Strafrecht overig
Vrijspraak van het in bezit hebben van kinderpornografisch beeldmateriaal. Bewezenverklaring van tweemaal…
Rechtbank Noord-Holland, 5 november 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:15124 · Rechtbank Noord-Holland · 5 november 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-holland/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbnho-2026-15124
Zaakgegevens
Op 5 november 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-HollandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Alkmaar
- Datum uitspraak
- 5 november 2026
- Datum publicatie
- 5 november 2026
- Zaaknummer
- 15/123590-25 en 18/025608-23 (tul)
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNHO:2026:15124
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vrijspraak van het in bezit hebben van kinderpornografisch beeldmateriaal. Bewezenverklaring van tweemaal verkrachten en seksueel corrumperen van minderjarigen. Veroordeling tot een gevangenisstraf van 27 maanden met aftrek en een tbs-maatregel met voorwaarden. Schorsing VH onder dezelfde bijzondere voorwaarden. Tbs-maatregel dadelijk uitvoerbaar. Oplegging van een maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking ex 38z Sr. Vorderingen benadeelde partijen toegewezen. TUL afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummers: 15/123590-25 en 18/025608-23 (tul) (P)
Uitspraakdatum: 5 november 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 26 februari 2026, 18 mei 2026, 23 juni 2026, 14 september 2026 en 22 oktober 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats],
nu gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad en ingeschreven op het adres van die penitentiaire inrichting (Smeet 1, 1551 NG Westzaan).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. A.M.H.G. Peters en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. J.J. Lieftink, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
1 Tenlastelegging
Aan de verdachte is, kort gezegd, ten laste gelegd dat:
feit 1
hij op 5 en 6 april 2025 [benadeelde 1] (hierna: [benadeelde 1]) en [benadeelde 2] (hierna: [benadeelde 2]), kinderen van nog geen zestien jaar oud, getuige heeft doen zijn van een handeling en visuele weergave van seksuele aard;
feit 2
hij in de periode van 19 maart 2025 tot en met 7 april 2025 [benadeelde 3] (hierna: [benadeelde 3]), een kind in de leeftijd twaalf tot zestien jaar, meermalen heeft verkracht;
feit 3
hij op 22 april 2025 kinderpornografische afbeeldingen heeft verworven en in bezit heeft gehad.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
2 Voorvragen
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd om van de zaak kennis te nemen, de officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
3 Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van de feiten 1 en 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en ten aanzien van feit 3 vrijspraak bepleit.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak feit 3
De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen wat de verdachte onder feit 3 is ten laste gelegd. De rechtbank stelt vast dat het onder 3 ten laste gelegde feit enkel ziet op de afbeelding met bestandnaam STK-20230127-WA0007.webp. Alleen die bestandnaam wordt immers genoemd in de tenlastelegging. Op grond van het proces-verbaal van 7 juni 2025 stelt de rechtbank vast dat dit een afbeelding van een persoon betreft van seksuele aard en met onmiskenbare seksuele strekking. Hoewel een verbalisant de afbeelding in het proces-verbaal beschrijft en aanmerkt als kinderpornografisch, wordt bij deze specifieke afbeelding niet omschreven welke leeftijd de afgebeelde persoon (ongeveer) heeft. De verdachte heeft op de terechtzitting van 26 februari 2026 verklaard dat hij dacht dat de afgebeelde persoon 18 jaar oud was. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de persoon op de afbeelding de kennelijke leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt. Dit betekent dat de verdachte van het verwerven en bezit van kinderporno wordt vrijgesproken.
Bewijsoverweging feit 1 en feit 2
De rechtbank komt op grond van de feiten en omstandigheden, die zijn vervat in de hierna te noemen bewijsmiddelen, tot een bewezenverklaring van de feiten 1 en 2. Aangezien de verdachte deze feiten heeft bekend en hiervoor door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, zal de rechtbank met een opgave van deze bewijsmiddelen volstaan.
Ten aanzien van feit 1
- de verklaring van de verdachte, ter terechtzitting van 26 februari 2026 afgelegd;
- een proces-verbaal van aangifte, gedaan door [aangever 1] d.d. 15 april 2025 (dossierpagina 1 t/m 9);
- een proces-verbaal van verhoor getuige [benadeelde 1] d.d. 27 april 2025 (dossierpagina 60 t/m 65).
