Strafrecht overig

De rechtbank verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging voor artikel 6 van de…

Rechtbank Midden-Nederland, 5 november 2026

Zaakgegevens

Op 5 november 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
5 november 2026
Datum publicatie
4 november 2026
Zaaknummer
16.131365.25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:7855
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De rechtbank verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging voor artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW), maar spreekt de verdachte hiervan vrij, omdat niet kan worden bewezen dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstond. De rechtbank veroordeelt de verdachte wel voor het veroorzaken van ernstig gevaar op de weg en het rijden onder invloed van alcohol en legt op een taakstraf van 80 uur en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor zes maanden, waarvan een gedeelte van twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16.131365.25

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 5 november 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [1977] in [geboorteplaats] ,

verblijvende op het adres [adres] in [woonplaats] ,

(hierna: de verdachte).

1 Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 22 oktober 2026.

Op de zitting waren aanwezig:

  • de verdachte;

  • de officier van justitie: mr. M.M.L. Kalsbeek;

  • de advocaat van de verdachte: mr. H. Blaauw (hierna: de advocaat).

2 Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:

feit 1, primair
op 26 april 2025 in Maarssen als bestuurder van een auto een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt door met hoge snelheid (tot wel 104 km/uur) te rijden waar een maximumsnelheid van 30 km/uur gold, zeer dicht achter een ander voertuig te rijden, tegen de verkeersrichting in een rotonde op te rijden, terwijl hij zijn twee kinderen bij hem in de auto had zitten en voorgaande handelingen plaatsvonden op een drukke locatie in verband met Koningsdag,
waardoor [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht en/of zodanig lichamelijk letsel, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstond,

terwijl de verdachte onder invloed was van alcohol;

feit 1, subsidiair
op 26 april 2025 in Maarssen als bestuurder van een personenauto zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden, waarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;

feit 2
op 26 april 2025 in Maarssen een auto heeft bestuurd terwijl hij onder invloed was van alcohol.

De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3 Ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.1.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging omdat door de politie aan de verdachte voorafgaand aan het tweede verhoor is medegedeeld dat hij zou worden vervolgd voor artikel 5/5a en 8 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW), terwijl er toen al een einddossier lag. De verdachte mocht er daarom gerechtvaardigd op vertrouwen dat hij niet zou worden beschuldigd van overtreding van artikel 6 WVW. Nu die vervolging toch plaatsvindt, handelt het Openbaar Ministerie in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde, wat zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging voor artikel 6 WVW.

3.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat aan de verdachte geen concrete toezeggingen zijn gedaan en dat hij er op basis van de opmerking van de politie niet op mocht vertrouwen dat hij niet zou worden vervolgd voor artikel 6 WVW. Het Openbaar Ministerie is mitsdien ontvankelijk in de vervolging, ook voor wat betreft hetgeen de verdachte ten laste is gelegd onder 1, primair (artikel 6 WVW).

3.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat in artikel 167 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.

Zo'n uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het Openbaar Ministerie gedane, of aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd. Aan uitlatingen of gedragingen van functionarissen aan wie geen bevoegdheden in verband met de vervolgingsbeslissing zijn toegekend, kan het gerechtvaardigd vertrouwen dat (verdere) vervolging achterwege zal blijven, echter in de regel niet worden ontleend.

Van de zijde van het Openbaar Ministerie, zijn in deze zaak geen ondubbelzinnige, concrete toezeggingen gedaan aan de verdachte dat hij niet vervolgd zou worden van artikel 6 WVW. Door de politie is – terwijl het onderzoek nog liep – tijdens het tweede verhoor slechts te kennen gegeven dat de verdenking niet langer zag op poging doodslag, maar op artikel 5a/5 en 8 WVW. Dat betrof echter geen concrete toezegging dat de verdachte niet zou worden vervolgd voor artikel 6 WVW. De verdachte mocht er op grond van de opmerking van de politie niet op vertrouwen dat de uiteindelijke beschuldiging niet zou zien op artikel 6 WVW. De rechtbank verwerpt het verweer van de advocaat. Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de vervolging.

