Strafrecht overig

De rechtbank veroordeelt een 51-jarige man tot een gevangenisstraf van achttien maanden. De verdachte heeft…

Rechtbank Overijssel, 5 november 2026

Zaakgegevens

Op 5 november 2026 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Overijssel
Zittingsplaats
Zwolle
Datum uitspraak
5 november 2026
Datum publicatie
5 november 2026
Zaaknummer
05.000421.23 (P)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2026:6701
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De rechtbank veroordeelt een 51-jarige man tot een gevangenisstraf van achttien maanden. De verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan het seksueel misbruik van een minderjarige. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen bij zijn destijds achtjarige neefje.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 05.000421.23 (P)

Datum vonnis: 5 november 2026

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1975 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 24 juni 2026, [geboortedatum 3] 2026 en 22 oktober 2026.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. M.J. Jansma, advocaat in Kampen, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in de periode van 8 mei 1993 tot en met 29 januari 1996 met [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) handelingen heeft gepleegd (mede) bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer 1] , terwijl hij de leeftijd van 12 jaren nog niet had bereikt;

feit 2: in de periode van [geboortedatum 2] 1996 tot en met 31 december 1997 met [slachtoffer 1] ontucht heeft gepleegd (mede) bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer 1] , terwijl hij wel de leeftijd van 12 jaren maar nog niet die van 16 jaren had bereikt;

feit 3: in de periode van 14 augustus 2016 tot en met 16 augustus 2016 ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ), die de leeftijd van 16 jaren nog niet had bereikt.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

feit 1
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 8 mei 1993 tot en met 29 januari 1996 in de gemeente Weststellingwerf en/of Assen, althans in Nederland, met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 1984, die toen de leeftijd van 12 jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, mede bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , te weten:
- het zich laten pijpen door die [slachtoffer 1] en/of
- het pijpen van die [slachtoffer 1] en/of
- het zich door die [slachtoffer 1] laten aftrekken en/of het laten vasthouden van zijn, verdachtes, penis en/of
- het aftrekken en/of betasten van de penis van die [slachtoffer 1] ;

feit 2
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van [geboortedatum 2] 1996 tot en met 31 december 1997 in de gemeente Weststellingwerf en/of Assen, althans in Nederland, met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 1984, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , te weten:
- het zich laten pijpen door die [slachtoffer 1] en/of
- het pijpen van die [slachtoffer 1] en/of
- het zich door die [slachtoffer 1] laten aftrekken en/of het laten vasthouden van zijn, verdachtes, penis en/of
- het aftrekken en/of betasten van de penis van die [slachtoffer 1] ;

feit 3
hij in of omstreeks de periode van 14 augustus 2016 tot en met 16 augustus 2016 te Assen, althans in Nederland, met [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2008, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het aftrekken en/of betasten van de penis van die [slachtoffer 2] .

3 De voorvragen: ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging wegens een ernstige inbreuk op het eerlijk proces door structurele schendingen van het verschoningrecht en aanhoudende gebruik van geheimhouderinformatie. Daarnaast heeft de raadsman bepleit dat niet-ontvankelijkheid ook dient te volgen wegens schending van beginselen van behoorlijke procesorde, te weten het vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel, door het niet naleven van de ‘Aanwijzing Zeden’.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ontvankelijkheidsverweer van de verdediging verworpen dient te worden.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal allereerst ingaan op het verweer van de raadsman dat niet-ontvankelijkheid dient te volgen vanwege structurele schendingen van het verschoningsrecht en zal daarna ingaan op het ontvankelijkheidsverweer aangaande de schending van het vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel.

Schendingen verschoningsrecht

In het kader van het opsporingsonderzoek in deze zaak hebben op 19 november 2018 doorzoekingen plaatsgevonden op het hoofdkantoor van de Jehova’s Getuigen in [vestigingsplaats 1] en bij de Koninkrijkszaal in [vestigingsplaats 2] , en in de woningen van ouderlingen waarbij met machtiging van de rechter-commissaris beslag is gelegd op documenten. Na de inbeslagneming van diverse goederen bij de doorzoekingen hebben ouderlingen van de Jehovah’s Getuigen die op dat moment deel uitmaakten van een rechterlijk comité van die gemeenschap bezwaar gemaakt tegen die inbeslagneming en een klaagschrift ingediend.