Ten aanzien van feit 2
- de verklaring van de verdachte, ter terechtzitting van 26 februari 2026 afgelegd;
- een proces-verbaal van aangifte, gedaan door [aangever 2] d.d. 17 april 2025 (dossierpagina 19 t/m 24).
De vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
feit 1
hij in de periode van 5 april 2025 tot en met 6 april 2025 in Nederland, een kind beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [benadeelde 1] (geboren op [geboortedatum 2]) en [benadeelde 2] (geboren op [geboortedatum 3]), getuige heeft doen zijn van een handeling en een visuele weergave van seksuele aard en met een onmiskenbaar seksuele strekking op een wijze die schadelijk te achten was voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren, door:
- meermalen een dickpic te sturen naar [benadeelde 2] en
- zijn ontblote penis te tonen tijdens het videobellen met die [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en
- een tekening van een penis te sturen naar die [benadeelde 1] en [benadeelde 2];
feit 2
hij meermalen in de periode van 19 maart 2025 tot en met 7 april 2025 te Assen, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [benadeelde 3] (geboren op [geboortedatum 4]), seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
- het brengen van zijn penis in de mond van die [benadeelde 3] en
- het brengen van zijn penis en vinger(s) in de vagina van die [benadeelde 3] en
- zijn penis in de hand van die [benadeelde 3] te leggen en haar aftrekkende bewegingen te laten maken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.
4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1: een kind beneden de leeftijd van zestien jaren getuige doen zijn van een handeling en een visuele weergave van seksuele aard en met een onmiskenbaar seksuele strekking op een wijze die schadelijk te achten is voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren, meermalen gepleegd;
feit 2: verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren, meermalen gepleegd.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.
5 Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
6 Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie is er in haar strafeis vanuit gegaan dat de feiten de verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend. De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 27 maanden, met aftrek van het voorarrest, en dat aan hem de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel) met voorwaarden zal worden opgelegd. De officier van justitie heeft gevorderd de voorwaarden verbonden aan de tbs-maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Ook heeft de officier van justitie gevorderd aan de verdachte een maatregel op grond van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (Sr) op te leggen.
Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte te schorsen onder dezelfde voorwaarden als geadviseerd bij de tbs-maatregel, met ingang van het tijdstip waarop de klinische behandeling van de verdachte start.
Standpunt van de verdediging
De verdediging acht de gevorderde gevangenisstraf en tbs-maatregel met voorwaarden passend. De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden van de tbs-maatregel en de maatregel op grond van artikel 38z Sr.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
De ernst van de feiten
De verdachte heeft de veertienjarige en verstandelijk beperkte [benadeelde 3] tweemaal verkracht. Hij sprak met haar af en verrichtte verschillende seksuele handelingen met haar, buiten in de bosjes. De verdachte heeft deze handelingen ook gefilmd. De verdachte heeft daarnaast de dertienjarige [benadeelde 1] en [benadeelde 2] seksueel gecorrumpeerd, door dickpics te sturen en zijn ontblote penis te tonen tijdens het videobellen.
Minderjarigen zijn niet of onvoldoende in staat hun seksuele integriteit te bewaken. Zij verdienen bescherming. Voor [benadeelde 3] geldt bovendien dat zij extra kwetsbaar is door haar verstandelijke beperking. De verdachte heeft met zijn handelen op grove wijze inbreuk gemaakt op haar lichamelijke en psychische integriteit. Dat de verdachte seksuele handelingen met haar heeft verricht wetende dat ze minderjarig en kwetsbaar is, neemt de rechtbank de verdachte zeer kwalijk. De verdachte heeft met zijn handelen ook inbreuk gemaakt op de psychische integriteit van [benadeelde 1] en [benadeelde 2]. Ook dat neemt de rechtbank de verdachte zeer kwalijk.
De gevolgen van het handelen van de verdachte zijn groot. Dat dit soort feiten tot psychische schade kan leiden en dat slachtoffers lang last (kunnen) hebben van de gevolgen hiervan, is algemeen bekend. Dat hiervan ook sprake is bij [benadeelde 1], [benadeelde 2] en [benadeelde 3], blijkt uit de toelichtingen bij de gevorderde schadevergoedingen en de indringende slachtofferverklaring die namens [benadeelde 3] op de zitting is voorgelezen.
