodig heeft. Drie dagen later wordt een bedrag van € 5.250 vanaf een rekening van [bedrijf 9] op de rekening van [bedrijf 1] bijgeschreven. Op 30 januari 2023 bericht [verdachte] aan [persoon B] : “ , Administratie even afwerken??” en antwoordt [persoon B] : “Ja kom ik zo gelijk bij je langs is dat goed?”. Tegen de beschreven achtergrond duidt het “afwerken” naar alle waarschijnlijkheid op het contant betalen van de factuur.

Ook is er een Whatsappgesprek aangetroffen tussen [medeverdachte 1] en [persoon C] (hierna: [persoon C] ), bestuurder via een andere onderneming van [bedrijf 10] B.V. In dit gesprek vraagt [persoon C] meerdere keren aan [medeverdachte 1] of hij “er eentje kan maken”, waarbij hij een bedrag noemt. Zo vraagt hij op 26 april 2021 om “5500” en stuurt [medeverdachte 1] [persoon C] op 28 april 2021 een factuur toe met een factuurbedrag van € 5.500,-. Op 30 april 2021 vraagt [medeverdachte 1] aan [persoon C] wanneer hij een bakkie komt doen. Op 23 juni 2021 vraagt [persoon C] om “eentje van 9900” aan [medeverdachte 1] en ontvangt hij van [medeverdachte 1] op 29 juni 2021 een verkoopfactuur met een factuurbedrag van € 9.900. Ook deze keer vraagt [medeverdachte 1] na betaling aan [persoon C] wanneer hij langskomt. Op 3 mei 2021 vraagt [persoon C] om “eentje van 3300”, waarna [medeverdachte 1] aangeeft dat dat “er eventjes niet inzit”.

Bovenstaand beeld volgt niet alleen uit de gang van zaken rondom de verkoopfacturen, maar ook uit de gang van zaken rondom de inkoopfacturen. De rechtbank licht dit hieronder toe.

Met betrekking tot de inkoopfacturen van [bedrijf 11] B.V. (hierna: [bedrijf 11] ) en [bedrijf 12] overweegt de rechtbank dat het bestaan van een contante geldstroom na een girale betaling van deze facturen steun vindt in een getapt gesprek tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] op 24 februari 2023, waarin [medeverdachte 1] vraagt: “Had je al binnen gekregen zei je, die van [bedrijf 12] (Fon) en [bedrijf 11] ?”. [medeverdachte 2] antwoordt dat hij nog niets binnen heeft. [medeverdachte 2] vraagt daarna aan [medeverdachte 1] : “Heb je het al gehad of niet?”, waarop [medeverdachte 1] reageert: “Eh nee nog niet maandag wordt dat geregeld maar ik weet wel wat dat gaat worden (..) “ [bedrijf 11] worden er 2, totaal 8,5 en [bedrijf 12] wordt 1 totaal 4.5”. Van de rekening van [bedrijf 1] werd op 25 februari 2023 een bedrag van € 8.500 afgeschreven naar een rekening van [bedrijf 11] en een bedrag van € 4.500 afgeschreven naar een rekening van [bedrijf 12] .

Dat na het giraal betalen van de inkoopfacturen van [bedrijf 13] nog een contante geldstroom heeft plaatsgevonden, vindt ook steun in een Whatsappgesprek tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] . [medeverdachte 1] stuurt op 16 augustus 2018 naar [verdachte] : “[naam 2] heeft 10 formulieren afgegeven. Moet [medeverdachte 2] die invullen? Of wil je die zelf invullen?”. Vervolgens geeft [verdachte] aan dat dit 50/50 moet. Met ‘ [naam 2] ’ wordt [persoon D] (hierna: [persoon D] ) bedoeld en op 19 augustus 2018 vinden twee transacties plaats waarbij van de bankrekening van [bedrijf 1] in totaal € 4.750 wordt overgemaakt naar de zakelijke rekening van [persoon D] . Dit bedrag is 95 procent van € 5.000. Verder blijkt dat ook 95 procent van € 5.000 van de rekening van [bedrijf 2] is overgemaakt naar de zakelijke rekening van [persoon D] . Dit sluit aan bij een contante cashtransactie voor de inkoopfacturen waarbij [bedrijf 1] een commissie van vijf procent hanteert. Aannemelijk is dan ook dat met ’10 formulieren’ € 10.000 aan contant geld wordt bedoeld, en dat [bedrijf 2] en [bedrijf 1] beide een bedrag van € 5.000 contant in ontvangst hebben genomen.

Aantreffen contante geldbedragen bij doorzoeking

Tijdens de doorzoekingen op 8 maart 2023 zijn er op verschillende plekken grote geldbedragen aangetroffen. In de bungalow van [medeverdachte 2] is een geldbedrag van € 34.560 aangetroffen. Bij [verdachte] is € 21.465 aangetroffen in zijn woning in België en

€ 20.000 in zijn bungalow. [verdachte] was aanwezig tijdens de doorzoeking van het kantoorpand van [bedrijf 5] en in zijn aktetas is € 6.415 aangetroffen. Verder is op het kantoor op twee verschillende plekken respectievelijk € 4.350 en € 315 gevonden. De grote contante geldbedragen die zijn aangetroffen op het kantoor van [bedrijf 5] zijn niet te verklaren aan de hand van het kasboek.

Het aantreffen van deze contante geldbedragen is niet doorslaggevend – zwarte betaling in de bouw kan voorkomen – maar vormt in samenhang met de overige aanwijzingen wel steun voor het bestaan van een illegale praktijk van betalingen.

Conclusie ad b.

Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat waar bij een in de tenlastelegging genoemde factuur sprake is van geldtransacties op basis van die (aangetroffen) factuur die tevens in de schaduwadministratie zijn terug te vinden, met voldoende mate van zekerheid kan worden gesteld dat het hierbij om een betaling door [bedrijf 1] van ‘giraal voor contant’ (inkoopfactuur) dan wel ‘contant voor giraal’ (verkoopfactuur) is gegaan. Voor de vermelde facturen zijn dus geen werkzaamheden verricht, zodat deze als vals kunnen worden betiteld.

2.3.2.1.4. Bedrijf van betaaldienstverlener

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat [bedrijf 1] met haar feitelijke activiteiten, te weten het cash-compensatie model, het bedrijf van betaaldienstverlener uitoefende zoals bedoeld in artikel 2:3a van de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft). De rechtbank dient te beoordelen of [bedrijf 1] daarmee zonder de daarvoor vereiste vergunning het bedrijf van betaaldienstverlener heeft uitgeoefend.

Uitleg van de wet

Artikel 1.1 Wft definieert betaaldienstverlener als degene die zijn bedrijf maakt van het verlenen van betaaldiensten. Wat betreft de term betaaldienst verwijst artikel 1.1 Wft naar de definitie van betaaldiensten in de richtlijn 2015/2366 van het Europese Parlement en de Raad van 25 november 2015 (hierna: de Richtlijn betalingsdiensten). Volgens de bijlage bij de Richtlijn betalingsdiensten zijn geldtransfers betalingsdiensten. Een geldtransfer wordt in artikel 4 onder 22 van de Richtlijn betalingsdiensten gedefinieerd als: “een betalingsdienst waarbij, zonder opening van betaalrekeningen op naam van de betaler of de begunstigde, van een betaler geldmiddelen worden ontvangen met als enig doel het daarmee corresponderende bedrag over te maken aan een begunstigde of aan een andere, voor rekening van de begunstigde handelende betalingsdienstaanbieder en/of waarbij de geldmiddelen voor rekening van de begunstigde worden ontvangen en aan de begunstigde beschikbaar worden gesteld”. In de preambule van de Richtlijn betalingsdiensten wordt onder 9 opgemerkt dat een geldtransfer een eenvoudige betalingsdienst is, doorgaans op basis van contanten welke door een betaler worden verstrekt aan een betalingsdienstaanbieder die het overeenkomstige bedrag, bijvoorbeeld via een communicatienetwerk, overmaakt aan een begunstigde of aan een andere, voor rekening van de begunstigde handelende, betalingsdienstaanbieder.