4 Bewijs

4.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1 primair, omdat niet kan worden bewezen dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel, dan wel zodanig lichamelijk letsel, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstond.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat wel kan worden bewezen dat de verdachte de feiten 1, subsidiair en 2 heeft gepleegd. De verdachte heeft de verkeersregels opzettelijk in ernstige mate geschonden, waarbij (levens)gevaar voor anderen te duchten was. De verdachte is op een drukke weg, met twee kinderen in de auto, terwijl hij onder invloed was van alcohol, zeer dicht achter het slachtoffer aan, tegen de richting de rotonde opgereden en op het slachtoffer ingereden. Uit het dossier blijkt niet dat de aanrijding heeft plaatsgevonden omdat het slachtoffer vlak daaraan voorafgaand heeft geremd.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van feit 1, primair en subsidiair, omdat niet kan worden bewezen dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel, dan wel zodanig lichamelijk letsel, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstond. Voorts had de verdachte geen opzet op het (in die mate) overschrijden van de toegestane maximumsnelheid. Hij is achter het slachtoffer aangereden omdat hij diens kentekenplaat wilde lezen en heeft niet op zijn snelheidsmeter gekeken. De verdachte heeft de verkeersregels dan ook niet opzettelijk (in ernstige mate) geschonden.

De verdachte is vlak voor de rotonde tegen de motorscooter van het slachtoffer aangereden omdat die abrupt remde. De voertuigen zijn door de klap verder de rotonde opgeschoven. De verdachte is dus niet tegen de richting in de rotonde opgereden. Voor zover de rechtbank tot een veroordeling voor feit 1 primair of subsidiair mocht komen geldt daarom dat de verdachte van dit deel van de tenlastelegging partieel moet worden vrijgesproken.

De advocaat refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 2.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Gedeeltelijke vrijspraak

De rechtbank oordeelt dat feit 1, primair, niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank legt hierna uit waarom.

Voor een bewezenverklaring van dit feit is vereist dat door het ongeval zodanig letsel bij het slachtoffer is ontstaan dat dit kan worden gekwalificeerd als ‘zwaar lichamelijk letsel’ of letsel waaruit ‘tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan’. De rechtbank stelt voorop dat onder zwaar lichamelijk letsel op grond van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht wordt begrepen: ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden, afdrijving of dood van de vrucht van een vrouw alsmede storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken heeft geduurd. Ook buiten deze gevallen kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd als dat voldoende belangrijk is om naar normaal spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, kunnen in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.

Uit de letselrapportage en de letselfoto’s in het dossier blijkt dat bij het slachtoffer longkneuzingen van de rechterlong en vele schaafwonden over het gehele lichaam zijn vastgesteld. Verder blijkt dat de verdachte een nacht in het ziekenhuis is opgenomen ter observatie en dat hij de volgende dag weer naar huis mocht. De arts die de letselrapportage heeft opgesteld schatte (drie dagen na het ongeval) in dat het herstel ongeveer twee weken zou duren. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Daartoe overweegt de rechtbank dat de aard van het letsel niet van dien aard is geweest dat medisch ingrijpen noodzakelijk was en dat de verwachting was dat het slachtoffer binnen twee weken weer volledig zou zijn hersteld.

De rechtbank kan evenmin vaststellen dat door het letsel tijdelijke ziekte dan wel verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Het dossier bevat hierover onvoldoende informatie. Dat het slachtoffer letsel heeft opgelopen, een nacht in het ziekenhuis is opgenomen ter observatie en zijn nieuwe baan als kraanmachinist daarna niet meteen heeft kunnen opstarten is onvoldoende om vast te stellen dat er sprake is van tijdelijke ziekte dan wel verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden in de zin van artikel 6 WVW. Hierbij weegt de rechtbank ook mee dat voor de beoordeling van ‘tijdelijkheid’ van de ziekte of verhindering in de rechtspraak wordt uitgegaan van een criterium van vier weken terwijl het herstel van de verdachte door de arts op twee weken werd geschat.

Conclusie

Gezien het voorgaande kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 6 WVW.

4.3.2.

Bewijsmiddelen feiten 1, subsidiair en 2

De rechtbank oordeelt dat de feiten 1 subsidiair en 2 zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.

4.3.3.

Bewijsoverwegingen feit 1, subsidiair

Voor de beantwoording van de vraag of het subsidiair ten laste gelegde feit kan worden bewezen, moet worden beoordeeld: 1) of de verdachte de verkeersregels in ernstige mate heeft geschonden, 2) of hij dat opzettelijk heeft gedaan, en 3) of daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen.

Ernstige schending van de verkeersregels

De verdachte wordt verweten dat hij de verkeersregels heeft geschonden, zoals bedoeld in artikel 5a WVW. In dat artikel zijn twaalf gedragingen uitdrukkelijk, maar niet limitatief, benoemd als voorbeeld van het schenden van de verkeersregels.