De persoon van de verdachte
Bij het bepalen van de strafmaat kijkt de rechtbank ook naar de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Uit het strafblad van de verdachte van 20 april 2026 volgt dat hij in 2023 onherroepelijk is veroordeeld voor het seksueel binnendringen van iemand die de leeftijd van zestien jaar nog niet had bereikt. De rechtbank weegt dit in strafverhogende zin mee.
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van onder meer:
- een Pro Justitiarapport, bestaande uit een psychologisch rapport van 4 september 2025, opgesteld door [psycholoog 1], en een psychiatrisch rapport van 11 september 2025, opgesteld door [psychiater];
- een psychologisch rapport van 23 februari 2026, opgesteld door [psycholoog 2];
- een reclasseringsadvies tbs met voorwaarden van 21 mei 2026 en een aanvulling hierop van 16 oktober 2026, opgesteld door [reclasseringswerker].
Alle deskundigen hebben, kort gezegd, geconcludeerd dat bij de verdachte sprake is van ernstige, complexe psychopathologie. De verdachte is gediagnosticeerd met een persoonlijkheidsstoornis, een parafiele stoornis, een neurobiologische ontwikkelingsstoornis en ADHD. De interventieadviezen van de onderzoekers komen overeen, behalve wat betreft het strafrechtelijk kader waarbinnen de interventies zouden moeten plaatsvinden.
Volgens de deskundigen die het Pro Justitiarapport hebben opgesteld is een tbs-maatregel met dwangverpleging geïndiceerd, omdat daarmee een langdurige en intensieve klinische behandeling kan worden geboden met de nodige veiligheidsgaranties. Ambulante behandeling achten zij ontoereikend en ook een klinische opname in een lichter kader zoals tbs met voorwaarden biedt volgens deze deskundigen onvoldoende mogelijkheden om de pathologie te behandelen, de verdachte verantwoord te resocialiseren en de maatschappij voldoende te beschermen.
Psycholoog [psycholoog 2] heeft geconcludeerd dat de benodigde interventies plaats kunnen vinden binnen een tbs-maatregel met voorwaarden, mits de behandeling langdurig en gefaseerd wordt ingezet. Daarbij is een klinische start in een forensische setting aangewezen, gevolgd door langdurige ambulante begeleiding en toezicht.
De reclassering beschrijft in haar rapporten dat de verdachte sinds zijn aanhouding zich positief heeft ontwikkeld, intrinsiek gemotiveerd is tot gedragsverandering en probleembesef toont. De reclassering ziet voldoende aanknopingspunten voor een tbs-maatregel met voorwaarden, waarbinnen de benodigde interventies, waaronder een langdurige klinische behandeling, verantwoord kunnen worden uitgevoerd. De reclassering heeft daarom geadviseerd tbs met voorwaarden op te leggen en daarbij deze voorwaarden geformuleerd:
- Geen strafbaar feit plegen;
- Meewerken aan reclasseringstoezicht;
- Meewerken aan time-out;
- Niet naar het buitenland;
- Opneming in een zorginstelling;
- Ambulante behandeling;
- Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang;
- Verbod verdovende middelen;
- Alcoholverbod;
- Contactverbod;
- Dagbesteding;
- Aflossing schulden;
- Vermijden contact met minderjarigen;
- Vermijden digitale omgeving seksueel kindermisbruik.
Ten aanzien van de klinische opname heeft de reclassering toegelicht dat de verdachte op 9 juli 2026 een intakegesprek heeft gehad bij de Van der Hoevenkliniek (hierna: de kliniek). De kliniek heeft op 16 juli 2026 laten weten een plaatsing op Vrouw Jutte, een afdeling voor kortdurende klinische behandeling met beveiligingsniveau 4 (FPC), passend te vinden. De kliniek verwacht dat de verdachte relatief snel zal kunnen doorstromen naar beveiligingsniveau 3 (FPK). Over een plaatsingstermijn kan de kliniek zich nog niet uitlaten.
Op de zitting van 22 oktober 2026 hebben alle deskundigen hun conclusies en adviezen gehandhaafd en deze nader toegelicht.
De conclusies van alle deskundigen luiden dat de ontwikkelingsproblematiek en stoornissen van de verdachte de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde gedeeltelijk hebben beïnvloed. De verdachte kan in algemene zin het ongeoorloofde van zijn handelen begrijpen, maar was door de vastgestelde stoornissen in beperkte mate in staat zijn gedrag te reguleren ten tijde van het ten laste gelegde. De deskundigen hebben daarom allen geadviseerd de ten laste gelegde feiten in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. De rechtbank neemt deze conclusies over.