Om van een geldtransfer te kunnen spreken is niet vereist dat het geld van de ene betaaldienstaanbieder naar de andere wordt overgemaakt, gelet op de preambule van de Richtlijn betalingsdiensten, waar onder 52 wordt opgemerkt dat tot de betalingssystemen behoren geldtransferdiensten waarbij de exploitant van het systeem de betalingsdienstaanbieder is van zowel de betaler als de begunstigde.

Evenmin is vereist dat de betaler en de begunstigde twee verschillende personen zijn. Volgens artikel 4, tiende lid, van de Richtlijn betalingsdiensten kunnen de betaler en de begunstigde ook dezelfde zijn.

De rechtbank gaat ervan uit dat [bedrijf 1] zich weliswaar voordeed als bouwbedrijf, maar dat de facturen die zij ontving en verstuurde in werkelijkheid enkel waren bedoeld om geldstromen te faciliteren. Aan de ene kant voldeed [bedrijf 1] giraal inkoopfacturen van bedrijven, waarna deze bedrijven dit bedrag, met daar bovenop een commissie, contant aan [bedrijf 1] betaalden, en aan de andere kant kreeg [bedrijf 1] giraal betaald van bedrijven naar aanleiding van door haar verzonden facturen, waarna [bedrijf 1] het bedrag, onder inhouding van een commissie, aan hetzelfde bedrijf contant terug gaf. De rechtbank is van oordeel dat deze activiteiten, te weten het in ontvangst nemen en ter beschikking stellen van met girale betalingen corresponderende contante geldbedragen buiten de reguliere banken om en tegen een commissie, zijn te kwalificeren als geldtransfers in de zin van de Richtlijn betalingsdiensten. In dit geval zijn de betaler en de begunstigde steeds hetzelfde bedrijf, maar zoals hiervoor beschreven, en anders dan door de verdediging is bepleit, staat dit niet in de weg aan een bewezenverklaring. Met deze werkwijze heeft [bedrijf 1] bedrijfsmatig een betaaldienst verleend in de zin van artikel 2:3a Wft.

De rechtbank is, zoals hiervoor overwogen, en anders dan de officier van justitie, van oordeel dat niet ten aanzien van alle transacties van [bedrijf 1] kan worden vastgesteld dat de hiervoor beschreven geldtransfer, het omzetten van giraal naar contant geld, daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Voor zover een factuur aan een vermelding in de schaduwadministratie kan worden gekoppeld, biedt de schaduwadministratie doorslaggevende steun voor het oordeel dat de daarop betrekking hebben geldstroom daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. De rechtbank zal hierna bespreken van welke van facturen (transacties) kan worden vastgesteld dat een geldtransfer heeft plaatsgevonden.

Inkoopfacturen

In het Exelbestand met de naam “uitgaven” dat is aangetroffen op de computer van [medeverdachte 2] , zijn verschillende bedragen aangetroffen die zijn te herleiden tot specifieke facturen. In het Excelbestand is in de kolom ‘plus’ vijf procent van het totaalbedrag terug te zien, of te wel de verdiensten van [bedrijf 1] Het gaat om de volgende facturen:

Bedrijf: [bedrijf 14]

Datum factuur: 4-1-2022, bedrag: € 1.725

Datum factuur: 13-1-2022, bedrag: € 1.500

Datum factuur: 21-1-2022, bedrag: € 1.775

Datum factuur: 1-3-2022, bedrag: € 2.150

Datum factuur: 11-3-2022, bedrag: € 1.940

Bedrijf: [bedrijf 12]

Datum factuur: 31-12-2021, bedrag : € 2.320

Datum factuur: 20-1-2022, bedrag: € 3.120

Datum factuur: 4-2-2022, bedrag: € 2.840

Datum factuur: 24-2-2022, bedrag: € 4.200

Bedrijf: [bedrijf 15]

Datum factuur: 24-1-2022, bedrag: € 1.980

Datum factuur: 25-2-2022, bedrag: € 1.980

Datum factuur: 11-3-2022, bedrag: € 540

Bedrijf: [bedrijf 11] B.V.

Datum factuur: 18-1-2021, bedrag: € 2.500

Datum factuur: 21-1-2021, bedrag: € 2.500

Datum factuur: 28-1-2021, bedrag: € 2.500

Datum factuur: 24-2-2022, bedrag: € 7.000

Bedrijf: [bedrijf 16]

Datum factuur: 3-1-2022, bedrag: € 2.025

Datum factuur: 18-1-2022, bedrag: € 1.800

Bedrijf: [bedrijf 17]

Datum factuur: 17-2-2022, bedrag: € 2.000

Bedrijf: [bedrijf 18]

Datum factuur: 20-1-2022, bedrag: € 3.120

Datum factuur: 4-2-2022, bedrag: € 2.920

Bedrijf: [bedrijf 19]

Datum factuur: 15-1-2022, bedrag: € 2.500

Verder zijn op het handgeschreven aantekeningenbriefje, aangetroffen in de bungalow van [medeverdachte 2] , ook bedrijven vermeld met daarachter bedragen die zijn te koppelen aan specifieke facturen. Bij dat bedrag wordt daarna een bedrag opgeteld dat vijf procent is van het bedrag dat op de facturen is aangetroffen. Het gaat om de volgende facturen:

Bedrijf: [bedrijf 11] B.V.

Datum factuur: 3-2-2023, bedrag: € 2.000

Datum factuur: 10-2-2023, bedrag: € 2.000

Datum factuur: 17-2-2023, bedrag: € 2.000

Datum factuur: 24-2-2023, bedrag: € 2.500

Bedrijf: [bedrijf 20]

Datum factuur: 14-2-2023, bedrag € 1.800

Bedrijf: [bedrijf 12]

Datum factuur: 3-2-2023, bedrag: € 1.500

Datum factuur: 10-2-2023, bedrag: € 1.500

Datum factuur: 17-2-2023, bedrag: € 1.500

Bedrijf: [bedrijf 15]

Datum factuur: 24-2-2023, bedrag: € 2.160

Bedrijf [bedrijf 21]

Datum factuur: 4-2-2023, bedrag: € 2.050

Datum factuur: 24-2-2023, bedrag € 2.000

Bedrijf [bedrijf 22]

Datum factuur: 24-2-2023, bedrag: € 2.300

Op de USB-stick met schaduwadministratie, die in de bungalow van [medeverdachte 2] is aangetroffen, staan ook bedrijven vermeld met daarachter bedragen die zijn te koppelen aan specifieke facturen. Per bedrag wordt daarna in de kolom ‘ [naam 1] ’ een bedrag opgeteld dat vijf procent is van het factuurbedrag. Het gaat om de volgende facturen:

Bedrijf: [bedrijf 23]

Datum factuur: 20-7-2019, bedrag: € 2.375

Bedrijf [bedrijf 24]

Datum factuur: 26-7-2019, bedrag: € 3.800

Bedrijf: [bedrijf 19]

Datum factuur: 8-7-2019, bedrag: € 2.850

Datum factuur: 25-8-2019, bedrag: € 2.500

Datum factuur: 24-9-2019, bedrag: € 2.350

Bedrijf: [bedrijf 25]

Datum factuur: 4-9-2019, bedrag: € 22.000

Bedrijf: [bedrijf 13]

Datum factuur: 13-7-2019, bedrag: € 2.250

Datum factuur: 27-7-2019, bedrag: € 2.500

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van deze 42 inkoopfacturen wettig en overtuigend is bewezen dat er een geldtransfer heeft plaatsgevonden, te weten een uitgaande girale betaling van [bedrijf 1] naar het betreffende bedrijf en een daarmee samenhangende binnenkomende contante betaling van dat bedrijf aan [bedrijf 1]