Artikel 5a WVW heeft alleen betrekking op ernstig verkeersgevaarlijk gedrag. Volgens de wetgever gaat het dan bijvoorbeeld om meerdere keren of gedurende langere tijd schenden van een verkeersregel, of het schenden van meerdere verkeersregels. Dat betekent dat de rechtbank het samenstel van de gedragingen van de verdachte moet beoordelen, waarbij alle omstandigheden en overige feiten in ogenschouw moeten worden genomen.

Uit het dossier en de verklaring van de verdachte op de zitting volgt dat er voorafgaand aan de aanrijding een woordenwisseling heeft plaatsgevonden tussen de verdachte, in zijn personenauto en [slachtoffer] (het latere slachtoffer) op zijn motorscooter, waarbij het slachtoffer de verdachte heeft uitgescholden en heeft gemaand om uit te stappen. De rechtbank vindt dat ook aannemelijk is geworden dat door het slachtoffer in de richting van de verdachte (en zijn dochter) is gespuugd, waarbij zij mogelijk ook zijn geraakt. De rechtbank kan zich voorstellen dat dit bij de verdachte gevoelens van woede heeft opgeroepen en ervoor heeft gezorgd dat de verdachte het kenteken van het slachtoffer wilde achterhalen om hem aan te kunnen geven. De manier waarop de verdachte vervolgens heeft gehandeld, gaat echter alle perken te buiten.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte met zeer hoge snelheid achter het slachtoffer is aangereden. In de auto van de verdachte zaten op dat moment zijn twee minderjarige kinderen van 7 en 10 jaar. De achtervolging vond plaats op de Binnenweg in Maarsen. Dit is een weg binnen de bebouwde kom waar een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt. Volgens de snelheidsanalyse reden beide voertuigen over het gehele traject met een veel hogere snelheid dan deze toegestane maximumsnelheid. De verdachte, met een gemiddeld gereden snelheid van 104 km/uur, reed hierbij continu met een hogere snelheid dan het slachtoffer, waardoor de onderlinge afstand tussen hen steeds kleiner werd. Verder volgt uit de bewijsmiddelen dat het vanwege Koningsdag druk was op de weg en dat er op het traject dat de verdachte en het slachtoffer hebben afgelegd vlak naast de rijbaan, een springkussen stond. Na het ongeval is bij de verdachte een ademtest afgenomen, waaruit bleek dat hij meer dan de toegestane hoeveelheid alcohol had genuttigd (255 ugl).

De verdachte heeft bij de politie en op de zitting verklaard dat hij de achtervolging had ingezet omdat hij het kenteken van het slachtoffer wilde aflezen zodat hij een melding kon maken bij de politie. Om het kenteken te kunnen lezen heeft verdachte zijn snelheid opgevoerd om de afstand tussen hem en het slachtoffer te verkleinen. De verdachte heeft verklaard dat hij wel harder reed dan de aldaar toegestane maximumsnelheid, maar dat hij niet weet hoe hard hij precies reed omdat hij gefocust was op het kenteken en daarom zijn snelheidsmeter niet in de gaten hield. Op enig moment zou het slachtoffer abrupt hebben afgeremd en daarom zou de verdachte (vlak voor de rotonde) tegen hem zijn aangebotst. De verdachte zou die dag twee biertjes hebben gedronken.

Gelet op deze feiten en omstandigheden staat vast dat de verdachte de verkeersregels in ernstige mate heeft geschonden. Het overschrijden van de maximumsnelheid (artikel 5a, eerste lid, onder g WVW) en het zeer dicht achter een ander voertuig aanrijden (artikel 5a, eerste lid, onder h WVW) worden uitdrukkelijk in het eerste lid van artikel 5a WVW genoemd. De verdachte heeft voor een langere periode met een veel hogere snelheid dan de toegestane maximumsnelheid van 30 km/uur gereden. Hij heeft hierbij de maximumsnelheid ruim meer dan drie keer overschreden en daarbij zeer dicht achter de motorscooter van het slachtoffer gereden. Daarnaast staat vast dat de verdachte op dat moment onder invloed was van (meer dan de toegestane hoeveelheid) alcohol (artikel 5a, tweede lid WVW).

Gelet op de aard en aaneenschakeling van deze verkeersovertredingen is naar het oordeel van de rechtbank sprake van het in ernstige mate schenden van de verkeersregels.

De rechtbank vindt op basis van de bewijsmiddelen niet bewezen dat de verdachte tegen de verkeersrichting in de rotonde is opgereden. De verklaring van de verdachte hierover wordt ondersteund door de zich in het dossier bevindende foto’s. Aannemelijk is dat de aanrijding vlak voor de rotonde al heeft plaatsgevonden en de voertuigen van het slachtoffer en de verdachte door de klap de rotonde zijn opgeschoven. De rechtbank spreekt de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging dan ook partieel van vrij.