De op te leggen straf
De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de bewezen feiten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen. Bij het bepalen van de duur daarvan heeft de rechtbank gelet op straffen die rechters in vergelijkbare zaken opleggen. Ook heeft de rechtbank daarbij rekening gehouden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte.
Alles afwegend acht de rechtbank met de officier van justitie, een gevangenisstraf van 27 maanden, met aftrek van de in voorarrest doorgebrachte tijd, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
De tbs-maatregel
De rechtbank is met de deskundigen van oordeel dat de terbeschikkingstelling van de verdachte moet worden gelast, nu bij de verdachte tijdens het begaan van de feiten een gebrekkige ontwikkeling en een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, de door de verdachte begane feiten misdrijven zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van deze maatregel eist.
Vervolgens ligt de vraag ter beantwoording voor of een tbs-maatregel met dwangverpleging of een tbs-maatregel met voorwaarden is aangewezen.
De rechtbank is van oordeel dat een tbs-maatregel met voorwaarden, waaronder plaatsing en behandeling in het FPC van de Van der Hoevenkliniek, gespecialiseerd in de behandeling van zedenproblematiek, het recidivegevaar voldoende inperkt. Op de zitting is naar voren gekomen dat de verdachte in detentie is gestart met behandeling en hierin positieve resultaten boekt. Het komt de rechtbank op basis van de meest recente rapportages voor dat de houding van de verdachte is veranderd. Daarnaast heeft hij zich op de zittingen verantwoordelijk opgesteld en verklaard dat hij inziet dat hij hulp en begeleiding nodig heeft. Hij heeft zich gemotiveerd getoond en verklaard bereid te zijn de geadviseerde voorwaarden na te leven. Op basis van het voorgaande sluit de rechtbank zich aan bij het rapport van psycholoog [psycholoog 2], de reclasseringsadviezen en de standpunten van de officier van justitie en de verdediging, dat een tbs-maatregel met voorwaarden uitvoerbaar is en in lijn is met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.
De rechtbank kan, op vordering van het Openbaar Ministerie, bevelen dat de ter beschikking gestelde alsnog van overheidswege zal worden verpleegd, als hij de voorwaarden niet naleeft. De bewezenverklaarde feiten zijn misdrijven die gericht zijn tegen, dan wel gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat een termijn van een eventuele maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging niet is beperkt tot vier jaar.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De rechtbank acht het van belang, ook vanwege het gevaar voor recidive, dat de behandeling van de verdachte direct aansluitend aan zijn detentie zal aanvangen. De rechtbank zal daarom bepalen dat de tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.
Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel
De rechtbank zal de gevorderde gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel, als bedoeld in artikel 38z Sr, aan de verdachte opleggen. De rechtbank acht dit in het geval van de verdachte noodzakelijk en wenselijk naast de oplegging van de gevangenisstraf en de tbs-maatregel. Aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van deze maatregel is voldaan.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank zal bevelen dat het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte wordt geschorst met ingang van het tijdstip waarop de klinische behandeling van de verdachte start, in de beoogde Van der Hoevenkliniek of een overbruggingskliniek.
Deze schorsing van de voorlopige hechtenis acht de rechtbank nodig, omdat (bij overtreding van de voorwaarden van de tbs) het omzetten van de dadelijk uitvoerbare tbs met voorwaarden in een tbs met dwangverpleging niet mogelijk is zolang dit vonnis niet onherroepelijk is. De rechtbank zal aan de schorsing van de voorlopige hechtenis dezelfde voorwaarden verbinden als aan de tbs-maatregel. Dan kan, als de verdachte de voorwaarden niet naleeft, terwijl dit vonnis nog niet onherroepelijk is, de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis worden bevolen en op die manier in die situatie de algemene veiligheid van personen worden gewaarborgd. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1729.
Redelijke termijn
In artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt geldt in deze zaak, waarin de verdachte in verband met de bewezen verklaarde feiten in voorlopige hechtenis heeft verkeerd, dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.
In deze zaak is de termijn aangevangen op 22 april 2025, omdat de verdachte op die datum in verzekering is gesteld. Het eindvonnis wordt op 5 november 2026 gewezen. Van bijzondere omstandigheden is geen sprake. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn ruim twee maanden is overschreden. Gelet op de wijze waarop de rechtbank deze zaak afdoet, volstaat de rechtbank met het constateren van de overschrijding van de redelijke termijn zonder hieraan verdere consequenties te verbinden.