Verkoopfacturen

In het Exelbestand met de naam “inkomen” dat is aangetroffen op de computer van [medeverdachte 2] , zijn verschillende bedragen vermeld die zijn te herleiden tot specifieke facturen. In het Exelbestand is in de kolom ‘min’ tien procent van het totaalbedrag terug te vinden. Dit zijn de verdiensten van [bedrijf 1] Het gaat om de volgende facturen:

Bedrijf: [bedrijf 25]

Datum factuur: 14-1-2022, bedrag: € 1.890

Datum factuur: 21-1-2022, bedrag: € 3.350

Datum factuur: 27-1-2022, bedrag: € 1.665

Datum factuur: 3-2-2022, bedrag: € 1.870

Datum factuur: 10-2-2022, bedrag: € 1.670

Datum factuur: 17-2-2022, bedrag: € 1.890

Datum factuur: 25-2-2022, bedrag: € 1.330

Datum factuur: 4-3-2022, bedrag: € 1.665

Datum factuur: 11-3-2022, bedrag: € 1.670

Bedrijf: [bedrijf 26]

Datum factuur: 1-2-2022, bedrag: € 15.600

Op de USB-stick met schaduwadministratie die in de bungalow van [medeverdachte 2] is aangetroffen, staan ook bedrijven vermeld met daarachter bedragen die zijn te koppelen aan facturen. Bij dat bedrag wordt daarna in de kolom ‘ [naam 1] ’ een bedrag genoemd dat tien procent bedraagt van het factuurbedrag. Het gaat om de volgende facturen:

Bedrijf: [bedrijf 6]

Datum factuur: 18-10-2019, bedrag € 1.000

Datum factuur: 25-11-2019, bedrag: € 1.500

Bedrijf: [bedrijf 25]

Datum factuur: 29-7-2019, bedrag: € 3.000

Datum factuur: 4-11-2019, bedrag: € 3.300

Verder zijn op het handgeschreven aantekeningenbriefje, aangetroffen in de bungalow van [medeverdachte 2] , ook bedrijven vermeld met daarachter bedragen. Eén van deze bedragen is te koppelen aan een factuur van [bedrijf 1] die aan [bedrijf 1] is voldaan. Van dat factuurbedrag wordt een bedrag van tien procent afgehaald.. Het gaat om de volgende factuur:

Bedrijf: [bedrijf 25]

Datum factuur: 23-2-2023, bedrag: € 4.335

Op het aantekeningenbriefje staat “ [bedrijf 25] 4350 > 435 = 3915 (35)”. Dit eerste bedrag verschilt zo gering van het factuurbedrag dat – gegeven de overige omstandigheden – een verschrijving aannemelijk is.

Tot slot zijn op de computer van [medeverdachte 2] , zoals vermeld, nog twee foto’s (van een geprinte tabel en van een handgeschreven kladbriefje) aangetroffen. In de tabel is de naam [persoon A] vermeld. Hij is, zoals eerder vermeld, de eigenaar van het bedrijf [bedrijf 6] . Onder zijn naam zijn acht bedragen vermeld die zijn te koppelen aan factuurbetalingen door [bedrijf 6] aan [bedrijf 1] Van het totaalbedrag van deze acht facturen wordt in de tabel een bedrag afgetrokken dat tien procent is van het totaalbedrag. Het gaat om de volgende acht facturen:

Bedrijf: [bedrijf 6]

Datum factuur: 14-1-2021, bedrag: € 1.275

Datum factuur: 19-1-2021, bedrag: € 1.450

Datum factuur: 25-1-2021, bedrag: € 1.225

Datum factuur: 3-2-2021, bedrag: € 1.150

Datum factuur: 17-2-2021, bedrag € 1.375

Datum factuur: 10-2-2021, bedrag: € 1.400

Datum factuur: 24-2-2021, bedrag: € 1.400

Datum factuur: 1-3-2021, bedrag: € 1.400

De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot de bovenstaande 23 verkoopfacturen wettig en overtuigend is bewezen dat er een geldtransfer heeft plaatsgevonden, te weten een binnenkomende girale betaling en een daarmee samenhangende uitgaande contante betaling.

Ten aanzien van de overige in feit 1 ten laste gelegde tansacties geldt het volgende. Alles wijst erop dat er ook bij deze transacties geen feitelijke werkzaamheden hebben gestaan tegenover de gefactureerde bedragen en er dus sprake is van eenzelfde werkwijze als bij de hierboven genoemde transacties. Er is echter geen concreet bewijs dat een contante geldstroom heeft plaatsgevonden in relatie tot de girale betalingen. Daarom kan niet bewezen worden dat ook bij deze transacties sprake was van geldtransfers. Om die reden volgt ten aanzien van die transacties vrijspraak.

Geen vergunning en zetel in Nederland

[bedrijf 1] beschikte niet over een vergunning van de Nederlandsche Bank om aldus te handelen. De rechtbank concludeert dan ook dat een vergunning voor het verlenen van betaaldiensten, als is bedoeld in artikel 2:3a Wft, ontbrak. Ook aan het bestanddeel ‘Zetel in Nederland’ is voldaan, omdat de feitelijke handelingen rondom de geldtransfers in Nederland hebben plaatsgevonden. Het bedrijf [bedrijf 5] was hiervoor het middelpunt en het kantoor van dit bedrijf is gevestigd in Den Haag.

Medeplegen

De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van het medeplegen van bankieren zonder vergunning. [verdachte] en [medeverdachte 1] hadden beiden betrokkenheid bij [bedrijf 5] , en [bedrijf 5] stelde de facturen voor de door [medeverdachte 2] opgerichte eenmanszaak [bedrijf 1] op en voerde de boekhouding voor [bedrijf 1] De in- en verkoopfacturen zijn ook aangetroffen op het kantoor van [bedrijf 5] . Bovendien hadden de verdachten, zoals hiervoor reeds besproken, onderling contact met elkaar over welke transacties moesten worden verricht en overlegden zij met elkaar over of een factuur werd opgesteld en uitbetaald. Uit het dossier volgt dat er sprake is van een onderlinge afstemming en een gezamenlijk profijt van de winst.

Gewoonte

De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] van het uitoefenen van het beroep van betaaldienstverlener een gewoonte hebben gemaakt, omdat zij dit gedurende een langere periode, waarin soms wel dagelijks facturen werden opgemaakt, hebben gedaan. Immers is in de schaduwadministratie informatie gevonden die valt te koppelen aan facturen uit 2019 tot en met 2023.

2.3.2.1.5. Conclusie

Op grond van het vorenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 ten laste gelegde.

De rechtbank heeft hierboven al vastgesteld dat de tenlastegelegde in- en verkoopfacturen vals waren, omdat in strijd met de waarheid is vermeld dat de werkzaamheden genoemd in de facturen zijn verricht. Bovendien wist [verdachte] dat de facturen vals waren omdat hij deze bewust heeft opgemaakt om de girale transacties af te dekken. [verdachte] was vanaf het begin van de ten laste gelegde periode tot en met 16 december 2022 bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 5] . Hij had daarmee een bepalende positie binnen het bedrijf en zeggenschap over de bedrijfsvoering. Dat [verdachte] vanaf 16 december 2022 niet langer formeel bestuurder en aandeelhouder was, maakt dit niet anders. Ook daarna is hij, zoals uit zijn eigen verklaring ter terechtzitting volgt, betrokken gebleven bij het bedrijf. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 ten laste gelegde, te weten het medeplegen van het voorhanden hebben van valse in- en verkoopfacturen, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

2.3.2.2. Valsheid in geschrifte werkgeversverklaringen (feit 3)

De verdachte wordt verweten dat hij werkgeversverklaringen vals heeft opgemaakt, omdat hij in strijd met de waarheid heeft vermeld dat de desbetreffende werknemers een dienstverband hadden bij één van zijn bedrijven, zodat de betreffende werknemers een hypotheek konden verkrijgen.