Opzettelijk

Volgens de wetgever moet het opzet van de verdachte zowel zijn gericht op het schenden van de verkeersregels als op het in ernstige mate schenden van die regels. Niet vereist is dat het opzet van de verdachte was gericht op het gevolg, namelijk dat door het in ernstige mate schenden van de verkeersregels levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Bij de beantwoording van de vraag of sprake was van opzet op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels moeten de aard en het samenstel van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze werden verricht en alle overige feitelijke omstandigheden van het geval in ogenschouw worden genomen.

De rechtbank is van oordeel dat uit de aard en het samenstel van de hiervoor al omschreven gedragingen van de verdachte en de omstandigheden waaronder hij deze gedragingen heeft verricht, kan worden afgeleid dat hij (vol) opzet had op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels. De rechtbank neemt hierbij ten eerste in aanmerking dat de verdachte over het hele traject gemiddeld drie keer zo hard reed als was toegestaan en hierbij zeer dicht achter het slachtoffer aanreed. Dit opzet volgt bovendien uit de eigen verklaring van de verdachte dat hij het slachtoffer achtervolgde om zijn kentekenplaat te kunnen lezen, dat het slachtoffer hard wegreed en dat hij zich ervan bewust was dat hij zelf ook harder reed dan ter plaatse was toegestaan. Dat de verdachte niet exact wist hoe snel hij reed, doet daar niet af.

De rechtbank acht dan ook bewezen dat de verdachte de verkeersregels in ernstige mate heeft overtreden, waardoor hij met zijn auto tegen de motorscooter van het slachtoffer is gebotst.

Gevaar te duchten

Om vast te stellen dat gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen te duchten was, moet het gevaar ten tijde van het handelen naar algemene ervaringsregels voorzienbaar zijn geweest.

De rechtbank vindt het voorzienbaar dat (levens)gevaarlijke situaties kunnen ontstaan als gevolg van het rijgedrag van de verdachte. Dat in dit geval ook daadwerkelijk gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van een ander te duchten is geweest, blijkt wel uit de bewijsmiddelen. De verdachte heeft het slachtoffer immers als gevolg van zijn rijgedrag aangereden. Of het slachtoffer vlak daarvoor al dan niet heeft (abrupt) heeft geremd, doet daar niet aan af. Verder neemt de rechtbank in ogenschouw dat het slachtoffer een kwetsbare weggebruiker was en dat de verdachte onder invloed was van alcohol.

De rechtbank weegt hierbij ook mee dat het ten tijde van het ongeval (vanwege Koningsdag en het tijdstip waarop het ongeval plaatsvond) druk was op de weg en dat de verdachte met zeer hoge snelheid rakelings langs een springkussen is gereden. Voorts zaten op dat moment zijn twee minderjarige kinderen bij hem in de auto.

De rechtbank acht dan ook bewezen dat er – als gevolg van de verkeersgedragingen van de verdachte – gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen te duchten was.

Conclusie

Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank feit 1, subsidiair wettig en overtuigend bewezen.

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 2

Onder verwijzing naar de inhoud van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat het onder 2 ten laste gelegde zonder nadere motivering kan worden bewezen.

4.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

op 26 april 2025 te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht,

opzettelijk zich zodanig in het verkeer heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden, door

- met hoge snelheid (tot wel 104 km/uur) te rijden en aldus de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid van 30 km/uur te overschrijden en

- zeer dicht achter een ander voertuig te rijden en

- verdachte zijn twee kinderen bij hem in de auto had zitten en voorgaande handelingen plaatsvonden op een drukke locatie in verband met Koningsdag, en te verkeren in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994

terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was;

2

op 26 april 2025 te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht

als bestuurder van een personenauto (merk Skoda met kenteken [kenteken] ),

dit voertuig heeft bestuurd,

terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van alcohol, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

5 Kwalificatie en strafbaarheid

5.1.

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

de eendaadse samenloop van:

feit 1, subsidiair

overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994;

feit 2

overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (255 ug/l).

5.2.