7 Het beslag
Onder de verdachte zijn twee USB-sticks, twee GSM’s, een computer (laptop) en een oplader in beslag genomen.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de GSM van het merk Oppo zal onttrekken aan het verkeer, omdat hierop kinderpornografisch materiaal is aangetroffen. De officier van justitie heeft verder gevorderd dat de overige goederen zullen worden teruggegeven aan de verdachte.
De verdediging heeft verzocht om alle goederen terug te geven aan de verdachte.
De rechtbank is van oordeel dat de GSM van het merk Oppo moet worden onttrokken aan het verkeer. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de bewezen verklaarde feiten met behulp van die GSM zijn begaan. De twee USB-sticks, de GSM van het merk Samsung, de computer (laptop) en de oplader moeten worden teruggegeven aan de verdachte.
8 Vorderingen benadeelde partij
Benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2]
Namens de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] zijn vorderingen tot schadevergoeding van € 1.000,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zouden hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen toegewezen kunnen worden, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen kunnen worden toegewezen.
Oordeel van de rechtbank
De vorderingen van de benadeelde partijen zijn gebaseerd op artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW). Vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in haar eer of goede naam of ‘op andere wijze’ in haar persoon is aangetast. De rechtbank stelt vast dat sprake is van die laatste categorie, nu de aard en de ernst van de normschending in dit geval meebrengen dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde partijen zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, de uitgangspunten vermeld in de ‘Rotterdamse schaal’ en de ‘Aanbevelingen voor de begroting van smartengeld op basis van artikel 6:106 BW’ is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst de vorderingen van de benadeelde partijen van € 1.000,- daarom toe, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 april 2026 tot aan de dag dat de verdachte de schadevergoedingen volledig heeft betaald.
Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen (kort gezegd: minderjarigen onder de zestien jaar getuige laten zijn van een handeling of visuele weergave van seksuele aard, meermalen gepleegd) aanleiding ter zake van de vorderingen van de benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen.
Benadeelde partij [benadeelde 3]
Namens de benadeelde partij [benadeelde 3] is een vorering tot schadevergoeding van € 10.000,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering toegewezen kan worden, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden gematigd.
Oordeel van de rechtbank
De vordering van de benadeelde partij is gebaseerd op artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW). Vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in haar eer of goede naam of ‘op andere wijze’ in haar persoon is aangetast. De rechtbank stelt vast dat sprake is van die laatste categorie nu de aard en de ernst van de normschending in dit geval meebrengen dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde partijen zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, de uitgangspunten vermeld in de ‘Rotterdamse schaal’ en de ‘Aanbevelingen voor de begroting van smartengeld op basis van artikel 6:106 BW’ is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij van € 10.000,- daarom toe, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 maart 2026 tot aan de dag dat de verdachte de schadevergoedingen volledig heeft betaald.
Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen (kort gezegd: verkrachting in de leeftijdscategorie twaalf tot zestien jaar, meermalen gepleegd) aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen.
9 Vordering tot tenuitvoerlegging
Bij vonnis van 13 juli 2023 in de zaak met parketnummer 18/025608-23 heeft de rechtbank te Groningen de verdachte ter zake van seksueel binnendringen van iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van drie maanden. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 2 augustus 2023 aan de verdachte toegezonden. De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 28 juli 2023 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de rechtbank de vordering zal afwijzen.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht om de vordering af te wijzen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering moet worden afgewezen, omdat aan de verdachte een tbs-maatregel en een gevangenisstraf wordt opgelegd en de rechtbank toewijzing van de vordering in dat licht niet opportuun acht.
10 Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 36b, 36c, 36f, 38, 38a, 38z, 248 en 251 Sr.
11 Beslissing
De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 3 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 (zevenentwintig) maanden.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld, en stelt daarbij de volgende voorwaarden betreffende zijn gedrag:
Algemene voorwaarden
1. De verdachte verleent ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.
2. De verdachte maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit.
Bijzondere voorwaarden
1. Meewerken aan reclasseringstoezicht
De verdachte werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:
-
De verdachte meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is.
-
De verdachte laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van de verdachte vast te stellen.
-
De verdachte houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om de verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden.
-
De verdachte helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn/haar gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid.
-
De verdachte werkt mee aan huisbezoeken.
-
De verdachte geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners.