De rechtbank overweegt ten aanzien van dit verwijt als volgt. Uit het dossier volgt dat alle vier de werknemers een arbeidsovereenkomst hadden. Echter, om van een dienstverband te kunnen spreken moet sprake zijn van een arbeidsverhouding waarbij een werknemer op basis van een arbeidsovereenkomst arbeid verricht in opdracht van en onder gezag van een werkgever, in ruil voor loon.

Hierna zal de rechtbank per werknemer bespreken of sprake is geweest van een dienstverband.

Werknemer: [persoon E]

(hierna: [persoon E] ) is volgens zijn werkgeversverklaring op 1 juni 2021 in dienst getreden als projectleider bij [bedrijf 3] . Hij is op 1 september 2021 uit dienst getreden. Op 28 juli 2021 heeft de verdachte de werkgeversverklaring afgegeven en ondertekend. Uit het dossier volgt dat de verdachte en [persoon E] op 23 juli 2021 (als [persoon E] dus al bijna twee maanden in dienst zou zijn) voor het eerst contact hebben via Whatsapp, waarbij [persoon E] aan de verdachte vraagt of het klopt dat hij een proeftijd van één maand heeft. Dit roept vragen op, nu uit het dossier niet blijkt dat [persoon E] voordien met iemand anders van [bedrijf 3] contact heeft gehad over zijn arbeidsovereenkomst. Het vermoeden dat [persoon E] niet daadwerkelijk vanaf 1 juni 2021 in dienst was, wordt versterkt door het feit dat hij over de maand juni 2021 geen salaris uitgekeerd heeft gekregen van [bedrijf 3] . Bovendien heeft hij geen vragen willen beantwoorden over de aard van zijn werkzaamheden bij [bedrijf 3] , anders dan dat hij daar heeft gewerkt in de maanden juni tot en met augustus 2021. heeft bovendien ook nog een eenmanszaak en uit de omzetcijfers volgt dat hij de meeste omzet heeft behaald in de maanden dat hij ook 36 uur per week werkzaam zou zijn geweest bij [bedrijf 3] . Deze gegevens in onderlinge samenhang beschouwd zijn onlogisch en tegenstrijdig. Daarom is de rechtbank van oordeel dat van een daadwerkelijk dienstverband bij [bedrijf 3] geen sprake is geweest. De vermelding in de werkgeversverklaring dat sprake was van een dienstverband, is daarmee in strijd met de waarheid.

Werknemer: [persoon F]

(hierna: [persoon F] ) is volgens haar werkgeversverklaring op 1 december 2019 in dienst getreden bij [bedrijf 5] . Zij is op 30 juni 2020 uit dienst getreden. Op 9 januari 2021 heeft de verdachte een werkgeversverklaring ondertekend. In de telefoon van de verdachte is een Whatsappgesprek aangetroffen tussen de verdachte en de vader (hierna: [persoon G] ) van [persoon F] . [persoon G] stuurt de verdachte het volgende bericht: “Hallo [verdachte] , is alles goed daar? Mag ik jou om een gunst vragen? Mijn dochter wilt een huis kopen ze komen net te weinig aan inkomsten. Heb jij werk voor 1 dag per week voor een periode van een maand. Ik hoor het graag”. Op 9 januari 2021 laat de verdachte [persoon G] weten dat hij de specificatie en werkgeversverklaring naar zijn dochter heeft gestuurd en vraagt [persoon G] wanneer zijn dochter haar contract (dat dus al per 1 december 2019 in zou zijn gegaan) kan verwachten. In de maanden die daarop volgen is er nog een enkele keer contact tussen [persoon G] en de verdachte, waarbij de verdachte informeert naar het telefoonnummer van [persoon F] en aan [persoon G] vraagt hoe het met haar is. Dit is opmerkelijk, in aanmerking nemende dat [persoon F] op dat moment bij de verdachte zou werken en hij dus zou moeten weten hoe het met haar ging en haar telefoonnummer zou moeten hebben of aan haar zelf had kunnen vragen. [persoon F] is gehoord als verdachte en heeft verklaard dat zij wel degelijk werkzaam was bij [bedrijf 5] en dat zij soms met het openbaar vervoer naar haar werk ging. Er heeft een analyse plaatsgevonden van de bankrekeningen van [persoon F] en hieruit is duidelijk geworden dat er geen uitgaven zijn te koppelen aan het reizen met het openbaar vervoer. Verder is gekeken of zij geldtransacties heeft verricht in de maanden januari en februari 2020 in de buurt van het kantoor van haar werkgever in Den Haag en uit deze analyse volgt dat: “in totaal 58 transacties plaats hebben gevonden bij een betaalautomaat of een geldautomaat. Van deze transacties vonden er 41 plaats in Dordrecht, waaronder 31 transacties op werkdagen tussen 07:00 en 18:00”. Uit de bankafschriften van [persoon F] en [bedrijf 5] volgt ten slotte dat in december 2019 geen salaris is uitgekeerd.

Alle bovengenoemde omstandigheden afwegende komt de rechtbank ook ten aanzien van [persoon F] tot de conclusie dat er geen sprake is geweest van een daadwerkelijk dienstverband bij [bedrijf 5] . De vermelding in de werkgeversverklaring dat sprake was van een dienstverband, is derhalve in strijd met de waarheid.

Werknemer: [persoon H]

(hierna: [persoon H] ) is volgens haar werkgeversverklaring op 1 februari 2022 in dienst getreden als commercieel medewerkster bij [bedrijf 4] . [persoon H] heeft gelijk een contract voor onbepaalde tijd gekregen voor 38 uur per week. Zij is op 30 november 2022 uit dienst getreden. Op 6 juli 2022 heeft de verdachte een werkgeversverklaring afgegeven en ondertekend. De partner van [persoon H] , [persoon I] (hierna: [persoon I] ), heeft tijdens zijn verhoor verklaard dat het dienstverband van [persoon H] een fictief dienstverband betrof om een hypotheek te kunnen verkrijgen en dat [persoon H] niet bij [bedrijf 4] heeft gewerkt. zelf heeft verklaard dat zij vanuit huis werkzaam was voor [bedrijf 2] en dat het bedrijf gevestigd is in Bleiswijk, terwijl zij volgens haar werkgeversverklaring een contract had bij [bedrijf 4] en dit bedrijf gevestigd is in Bergschenhoek. Verder heeft zij verklaard dat zij contact moest opnemen met potentiële klanten met de vraag of zij interesse hadden in de producten van haar werkgever, maar blijkt uit haar verklaring dat zij eigenlijk weinig weet te vertellen over de producten die zij moest verkopen en geen voorbeelden kan noemen van bedrijven die zij heeft moeten bellen. Hierdoor bestaat het sterke vermoeden dat er geen daadwerkelijk dienstverband was. Daarnaast is er in de telefoon van de verdachte een Whatsappgesprek aangetroffen tussen hem en [persoon H] . Op 16 februari 2022 vraagt de verdachte aan [persoon H] wanneer zij komt tekenen. Op 5 juli 2022, een dag voordat de werkgeversverklaring is ondertekend, zegt [persoon H] tegen de verdachte dat zij stukken nodig heeft, vraagt zij of de verdachte haar daar verder bij kan helpen en stuurt zij een printscreen mee van de hypotheekadviseur met betrekking tot de benodigde stukken. Als reactie hierop schrijft de verdachte dat hij zijn best gaat doen en op 6 juli 2022 vraagt hij aan [persoon H] of zij even langs kan rijden voor wat handtekeningen. Dit verstrekt het vermoeden dat de werkgeversverklaring is afgegeven door de verdachte op het moment dat [persoon H] hier om vroeg, omdat zij deze nodig had voor het verkrijgen van een hypotheek. Immers is de werkgeversverklaring ondertekend op 6 juli 2022 en wordt er in hun Whatsappgesprek niet gesproken over de werkzaamheden van [persoon H] voor een van de bedrijven van de verdachte.