Strafbaarheid feiten en verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

6 Straf en maatregel

6.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:

  • een gevangenisstraf van twee weken, met aftrek van het voorarrest, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar;

  • een taakstraf van 100 uur, te vervangen door 50 dagen hechtenis als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert;

  • een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen (rijontzegging) van zes maanden, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs al ingevorderd of ingehouden is geweest, waarvan een gedeelte van twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De advocaat voert aan dat de verdachte zijn baan zal kwijtraken als er een hoge straf zal worden opgelegd. De advocaat verzoekt om rekening te houden met die omstandigheid en met de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte en te volstaan met een taakstraf en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid. De verdachte heeft zijn rijbewijs nodig voor zijn werk en zijn kinderen.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van deze straf en maatregel houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft op 26 april 2025 als bestuurder van een personenauto opzettelijk en in ernstige mate meerdere verkeersregels overtreden, als gevolg waarvan anderen ernstig in gevaar zijn gebracht.

Voorafgaand aan de aanrijding was sprake van een verkeersruzie, waarbij het aannemelijk is geworden dat het slachtoffer de verdachte heeft uitgescholden en hem en zijn 10-jarige dochtertje heeft bespuugd en daarna op zijn motorscooter is weggereden. Er is dus sprake van zeer asociaal en hufterig gedrag van het slachtoffer. Hoewel de rechtbank begrijpt dat de verdachte door dit asociale gedrag van het slachtoffer heel erg boos is geworden en hiervan melding wilde maken bij de politie, is hij daarna veel te ver gegaan. Hij heeft zeer gevaarlijk rijgedrag vertoond door het slachtoffer binnen de bebouwde kom met een snelheid van meer dan 100 kilometer per uur te achtervolgen waar hij 30 mocht en dicht achter het slachtoffer te rijden. Dit terwijl het vanwege Koningsdag druk was op de weg en de verdachte met zijn twee minderjarige kinderen in de auto zat. Het rijgedrag van de verdachte heeft geleid tot een botsing met het slachtoffer die daardoor letsel heeft opgelopen. De rechtbank benadrukt daarbij dat gezien de ernst van de overtredingen alle betrokkenen van geluk mogen spreken dat het niet (nog) erger is afgelopen. Door dit zeer agressieve en gevaarlijke rijgedrag had het slachtoffer of een ander ook zwaar gewond kunnen raken, en dat heeft de verdachte op de koop toegenomen.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft ook gekeken naar het strafblad van de verdachte van 10 september 2026. Hieruit volgt dat het slachtoffer niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het reclasseringsadvies dat over de verdachte is opgemaakt van 16 oktober 2026. Hieruit volgt de reclassering geen problemen constateert op de afzonderlijke leefgebieden. Verder maakt de onderhavige verdenking geen onderdeel uit van een delictpatroon en lijkt het een op zichzelf staand incident te zijn geweest, ontstaan door een samenloop van omstandigheden, aldus de reclassering. De reclassering schat het risico op recidiverisico in als laag en ziet geen indicatie voor toezicht of interventies.

Strafkader

Om te bevorderden dat landelijk voor dezelfde feiten door rechtbanken ongeveer dezelfde straffen worden opgelegd, zijn binnen de rechtspraak oriëntatiepunten voor straftoemeting ontwikkeld. Voor overtreding van artikel 5a WVW zijn geen landelijke oriëntatiepunten ontwikkeld. De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf daarom rekening gehouden met de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd.

De rechtbank is op grond van de hiervoor besproken ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, van oordeel dat aan verdachte een onvoorwaardelijke taakstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid moet worden opgelegd. De rechtbank zal de ontzegging van de rijbevoegdheid deels in voorwaardelijke zin opleggen, als stok achter de deur om te voorkomen dat verdachte opnieuw de fout in gaat.

Gelet op dit alles legt de rechtbank aan de verdachte een taakstraf voor de duur van 80 uren, met aftrek van het voorarrest en een rijontzegging voor de duur van zes maanden, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs al ingevorderd of ingehouden is geweest, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, op.

De rechtbank wijkt af van de eis van de officier van justitie, omdat de rechtbank de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf in deze zaak niet opportuun acht. Het lijkt er op – mede gelet op hetgeen de reclassering over de verdachte heeft opgeschreven –dat het om een eenmalig incident gaat en dat het recidiverisico beperkt is. Dit risico wordt daarmee naar het oordeel van de rechtbank voldoende ondervangen met het voorwaardelijke deel van de rijontzegging.