-
De verdachte vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering.
-
De verdachte werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met de verdachte, als dat van belang is voor het toezicht.
2. Meewerken aan time-out
Als de reclassering dat nodig vindt en de verdachte daarmee instemt, kan de verdachte voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de verdachte deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.
3. Niet naar het buitenland
De verdachte gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.
4. Opneming in een zorginstelling
De verdachte laat zich zo lang als de reclassering nodig vindt, opnemen in en behandelen door een FPK, FPC of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, sociale vaardigheden, seksueel grensoverschrijdend gedrag en schuldenproblematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing.
5. Ambulante behandeling
De verdachte laat zich behandelen door een ambulante behandelinstelling of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, sociale vaardigheden, seksueel grensoverschrijdend gedrag en schuldenproblematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
6. Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
De verdachte verblijft zo lang als de reclassering dat nodig vindt, in een instelling voor begeleid wonen of een soortgelijke instelling voor maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.
7. Verbod verdovende middelen
De verdachte gebruikt geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De verdachte moet meewerken aan controles. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
8. Alcoholverbod
De verdachte gebruikt geen alcohol, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De verdachte moet meewerken aan controles. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
9. Contactverbod
De verdachte zoekt op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met de slachtoffers in onderhavige zaak, te weten [benadeelde 1], geboren op [geboortedatum 2],
[benadeelde 2], geboren op [geboortedatum 3], en [benadeelde 3], geboren op [geboortedatum 4].
10. Dagbesteding
De verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur.
11. Aflossing schulden
De verdachte werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
12. Vermijden contact met minderjarigen
De verdachte zoekt op geen enkele wijze contact met minderjarigen. Hij vermijdt deze contacten zoveel mogelijk. Als contacten onvermijdelijk zijn, zorgt de verdachte dat nader te bepalen personen hierbij aanwezig zijn.
13. Vermijden contact met minderjarigen
De verdachte, gedurende de proeftijd:
a. vermijdt digitale omgevingen waarin hij in aanraking kan komen met kinderpornografisch materiaal;
b. vermijdt digitale omgevingen waarin over seksuele handelingen met minderjarigen wordt gecommuniceerd;
c. maakt geen gebruik van virtuele machines, versleutelprogramma’s (zoals Bitlocker, Veracrypt) of applicaties die helpen de identiteit te verbergen (zoals een VPN), tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik (zoals voor werk of voor bankzaken);
d. geeft inzicht in de wijze waarop hij de omgevingen genoemd onder a en b zal vermijden en bespreekt hoe dit verlopen is voor het verstreken deel van de proeftijd.
Het toezicht op de naleving van de onderdelen a. tot en met c. beperkt zich tot geautomatiseerde controles van digitale apparaten (zoals computers, smart devices, USB-sticks, SD-kaarten, externe harde schijven) waarop bestanden kunnen worden opgeslagen en/of waarmee internet kan worden benaderd en die de verdachte in gebruik heeft.
De verdachte werkt mee aan deze controles tijdens (on)aangekondigde huisbezoeken en verschaft toegang tot alle aanwezige digitale apparaten die de verdachte in gebruik heeft. Hieronder wordt begrepen het verstrekken van wachtwoorden, codes of andere wijzen van ontgrendeling of ontsluiting zoals vingerafdrukken, die nodig zijn voor toegang. Op verzoek past de verdachte de instellingen zodanig aan dat controle mogelijk is. De wijzigingen mogen niet leiden tot definitieve wijzigingen aan het apparaat en worden aan het einde van de controle weer teruggezet.
De controles worden uitgevoerd door de reclassering. Indien en voor zover noodzakelijk mag de reclassering voor ondersteuning op technisch en digitaal gebied een specialist, niet zijnde een opsporingsambtenaar meenemen. De controles mogen gedurende de proeftijd maximaal drie keer per aantal jaren proeftijd worden uitgevoerd, waarbij de persoonlijke levenssfeer van de verdachte zoveel mogelijk wordt geëerbiedigd. De controles strekken er in het bijzonder niet toe een min of meer volledig beeld te krijgen van het persoonlijke leven van de verdachte.
Geeft opdracht aan de reclassering bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.
Beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.
Legt aan de verdachte op de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.