De verdediging heeft aangevoerd dat [persoon I] onder druk gezet is om een belastende verklaring af te leggen. De rechtbank is van oordeel dat deze stelling niet aannemelijk is gemaakt.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat van een daadwerkelijk dienstverband van [persoon H] bij [bedrijf 4] geen sprake is geweest. De vermelding in de werkgeversverklaring dat sprake was van een dienstverband, is daarmee in strijd met de waarheid.

Werknemer: [persoon J]

(hierna: [persoon J] ) is volgens zijn werkgeversverklaring op 1 januari 2021 in dienst getreden als timmerman bij [bedrijf 3] . Hij is op 1 juni 2021 uit dienst getreden. Op 1 juni 2021 en op 7 juni 2021 heeft de verdachte werkgeversverklaringen ondertekend op naam van [persoon J] .

De werkgeversverklaring van 1 juni 2021 is opgemaakt om 17:43 uur, en dus na de vermeende laatste werkdag van [persoon J] . Beide werkgeversverklaringen zijn dus ondertekend en afgegeven op het moment dat het dienstverband al was beëindigd. Dat betekent dat de vermelding op de werkgeversverklaringen dat sprake was van een dienstverband met [bedrijf 3] , in strijd is met de waarheid.

2.3.2.2.1 Conclusie

Gelet op het voorgaande is de rechtbank ten aanzien van alle vier werknemers van oordeel dat geen sprake is geweest van de in de werkgeversverklaring vermelde dienstverbanden, zodat die vermelding in strijd met de waarheid is. Het ter terechtzitting door de verdediging gevoerde verweer dat de werknemers wel degelijk hebben gewerkt voor de bedrijven van de verdachte wordt dan ook verworpen. Het verweer is, mede gelet op al hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, onvoldoende onderbouwd. Dat betekent dat de werkgeversverklaringen vals zijn opgemaakt en dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift.

2.3.3.

Bewezenverklaring

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het onder feit 1, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde zoals hiervoor is overwogen wettig en overtuigend is bewezen.

2.3.4.

Volledige bewezenverklaring

Bewezen is dat:

Feit 1

de verdachte op tijdstippen in de periode 10 juli 2019 tot 31 maart 2023 in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen,

meermalen,

met zetel in Nederland,

opzettelijk,

zonder een daartoe door de Nederlandsche Bank verleende vergunning,

het bedrijf en/of beroep van betaaldienst heeft uitgeoefend als bedoeld in artikel 4, punt 3 van de Richtlijn Betaaldiensten (2015/2366/EU)

immers hebben hij, verdachte en zijn mededaders,

betaaldiensten als bedoeld in artikel 4, punt 3 van de Richtlijn betaaldiensten, te weten geldtransfers als bedoeld in bijlage 1 van de Richtlijn Betaaldiensten (2015/2366/EU), uitgevoerd door

- van betalers geldmiddelen te ontvangen,

- voor rekening van begunstigden geldmiddelen te ontvangen

- aan begunstigden geldmiddelen beschikbaar te stellen en

- voor de voornoemde begunstigden en betalers geldmiddelen te houden/bewaren,

te weten,

- ( binnenkomende) contante transacties voor een geldbedrag (+5%)

- ( uitgaande) girale transacties voor een geldbedrag

DOC-219-01 t/m 25;

- ( binnenkomende) girale transacties voor een geldbedrag

- uitgaande) contante transacties voor een geldbedrag (-10%)

DOC-211; DOC-334;

van welk misdrijf verdachte en zijn mededaders een gewoonte hebben gemaakt;

Feit 2

de besloten vennootschap [bedrijf 5] op tijdstippen in de periode 10 juli 2019 tot 31 maart 2023 in ’s-Gravenhage,

tezamen en in vereniging met anderen,

opzettelijk,

de hieronder genoemde valselijk opgemaakte geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, voorhanden heeft gehad, terwijl de besloten vennootschap en zijn mededaders telkens wisten dat die geschriften bestemd waren om gebruik van te maken als ware het echt en onvervalst:

(verkoopfacturen)

- [bedrijf 6] 18 oktober 2019, bedrag € 1.000

- [bedrijf 26] B.V. 1 februari 2022, bedrag € 15.600

- [bedrijf 25] 23 februari 2023, € 4.335

(inkoopfacturen)

- [bedrijf 24] 26 juli 2019, bedrag € 3.800

- Factuur [bedrijf 15] 24 januari 2022 bedrag € 1.980

- [bedrijf 17] 17 februari 2022, bedrag € 2.000

- [bedrijf 22] 24 februari 2023, bedrag € 2.300, en

- een of meerdere geschriften (zie overige 38 inkoopfacturen (zie Excelbestand,

tabblad 1 ‘inkoopfacturen’ en zaaksdossier ZD-009-01 , p. 24) en 20 verkoopfacturen (zie Excelbestand, tabblad 2 ‘verkoopfacturen’ en zaakdossier ZD-009-01 , p. 28)

bestaande die valsheid hierin dat op die geschriften valselijk en in strijd met de waarheid is vermeld dat de op die facturen vermelde werkzaamheden verricht zijn en/of beschreven diensten zijn geleverd op de wijze als omschreven in de facturen, terwijl in werkelijkheid vermelde werkzaamheden en/of diensten niet of niet op de wijze als omschreven in de facturen zijn verricht;

hebbende hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen, telkens feitelijke leiding gegeven aan de vorenstaande verboden gedragingen;

Feit 3

de verdachte in de periode 1 december 2019 tot 30 november 2022, in Nederland,

geschriften, die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen,

valselijk heeft opgemaakt door op een

a. a) werkgeversverklaring voor [persoon E] bij [bedrijf 3] B.V. (d.d. 28 juli 2021);

b) werkgeversverklaring voor [persoon F] bij [bedrijf 5] B.V. (d.d. 9 januari 2020);

c) werkgeversverklaring voor [persoon H] bij [bedrijf 4] B.V. (d.d. 6 juli 2022);

d) werkgeversverklaring voor [persoon J] bij [bedrijf 3] B.V. (d.d. 1 juni 2021);

e) werkgeversverklaring voor [persoon J] bij [bedrijf 3] B.V. (d.d. 7 juni 2021);

in strijd met de waarheid te vermelden dat

a. a) [persoon E] een dienstverband heeft bij [bedrijf 3] B.V. en

b) [persoon F] een dienstverband heeft bij [bedrijf 5] B.V. en

c) [persoon H] een dienstverband heeft bij [bedrijf 4] B.V. en

d) [persoon J] een dienstverband heeft bij [bedrijf 3] B.V.

e) [persoon J] een dienstverband heeft bij [bedrijf 3] B.V.

met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

3 Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

Feit 1

Medeplegen van een gewoonte maken van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2:3a van de Wet op het financieel toezicht, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Feit 2

Medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

Feit 3

Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

3.2.

Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4 Straf

4.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Ernst en omstandigheden van het de feiten

De verdachte heeft samen met anderen gedurende een periode van een kleine vier jaar op bedrijfsmatige wijze een groot aantal geldtransacties verricht zonder dat zij de hiervoor benodigde vergunning hadden of van de vergunningsplicht waren vrijgesteld in Nederland. Hiermee was in totaal een geldbedrag van ongeveer € 160.000,- gemoeid. Door dit handelen zijn veelvuldig contante geldbedragen buiten het formele geldcircuit om ontvangen en overgedragen, waarmee de verdachte en zijn medeverdachten zich hebben onttrokken aan de regels van het financiële toezichtrecht. Deze regels hebben tot doel de integriteit van het (internationale) betalingsverkeer en de belangen van de gebruikers van betaaldiensten te beschermen. Door illegale geldtransacties kunnen opbrengsten van strafbare feiten met legale opbrengsten worden vermengd, waardoor deze moeilijk zijn op te sporen. Ook wordt het plegen van allerlei vormen van criminaliteit makkelijker doordat geldbedragen zonder enige controle kunnen worden overgedragen. Met zijn activiteiten heeft de verdachte hieraan bijgedragen. De verdachte heeft om bovenstaand systeem van geldtransacties mogelijk te maken, gebruik gemaakt van valse in- en verkoopfacturen. Met behulp van deze facturen heeft de verdachte met zijn medeverdachten de schijn proberen te wekken dat [bedrijf 1] een bouwbedrijf was dat onderhouds- en aannemingsdiensten verrichtte en dat [bedrijf 5] als boekhouder van [bedrijf 1] de in- en verkoopfacturen maakte en administreerde.

De verdachte en de medeverdachten verdienden met deze activiteiten per transactie een percentage van circa vijf of tien procent van het bedrag dat aldus buiten het formele geldcircuit werd gehouden.

De verdachte en de medeverdachten hadden in deze opgezette geraffineerde constructie gedurende langere tijd allemaal hun eigen rol, waarbij niet is gebleken dat de rol van de een van meer waarde was dan die van de ander.

Zo heeft [medeverdachte 2] zijn eenmanszaak laten gebruiken als de onderneming aan wie de inkoopfacturen werden gestuurd en door wie de verkoopfacturen werden gestuurd en wiens boekhouding diende als dekmantel. Daarnaast is onder hem veel bewijs voor de gevoerde schaduwboekhouding gevonden.

Zo heeft de verdachte het bedrijf [bedrijf 5] , waarvan hij een groot deel van de bewezenverklaarde periode bestuurder en enig aandeelhouder was, gebruikt om de valse facturen te administreren alsof er sprake was van legale geldstromen. Ook heeft hij actief afspraken gemaakt met klanten van het illegale geldcircuit.

Zo was [medeverdachte 1] een groot deel van de bewezenverklaarde periode medewerker van [bedrijf 5] en het laatste deel van de bewezenverklaarde periode bestuurder en enig aandeelhouder van deze vennootschap. Ook hij heeft actief afspraken gemaakt met klanten van het illegale geldcircuit.

De verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan hypotheekfraude door het opmaken van valse werkgeversverklaringen met als doel die door anderen te laten gebruiken. De verdachte zorgde er via diverse rechtspersonen waarvan hij bestuurder was, voor dat anderen op papier een dienstverband hadden bij een van de hiervoor bedoelde rechtspersonen. Ten bewijze van het fictieve dienstverband werden loonspecificatie(s) en werkgeversverklaringen opgemaakt en bij de hypotheekverstrekkers ingeleverd. Op basis van de fictieve dienstverbanden en de valse documenten zijn meerdere hypothecaire geldleningen verstrekt. De rechtbank vindt de handelwijze van de verdachte en degenen die gebruik maakten van deze valse documenten zeer kwalijk. Hypotheekverstrekkers moeten kunnen vertrouwen op de echtheid van de door de aanvrager(s) verstrekte documenten. De verdachte en de gebruikers van de valse documenten hebben dat vertrouwen beschaamd. Hoewel (nog) niet is komen vast te staan dat de hypotheekverstrekkers hierdoor schade hebben opgelopen, maakt dit voor de strafwaardigheid niet uit. Dit soort constructies ondermijnen (het vertrouwen in) de economie en de financiële markten en maken het des te lastiger voor anderen om op eerlijke wijze een hypotheek te verkrijgen.

De verdachte heeft door zijn stelselmatige ontkenning ten aanzien van de feiten laten zien geen enkele verantwoordelijkheid te willen nemen voor zijn handelen. Dit rekent de rechtbank hem aan.

4.3.2.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 15 april 2026 van de verdachte blijkt niet van eerdere relevante onherroepelijke veroordelingen voor strafbare feiten.

Voorts heeft de rechtbank gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Hoewel de rechtbank oog heeft voor de gevolgen die een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de verdachte kan hebben, is de rechtbank gelet op de aard en de ernst van de feiten van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een aanzienlijke gevangenisstraf.

4.3.3.

Oplegging straf

In beginsel is de rechtbank - alles afwegende - van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk (met aftrek van voorarrest) met een proeftijd van twee jaar, een passende en geboden reactie vormt.

De rechtbank stelt evenwel vast dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden. De redelijke termijn in deze zaak is aangevangen op het moment dat de verdachte in verzekering werd gesteld. Dat was op 8 maart 2023. Als uitgangspunt geldt dat binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn door de rechtbank moet zijn beslist, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Door de complexiteit van de zaak, de grootte van het onderzoek en de vele verdachten die bij het onderzoek betrokken zijn, vindt de rechtbank dat sprake is van bijzondere omstandigheden, waardoor het gerechtvaardigd is dat de afdoening van de zaak langer heeft geduurd dan het uitgangspunt van twee jaar. De rechtbank vindt een termijn van drie jaar in dit geval redelijk. Dit betekent dat de zaak in principe op 8 maart 2026 afgerond had moeten zijn. Nu er vonnis wordt gewezen op 5 november 2026 is de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak met ongeveer 8 maanden overschreden. Dit leidt tot een strafvermindering van 10% en afgerond 1 maand.

De rechtbank zal deze overschrijding verdisconteren in de strafmaat door in plaats van de in beginsel passende 4 van de 14 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf, 5 maanden voorwaardelijk, op te leggen. Het voorwaardelijke strafdeel moet eraan bijdragen dat de verdachte niet weer strafbare feiten pleegt.


Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.

5 In beslag genomen voorwerpen

5.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen geldbedragen onder de nummers 1 tot en met 6 op de beslaglijst verbeurd worden verklaard.

5.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat de in beslag genomen geldbedragen moeten worden teruggegeven aan de verdachte, omdat de geldbedragen niet als inkomsten uit de ten laste gelegde feiten kunnen worden gezien.

5.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft onder hoofdstuk 2 vastgesteld dat niet alle aan de verdachte ten laste gelegde transacties wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Daarmee kan de rechtbank evenmin met voldoende zekerheid vaststellen dat de in beslag genomen geldbedragen geheel of gedeeltelijk afkomstig zijn uit de strafbare feiten.

Nu een toereikende grondslag ontbreekt om het beslag te handhaven -uit het dossier volgt immers niet dat er tevens conservatoir beslag ligt- zal de rechtbank de teruggave van de geldbedragen aan de verdachte gelasten.

5.3.1.

Teruggave

De rechtbank beslist tot de teruggave van de in beslag genomen geldbedragen onder de nummers 1 tot en met 6 op de beslaglijst aan degene die als redelijkerwijs rechthebbende kan worden aangemerkt, namelijk de verdachte.

6 Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 51, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 2:3a van de Wet op het financieel toezicht en de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.

7 Beslissingen

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 en 3, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

Gevangenisstraf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 14 (veertien) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

Voorwaardelijk strafdeel

bepaalt dat 5 (vijf) maanden van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde dat:

- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;

In beslag genomen voorwerpen

- beveelt de teruggave van de geldbedragen onder de punten 1 tot en met 6 aan de rechthebbende:

  1. 20000 EUR (IBG datum 8-3-2023) (Omschrijving: [goednummer 1] );

  2. 1415 EUR (IBG datum 8-3-2023) (Omschrijving: [goednummer 2] );

  3. 5000 EUR (IBG datum 8-3-2023) (Omschrijving: [goednummer 3] );

  4. 4350 EUR (IBG datum 8-3-2023) (Omschrijving: [goednummer 4] );

  5. 315 EUR (IBG datum 8-3-2023) (Omschrijving: [goednummer 5] );

  6. 470 EUR (IBG datum 8-3-2023) (Omschrijving: [goednummer 6] ).