7 Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf en maatregel zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:

  • artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 55 van het Wetboek van Strafrecht;

  • artikelen 5a, 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8 De beslissing

De rechtbank:

ontvankelijkheid officier van justitie

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte ten aanzien van het onder feit 1, primair ten laste gelegde;

vrijspraak

- verklaart feit 1, primair niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

bewezenverklaring

  • verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, subsidiair en 2 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;

  • verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;

strafbaarheid verdachte

- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf en maatregel

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 80 uren;

- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 40 dagen hechtenis;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag;

  • ontzegt verdachte ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden;

  • bepaalt dat de duur van de ontzegging wordt verminderd met de tijd gedurende welke het rijbewijs vóór het tijdstip waarop de straf ingaat, ingevorderd en ingehouden is geweest;

  • bepaalt dat van de ontzegging een gedeelte, groot 2 (twee) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

  • als voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.L. Veendrick, voorzitter, mr. J. Edgar en mr. F.H.H. Sijbers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Opsteyn als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 5 november 2026.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 26 april 2025 te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto,

merk Skoda met kenteken [kenteken] ),

daarmede rijdende over de weg, locatie Binnenweg en/of Straatweg,

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door

roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

- met hoge snelheid (tot wel 104 km/uur) te rijden en aldus de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid van 30 km/uur te overschrijden en/of

- zeer dicht achter een ander voertuig te rijden en/of

- tegen de verkeersrichting in een rotonde op te rijden en/of

- verdachte zijn twee kinderen bij hem in de auto had zitten en voorgaande handelingen plaatsvonden op een drukke locatie in verband met Koningsdag,

waardoor een ander, te weten [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht en/of zodanig lichamelijk letsel, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstond,

terwijl verdachte verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, zevende of negende lid van genoemde wet;

( art 175 lid 3 Wegenverkeerswet 1994, art 6 Wegenverkeerswet 1994 )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 26 april 2025 te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht

opzettelijk zich zodanig in het verkeer heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden, door

- met hoge snelheid (tot wel 104 km/uur) te rijden en aldus de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid van 30 km/uur te overschrijden en/of

- zeer dicht achter een ander voertuig te rijden en/of

- tegen de verkeersrichting in een rotonde op te rijden en/of

- verdachte zijn twee kinderen bij hem in de auto had zitten en voorgaande handelingen plaatsvonden op een drukke locatie in verband met Koningsdag, en te verkeren in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde en/of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994

terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was;

( art 5a lid 1 Wegenverkeerswet 1994 )

2

hij op of omstreeks 26 april 2025 te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht

als bestuurder van een voertuig, (personenauto, merk Skoda met kenteken [kenteken] ),

dit voertuig heeft bestuurd,

terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van alcohol, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;

( art 8 lid 1 Wegenverkeerswet 1994 )

Bijlage II: Bewijsmiddelen

De verklaring van de verdachte op de zitting voor zover, zakelijk weergegeven, inhoudende:

Ik ben achter het slachtoffer aangereden om het kenteken te melden. Hij reed dusdanig hard dat ik het net niet kon zien. Ik hield mijn teller niet in de gaten. Ik reed wel harder dan was toegestaan. De afstand tussen ons werd kleiner en groter. Ik kon het zien, en dan weer niet. Ik raakte hem net voor de rotonde. Mijn kinderen van 7 en 10 zaten bij mij in de auto. Ik heb het springkussen op de Binnenweg gezien. Ik had die middag twee biertjes gedronken.

Proces-verbaal van bevindingen met bijlagen voor zover, zakelijk weergegeven, inhoudende:

Ik rook dat de verdachte riekte naar het inwendig gebruik van alcohol. Om 16.47 uur vorderde ik de medewerking aan een alcoholtest aan verdachte [verdachte] . Hoofdagent [verbalisant] nam vervolgens de alcoholtest af. Om 16.48 uur zagen wij dat de uitslag van de alcoholtest de uitslag 'A' betrof. Vervolgens nam ik om 17.09 uur de ademanalyse alcohol af bij verdachte [verdachte] . De uitslag van deze ademanalyse betrof 255UG/L.

Proces-verbaal van camerabeelden voor zover, zakelijk weergegeven, inhoudende:

Beelden [adres]
Volgens het tijdstempel in beeld begint de opname om 16:20:30 uur. De opname duurt 03:06 minuten. Ik las in PVB 39 dat de tijdstippen in beeld 18 seconden achterlopen op de daadwerkelijke tijd en dat de scooter en auto die bij het ongeval betrokken waren tussen 00:16 en 00:17 seconden in beeld zijn.
Voor dat deze scooter en auto in beeld zijn, komt er uit dezelfde rijrichting één personenauto, die dus voor hen uit rijdt. Nadat de scooter en auto uit beeld zijn verdwenen, komen er uit die rijrichting nog 15 personenauto’s, 1 motor of scooter, 8 voetgangers/hardlopers en 4 fietsers. Uit de tegengestelde rijrichting komen 4 personenauto’s en 1 fietser.
Gemiddeld betekent dit dat er ongeveer elke vijf seconden een weggebruiker is.