Vordering benadeelde partij [benadeelde 1]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde 1] geleden schade tot een bedrag van € 1.000,-, bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 1], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.000,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 april 2025, tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Vordering benadeelde partij [benadeelde 2]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde 2] geleden schade tot een bedrag van € 1.000,-, bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 2], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.000,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 april 2025, tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Vordering benadeelde partij [benadeelde 3]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde 3] geleden schade tot een bedrag van € 10.000,-, bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 3], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 3] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 10.000,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 75 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 maart 2025, tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Beslag
Onttrekt aan het verkeer: 1 STK GSM (omschrijving: PL1100-2025076023-G1722360).
Gelast de teruggave aan de verdachte van:
- 1 STK USB-stick (Omschrijving: PL1100-2025076023-G1722361);
- 1 STK GSM (Omschrijving: PL1100-2025076023-G1722359, Samsung);
- 1 STK Computer (Omschrijving: PL1100-2025076023-G1722356, Laptop Lenovo);
- 1 STK USB-stick (Omschrijving: PL1100-2025076023-G1722358, Sandisk 128 GB);
- 1 STK Oplader (Omschrijving: PL1100-2025076023-G1722357, Lader Lenovo laptop).
Vordering tot tenuitvoerlegging
Wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank te Groningen in de zaak met parketnummer 18/025608-23 opgelegde voorwaardelijke straf.
Voorlopige hechtenis
Schorst het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het moment waarop de verdachte in het kader van de klinische behandeling (zoals omschreven in bijzondere voorwaarde 4) zal worden opgenomen in een zorginstelling, dan wel in een overbruggingsplek in afwachting van plaatsing in een zorginstelling. De schorsing van de voorlopige hechtenis duurt tot het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is. Het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis is afzonderlijk opgemaakt.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. L. Boonstra, voorzitter,
mr. C.H. de Jonge van Ellemeet en mr. A.G.J. van Ouwerkerk, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.H.A. Sluiter
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 november 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
feit 1
hij in of omstreeks de periode van 5 april 2025 tot en met 6 april 2025 te Obdam, gemeente Koggenland, in elk geval in Nederland, een kind beneden de leeftijd van zestien jaren te weten [benadeelde 1] (geboren op [geboortedatum 2]) en/of [benadeelde 2] (geboren op [geboortedatum 3]) getuige heeft doen zijn van een handeling en/of een visuele weergave van seksuele aard en/of met een onmiskenbaar seksuele strekking op een wijze die schadelijk te achten was voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren, door:
-één of meermalen een dickpic te sturen naar die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of
-één of meermalen zijn ontblote penis te tonen tijdens het videobellen met die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of
-één of meermalen een tekening van een penis te sturen naar die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2];
feit 2
hij een of meermalen in of omstreeks de periode van 19 maart 2025 tot en met 7 april 2025 te Assen, in elk geval in Nederland,(telkens) met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [benadeelde 3] (geboren op [geboortedatum 4]) een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
-het brengen van zijn penis in de mond van die [benadeelde 3] en/of
-het brengen van zijn penis en/of vinger(s) in de vagina van die [benadeelde 3] en/of
-zijn penis in de hand van die [benadeelde 3] te leggen en/of haar aftrekkende bewegingen te laten maken, althans zijn penis te laten betasten door die [benadeelde 3]
feit 3
hij op of omstreeks 22 april 2025 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, een of meer visuele weergaven van seksuele aard en/of met onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een (of meerdere) perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had(den) bereikt, was/waren betrokken of schijnbaar was/waren betrokken heeft verworven en/of in bezit heeft gehad en/of zich daartoe de toegang heeft verschaft, te weten, afbeeldingen: foto's en/of video(s) en/of een gegevensdrager bevattende afbeeldingen, te weten een mobiele telefoon, merk Oppo CPH 2197, waarop te zien is dat:
die persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij
- die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is en/of gekleed is en/of opgemaakt is en/of in een omgeving en/of in een (erotisch getinte) houding op een wijze die niet bij zijn/haar leeftijd past en/of
- die persoon zich in opeenvolgende afbeeldingen/filmfragmenten van zijn/haar kleding ontdoet en/of
- door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van die persoon en/of de uitsnede van de foto’s/films nadrukkelijk het geslachtsdeel, de borsten en/of billen van die persoon in beeld worden gebracht en/of waarbij op dat gezicht en/of lichaam een op sperma gelijkende substantie zichtbaar is
((toonmap kinderporno pagina 4, eindpv p. 109, bestandsnaam STK-20230127-WA0007)