8 Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.J. Bade, voorzitter,

en mrs. J.F. Koekebakker en L. den Teuling, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.R. van Zaanen, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 5 november 2026.

Bijlage 1 – volledige tenlastelegging

1

hij, op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 10 juli 2019 tot 31 maart 2023 in ‘s-Gravenhage, althans in Nederland en/of in België,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

met zetel in Nederland,

opzettelijk,

zonder een daartoe door de Nederlandsche Bank verleende vergunning,

het bedrijf en/of beroep van betaaldienst heeft uitgeoefend als bedoeld in artikel 4, punt 3 van de Richtlijn Betaaldiensten (2015/2366/EU)

immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s),

een of meerdere betaaldiensten als bedoeld in artikel 4, punt 3 van de Richtlijn betaaldiensten, te weten een of meerdere geldtransfer(s) als bedoeld in bijlage 1 van

de Richtlijn Betaaldiensten (2015/2366/EU), uitgevoerd door,

- van een of meerdere betaler(s) geldmiddelen te ontvangen,

- voor rekening van één of meerde begunstigde(n) geldmiddelen te ontvangen

- aan één of meerdere begunstigde(n) geldmiddelen beschikbaar te stellen en/of

- voor een of meerdere van de voornoemde begunstigde(n) en/of betaler(s) geldmiddelen te houden/bewaren,

te weten,

- 505 ( binnenkomende) contante transacties voor in totaal € 1.114.773,50 (+5%)

(Excelbestand, tabblad 1)

- 505 ( uitgaande) girale transacties voor in totaal € 1.114.773,50 (Excelbestand,

tabblad 1)

DOC-219-01 t/m 25;DOC-220-01 t/m 41 (ongespecificeerde facturen); AMB-058, AMB-087 en AMB-121 (bedrijven staan vermeld in schaduwboekhouding met percentages); AMB-091 (nihil inkoopkosten bedrijven); AMB-115-01 (geen offertes aangetroffen); AMB-047 (website [bedrijf 1] vals); AMB-060 (geen telefonische ordners [bedrijf 1] waargenomen); AMB-063 (hoge bedragen contant geld aangetroffen); AMB-126 (Whatsapp gesprek [persoon D] ); AMB-133 (tapgesprek [verdachte] en [medeverdachte 2] over afhandeling transacties);

- 200 ( binnenkomende) girale transacties voor in totaal € 1.012.341,93

(Excelbestand, tabblad 2)

- 200 ( uitgaande) contante transacties voor in totaal € 1.012.341,93 (-10%)

(Excelbestand, tabblad 2)

AMB-098 t/m AMB-112; DOC-211; DOC-334; DOC-337 (ongespecificeerde facturen); AMB-057, AMB-87, AMB-116 AMB-121 (bedrijven vermeld schaduwboekhouding met percentages); V-025/V-26/V-31 (zwijgrechtverklaring bestuurders); AMB-108, AMB-128, AMB-130, AMB-132 (whatsappgesprekken over facturen); AMB-115 (geen projectadministratie); AMB-037 (website [bedrijf 1] vals); AMB-060 (hoge bedragen contant geld aangetroffen); AMB-060 (geen telefonische ordners [bedrijf 1] waargenomen); AMB-130 (tapgesprekken bestuurders); AMB-128-01 en AMB-132 (whatsapp gesprekken [persoon K] / [persoon L] ) AMB-133 (tapgesprek [verdachte] en [medeverdachte 2] over afhandeling transacties);

van welk misdrijf verdachte en/of zijn mededader(s) een gewoonte heeft/hebben

gemaakt;

2

De besloten vennootschap [bedrijf 5] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 10 juli 2019 tot 31 maart 2023 in ‘s-Gravenhage, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk,

de hieronder genoemde valselijk opgemaakt en/of vervalste geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten voorhanden heeft gehad, terwijl de besloten vennootschap en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die geschriften bestemd waren om gebruik van te maken als ware het echt en onvervalst:

(verkoopfacturen)

- [bedrijf 6] 18 oktober 2019, bedrag € 1.000 (DOC-211-01)

- [bedrijf 8] B.V. 27 november 2020, bedrag 10.750 (DOC-225-01 en

DOC-226-04)

- [bedrijf 26] B.V. 1 februari 2022, bedrag € 15.600

(DOC-334-01 en 333-27)

- [bedrijf 25] 23 februari 2023, € 4.335 (DOC 337-01; DOC 336-63)

(inkoopfacturen)

- [bedrijf 24] 26 juli 2019, bedrag € 3.800 (DOC 219-7; DOC 220-13),

- Factuur [bedrijf 15] 24 januari 2022 bedrag € 1.980 (DOC-2019-04 en DOC-220-07),

- [bedrijf 17] 17 februari 2022, bedrag € 2.000 DOC-219-10 en DOC-220-19),

- [bedrijf 22] 24 februari 2023, bedrag € 2.300, (DOC-219-24 en DOC-223-05), en/of

- een of meerdere geschriften (zie overige 501 inkoopfacturen (zie Excelbestand,

tabblad 1 ‘inkoopfacturen’ en zaaksdossier ZD-009-01 , p. 24) en 200 verkoopfacturen (zie Excelbestand, tabblad 2 ‘verkoopfacturen’ en zaakdossier ZD-009-01 , p. 28)

bestaande die valsheid en/of vervalsing hierin dat op die geschriften valselijk en/of in strijd met de waarheid is vermeld en/of opgenomen dat de op die facturen vermelden werkzaamheden verricht zijn en/of beschreven diensten zijn geleverd op de wijze als omschreven in de facturen, terwijl in werkelijkheid vermelde werkzaamheden en/of diensten niet of niet op de wijze als omschreven in de facturen zijn verricht;

hebbende hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) tot (het) vorenstaande feit(en) opdracht gegeven en/of feitelijke leiding gegeven aan de vorenstaande verboden gedraging(en).

3

hij in de periode 1 december 2019 tot 30 november 2022, in ‘s-Gravenhage, althans

in Nederland en/of in België,

tezamen en in vereniging met een ander(en), althans alleen,

geschriften, die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen,

valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, door op een

a. a) werkgeversverklaring voor [persoon E] bij [bedrijf 3] B.V. (d.d. 28 juli 2021) (DOC-049-01) ( ZD-009-01 , p. 1226);

b) werkgeversverklaring voor [persoon F] bij [bedrijf 5] B.V. (d.d. 9 januari 2020) (DOC-073-01) ( ZD-009-01 , p. 1474);

c) werkgeversverklaring voor [persoon H] bij [bedrijf 4] B.V. (d.d. 6 juli 2022) (DOC-135-11) ( ZD-009-01 , p. 2076);

d) werkgeversverklaring voor [persoon J] bij [bedrijf 3] B.V. (d.d. 1 juni 2021) (DOC-078-05) ( ZD-009-01 , p. 1594);

e) werkgeversverklaring voor [persoon J] bij [bedrijf 3] B.V. (d.d. 7 juni 2021) (DOC-078-07) ( ZD-009-01 , p. 1597)

in strijd met de waarheid te vermelden dat

a. a) [persoon E] een dienstverband heeft bij [bedrijf 3] B.V. en/of

b) [persoon F] een dienstverband heeft bij [bedrijf 5] B.V. en / of

c) [persoon H] een dienstverband heeft bij [bedrijf 4] B.V. en/of

d) [persoon J] een dienstverband heeft bij [bedrijf 3] B.V.

e) [persoon J] een dienstverband heeft bij [bedrijf 3] B.V.

met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of door andere te

doen gebruiken.