Beelden [adres]
Volgens het tijdstempel in beeld begint de opname om 15:20:49 uur. De opname duurt 00:45 seconden. Ik las in PVB 40 dat het tijdstip in beeld een uur achterloopt op de daadwerkelijke tijd en dat de scooter en auto die bij het ongeval betrokken waren tussen 00:06 en 00:08 seconden in beeld zijn.
Ik zag voor deze scooter en auto in beeld kwamen geen ander verkeer. Nadat de scooter en auto uit beeld zijn verdwenen, komen er uit dezelfde rijrichting nog 6 personenauto’s, 1 motor of scooter en 2 fietsers. Uit de tegengestelde rijrichting komt 1 fietser.
Gemiddeld betekent dit dat er ongeveer elke 4 seconden een weggebruiker is.

Proces-verbaal forensisch onderzoek verkeer voor zover, zakelijk weergegeven, inhoudende:

Op 26 april 2025 omstreeks 16.22 uur, had op de Binnenweg, gelegen binnen de als zodanig aangegeven bebouwde kom van Maarssen in de gemeente Stichtse Vecht een verkeersongeval plaatsgevonden. Hierbij waren een personenauto en motorscooter betrokken. Als gevolg van het verkeersongeval was de bestuurder van de motorscooter gewond geraakt.

Betrokkenen

Voertuig 1 Personenauto

Fabrieksmerk: Skoda

Kenteken: [kenteken]

Voertuig 2 Motorfiets (motorscooter)
Fabrieksmerk: Piaggio
Kenteken: [kenteken]

Wij zagen bij aanvang van het onderzoek op de plaats van het verkeersongeval dat:

  • een personenauto gepositioneerd stond op de rotonde gevormd door de Binnenweg en de Straatweg, met de voorzijde in de richting van de N230;

  • een motorscooter gepositioneerd lag op de verhoogde rijbaanscheiding van het fietspad en de rijbaan van de Straatweg.

Wij zagen op de plaats van het verkeersongeval dat de Binnenweg:

  • bestond uit 1 rijbaan, ingericht voor verkeer in twee richtingen;

  • aan weerszijden een fietsstrook had;

  • uitkwam op een rotonde gevormd door de Straatweg.

De Binnenweg en de Straatweg waren voor het openbaar verkeer opengesteld.

De maximumsnelheid voor weggebruikers op de Binnenweg was ingevolge artikel 62 jo. verkeersbord AI van bijlage 1 van het RVV 1990 waarboven het woord “zone” stond, 30 km/u.

Op het wegdek van de Binnenweg waren met witte cijfers 30 zichtbaar.

Wij zagen dat de Binnenweg, gezien vanuit de rijrichting van de voertuigen, ongeveer 150 meter voor de rotonde met de Straatweg een bocht naar links beschreef. Vervolgens zagen wij dat ongeveer 55 meter voorbij deze bocht aan de linkerzijde een springkussen stond. Dit springkussen stond ongeveer 30 centimeter van de fietsstrook af. Wij zagen ten tijde van ons onderzoek dat er kinderen op en om dit springkussen aan het spelen waren.

Op 26 april 2025, omstreeks 16:22 uur, had op de [straat] ter hoogte van perceelnummer [huisnummer] , gelegen binnen de als zodanig aangegeven bebouwde kom van Maarssen in de gemeente Stichtse Vecht het verkeersongeval plaatsgevonden. Hierbij waren een personenauto en een motorscooter betrokken. Als gevolg van het verkeersongeval was de bestuurder van de motorscooter gewond geraakt.
Aan de hand van de sporen op het wegdek, de schade aan de voertuigen, de eindposities van de voertuigen en de camerabeelden reed de motorscooter over de Binnenweg in de richting van de Straatweg. De personenauto reed achter de motorscooter in dezelfde rijrichting.
Aan de hand van de schade aan de personenauto en de blauwe lakdeeltjes op het achterwiel van de motorscooter heeft de personenauto de motorscooter van achter aangereden. De bestuurder van de personenauto heeft zijn voertuig niet tijdig tot stilstand kunnen brengen. Tijdens en na de botsing zijn er kras-en bandensporen op het wegdek ontstaan.
Op basis van het voertuigonderzoek kunnen wij concluderen dat de personenauto van tevoren een melding heeft gehad met betrekking tot een storing in het antiblokkeersysteem (ABS). Dit is dan ook de oorzaak geweest waardoor de personenauto met de voorwielen een blokkeerspoor heeft afgetekend op het wegdek tijdens de noodremming ten tijde van het verkeersongeval. Dit heeft daarentegen geen invloed gehad op de toedracht of het verloop van het verkeerongeval doordat de personenauto ook tot stilstand kan remmen zonder werkende ABS.
De personenauto vertoonde verder geen technische problemen die van invloed zijn geweest op het ontstaan van het verkeersongeval.
De motorscooter is eveneens technisch onderzocht en deze vertoonde geen technische problemen die van invloed zijn geweest op het ontstaan van het verkeersongeval.
Aan de hand van het bandenspoor die was afgetekend door de personenauto kon er een snelheidsberekening worden uitgevoerd. Het bandenspoor wat afgetekend werd door het rechtervoorwiel van de personenauto was ongeveer 52 meter lang. Bij de berekening is er gebruik gemaakt van een blokkeerremvertraging van 7,96 m/s2. Deze remvertragingen zijn door ons op een later tijdstip vastgesteld doormiddel van remproeven met een vervangend voertuig op de ongevalslocatie. Met deze gegevens hadden wij een gereden snelheid door de personenauto, bij aanvang van het remblokkeerspoor, berekend van 104,06 km/u. De ter plaatse toegestane maximumsnelheid op de Binnenweg betrof 30 km/u.
Uit het onderzoek naar de beschikbare camerabeelden bleek dat beide betrokken voertuigen over elk traject met een veel hogere snelheid hadden gereden dan de toegestane maximale snelheid van 30 km/u. Ter hoogte van de [adres] reed de personenauto een gemiddelde snelheid van 102 km/u. Deze snelheid was gereden op ongeveer 32 meter voor de plaats van het verkeersongeval en komt vrijwel overeen met de berekende snelheid aan het remblokkeerspoor van ongeveer 104 km/u.
Uit ons onderzoek is gebleken dat het ontstaan van het verkeersongeval niet was gelegen in de weersgesteldheid, de infrastructuur, een technisch gebrek aan één van de betrokken voertuigen of een combinatie van vorenstaande.

Proces-verbaal snelheidsanalyse voor zover, zakelijk weergegeven, inhoudende:

De Forensische Opsporing verkeer had onderzoek gedaan naar de camerabeelden. Wij hadden op 7 juli 2025 een reconstructie gedaan van de route die de ongevalsvoertuigen hadden gereden voorafgaand aan het verkeersongeval. In bijlage 1 zijn de resultaten van de analyse inzichtelijk gemaakt. Opvallend is dat de beide voertuigen over het gehele traject met een veel hogere snelheid hadden gereden dan de toegestane maximale snelheid van 30 km/u. Op elk traject reed de personenauto met de hogere gemiddelde snelheid dan de motorscooter. Te zien is dat de onderlinge afstand tussen de personenauto en de motorscooter naargelang ze dichter bij het botspunt komen afneemt. De personenauto komt door de constant hogere snelheid steeds dichterbij de motorscooter met uiteindelijk een botsing tot gevolg.
De gemiddelde gereden snelheid van de personenauto bedroeg ter hoogte van perceel [huisnummer] tussen de 90 km/u en 113 km/u. Gemiddeld is dit een snelheid voor de personenauto van 102 km/u ter hoogte van perceel [huisnummer] .
Ongeveer 32 meter nadat de voertuigen het camerabeeld, ter hoogte van perceel [huisnummer] , aan de linkerzijde hadden verlaten, had de botsing plaatsgevonden. Wij hadden een gereden snelheid door de personenauto, bij aanvang van het remblokkeerspoor, op basis van de lengte van dit remblokkeerspoor berekend van 104 km/u. Dit komt vrijwel overeen met de snelheid van 102km/u die ter hoogte van perceel [huisnummer] was gereden door de personenauto op basis van het camerabeeld.

Blijkens de afbeeldingen en bijschriften op pagina 275 en 276 van het dossier. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer 2025135797, doorgenummerd pagina 1 tot en met 317.. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen. Pagina 66 van het dossier. Pagina 202 van het dossier. Pagina 203 van het dossier. Pagina 218 van het dossier. Pagina 223 van het dossier. Pagina 224 van het dossier. Pagina 221 van het dossier. Pagina 225 van het dossier. Pagina 227 van het dossier. Pagina 264 van het dossier. Pagina 271 van het dossier.