DOC-021-01, p. 1113 van het zaaksdossier 009-01. DOC-017-01, p. 1107 van het zaaksdossier 009-01. DOC-055-01, p. 1243 van het zaaksdossier 009-01. TCI-003-01, p. 1050 e.v. van het zaaksdossier 009-01. DOC-017-01, p. 1107 van het zaaksdossier 009-01. AMB-037-01, p. 421 e.v. van het zaaksdossier 009-01. AMB-037-01, p. 424 van het zaaksdossier 009-01. Voorbeelden: DOC-134-05, p. 1934 van het zaaksdossier 009-01, DOC-134-09, p. 1937 van het zaaksdossier 009-01. AMB-037-01, p. 421 e.v. van het zaaksdossier 009-01. AMB-060-01, p. 474 e.v. van het zaaksdossier 009-01. .AMB-091-01, p. 528 e.v. van het zaaksdossier 009-01. DOC-330-01, p. 2499 e.v. van het zaaksdossier 009-01. DOC-331-01, DOC-331-02, DOC-331-03, DOC-331-04 en DOC-331-05, p. 2503 e.v. van het zaaksdossier 009-01. IBN-004-03, p. 960 e.v. van het zaaksdossier 009-01. AMB-115-01, p. 567 e.v. van het zaaksdossier 009-01. AMB-096-01, p. 532 e.v. van het zaaksdossier 009-01. AMB-096-01, p. 532 e.v. van het zaaksdossier 009-01. Zie: AMB 098-01, AMB-100-1, AMB-112-01 en AMB-101-01. Voorbeelden: DOC-333-01, p. 2510 van het zaaksdossier 009-01, DOC-226-01, p. 2480 van het zaaksdossier 009-01, DOC-210-02, p. 2323 van het zaaksdossier 009-01 en DOC-336-01, p. 2542 van het zaaksdossier 009-01. AMB-037-01, p. 421 e.v. van het zaaksdossier 009-01 en DOC-055-01, p. 1243 van het zaaksdossier 009-01. Zie hierna ad b. onder het kopje “Schaduwboekhouding”. Proces-verbaal van de rechter-commissaris van 17 december 2025, verklaring [getuige] . AMB-065-01, p. 484 e.v. van het zaaksdossier 009-01, V-025-01, p. 204 e.v. van het zaaksdossier 009-01, V-027-01, p. 223 e.v. van het zaaksdossier 009-01 en V-031-01, p. 247 e.v. van het zaaksdossier 009-01. AMB-058-01, AMB-087, AMB-116, AMB-121 en AMB-122 van het zaaksdossier 009-01. IBN-003-04, p. 953 e.v. van het zaaksdossier 009-01. IBN-007-05, p. 990 e.v. van het zaaksdossier 009-01. AMB-122-01, p 601 e.v. van het zaaksdossier 009-01 DOC-165-01, DOC-165-02, DOC-165-03, DOC-165-04, DOC-165-05, p. 2442 e.v. van het zaaksdossier. AMB-058-01, p. 466 e.v. van het zaaksdossier 009-01. AMB-087-01, P. 519 e.v. van het zaaksdossier 009-01 AMB-116-01, p. 573 van het zaaksdossier 009-01 AMB-121-01, p. 598 e.v. van het zaaksdossier 009-01. AMB-113-01, p. 561 e.v. van het zaaksdossier 009-01. AMB-113-01, p. 561 e.v. van het zaaksdossier 009-01. AMB-108-01, p. 547 e.v. van het zaaksdossier 009-01 AMB-108-01, p. 547 e.v. van het zaaksdossier 009-01 AMB-119-01, p. 586 e.v. van het zaaksdossier 009-01. AMB-125-01, p. 614 e.v. van het zaaksdossier 009-01. AMB-133-01, p. 667 e.v. van het zaaksdossier 009-01. AMB-126-01, p. 621 e.v. van het zaaksdossier 009-01. IBN-003-04, p. 953 e.v. van het zaaksdossier 009-01. IBN-001-04, p. 908 e.v. van het zaaksdossier 009-01 en IBN-002-04, p. 941 e.v. van het zaaksdossier 009-01. IBN-004-02, p. 958 e.v. van het zaaksdossier 009-01. AMB-080-01, p. 504 e.v. van het zaaksdossier 009-01. AMB-121-01, pagina 598 e.v. van het zaaksdossier 009-01. DOC-219-01, p. 2395 e.v. van het zaaksdossier 009-01. DOC-219-03, p. 2399 van het zaaksdossier 009-01. DOC-219-04, p. 2400 van het zaaksdossier 009-01. DOC-219-02, p. 2397 e.v. van het zaaksdossier 009-01. DOC-219-06, p. 2402 van het zaaksdossier 009-01. DOC-219-10, p. 23406 van het zaaksdossier 009-01. DOC-219-21, p. 2417 van het zaaksdossier 009-01. DOC-219-09, p. 2405 van het zaaksdossier 009-01. AMB-087-01, pagina 519 e.v. van het zaaksdossier 009-01. DOC-219-02, p. 2397 e.v. van het zaaksdossier 009-01. DOC-219-11, p. 2407 van het zaaksdossier 009-01. DOC-219-03, p. 2399 van het zaaksdossier 009-01. DOC-219-04, p. 2400 van het zaaksdossier 009-01. DOC-219-05, p. 2401 van het zaaksdossier 009-01. DOC-219-24, p. 2420 van het zaaksdossier 009-01. AMB-058-01, pagina 464 e.v. van het zaaksdossier 009-01. DOC-219-22, p. 2418 van het zaaksdossier 009-01. DOC-219-07, p. 2403 van het zaaksdossier 009-01. DOC-219-09, p. 2405 van het zaaksdossier 009-01. DOC-219-17, p. 2413 van het zaaksdossier 009-01. DOC-219-13, p. 2409 van het zaaksdossier 009-01. AMB-121-01, pagina 598 e.v. van het zaaksdossier 009-01. DOC-335-01, p. 2541 van het zaaksdossier 009-01. DOC-334-01, p. 2540 van het zaaksdossier 009-01. AMB-058-01, pagina 464 e.v. van het zaaksdossier 009-01. DOC-211-01, p. 2375 van het zaaksdossier 009-01. DOC-335-01, p. 2541 van het zaaksdossier 009-01. AMB-087-01, pagina 519 e.v. van het zaaksdossier 009-01. DOC-335-01, p. 2541 van het zaaksdossier 009-01. AMB-065-01, pagina 484 e.v. van het zaaksdossier 009-01. AMB-116-01, pagina 570 e.v. van het zaaksdossier 009-01. DOC-211-01, p. 2375 van het zaaksdossier 009-01. DOC-373-01, pagina 3128 e.v. van het zaaksdossier 009-01 en DOC-373-02, pagina 3131 e.v. van het zaaksdossier 009-01. AMB-133-01, p. 667 e.v. van het zaaksdossier 009-01. DOC-049-01 van zaaksdossier 001-01. V-003-01 van het zaaksdossier 001-01. AMB-083-01 van het zaaksdossier 001-01. DOC-073-01 van het zaaksdossier 003-01. AMB-073-01 van het zaaksdossier 003-001. AMB-073-01 van het zaaksdossier 003-001. V-007-01 van het zaaksdossier 003-01. AMB-088-01 van het zaaksdossier 088-01. AMB-088-01 van het zaaksdossier 088-01. DOC-135-12 van het zaaksdossier 010-01. DOC-135-11 van het zaaksdossier 004-01. V-023-01 van het zaaksdossier 004-01. V-014-01 van het zaaksdossier 004-01. AMB-078-01 van het zaaksdossier 004-01. DOC-078-05 van het zaaksdossier 005-01, DOC-148-06 van het zaaksdossier 005-01 en AMB-026-01 van het zaaksdossier 009-01.