De raadkamer in de rechtbank Overijssel heeft bij beschikking van 8 mei 2020 het

klaagschrift strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave van de in beslag genomen

voorwerpen en tot vernietiging van alle kopieën daarvan, ongegrond verklaard. Daarbij

heeft de rechtbank geoordeeld dat ouderlingen van de Christelijke Gemeente van de

Jehovah’s Getuigen in deze concrete situatie niet verschoningsgerechtigd zijn en dat dit met

zich meebrengt dat de Christelijke Gemeente van de Jehovah’s Getuigen zich evenmin kan

beroepen op een van die ouderlingen afgeleid verschoningsrecht. Het oordeel van de rechtbank was dat zowel voor ouderlingen van de Christelijke Gemeente van de Jehovah’s Getuigen die deel uitmaken van een rechterlijk comité als voor de Christelijke Gemeente van de Jehovah’s Getuigen geen sprake is van een wettelijke dan wel buitenwettelijke functionele geheimhoudingsplicht of een daaruit af te leiden verschoningsrecht.

Tegen die beschikking is cassatie ingesteld. Op 19 januari 2021 heeft de Hoge Raad de

bestreden beschikking vernietigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank Overijssel om

de zaak opnieuw te behandelen en af te doen en de stukken in handen gesteld van de

rechter-commissaris in die rechtbank om op de voet van artikel 98 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) te beslissen over het door de klagers gedane beroep op het (afgeleide) verschoningsrecht.

Vervolgens heeft de rechter-commissaris in de rechtbank Overijssel bij beschikking van 15 juli 2021 het klaagschrift van klagers op grond van artikel 98, eerste lid, Sv (opnieuw)

ongegrond verklaard. De klagers hebben hiertegen op 17 augustus 2021 een klaagschrift ingediend. Bij tussenbeschikking van 10 december 2021 heeft de raadkamer vervolgens overwogen dat het mogelijk is dat aan klagers een (afgeleid) verschoningsrecht toekomt en dat de rechter-commissaris in volle omvang het beroep van klagers op hun mogelijke verschoningsrecht moet beoordelen.

Daarop heeft de rechter-commissaris in de rechtbank Overijssel op 13 juli 2022 geoordeeld

dat het verschoningsrecht van toepassing is op alle in beslag genomen stukken die

betrekking hebben op met ouderlingen in vertrouwen gedeelde informatie in het kader van

pastorale zorg, inclusief de informatie met betrekking tot religieuze rechterlijke comités,

en dus ook inclusief de stukken die in het kader van dit onderzoek met betrekking

tot verdachte in beslag zijn genomen.

Het Openbaar Ministerie heeft op 27 juli 2022 hoger beroep ingesteld tegen de beschikking

van de rechter-commissaris van 13 juli 2022. Tijdens de raadkamerzitting van 7 september

2022 heeft het Openbaar Ministerie echter meegedeeld dat het zich conformeerde aan de

beschikking van 13 september 2022 en dat het hoger beroep als ingetrokken kon worden

beschouwd.

Op 30 september 2022 heeft de raadkamer in de rechtbank Overijssel het klaagschrift deels

gegrond verklaard en de vernietiging gelast van het deel van het beslag ten aanzien waarvan

verschoningsrecht geldt. Als gevolg van deze laatste beslissing is het dossier door het Openbaar Ministerie opgeschoond, waarbij stukken die zien op geheimhoudersinformatie verwijderd zijn, en is verdachte in juni 2023 gedagvaard voor de zitting bij de rechtbank van I augustus 2023.

Bij vonnis van 15 augustus 2023 van deze rechtbank is het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in deze zaak. Tegen dit vonnis is door het Openbaar Ministerie hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van 31 maart 2025 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden geoordeeld dat geen sprake is geweest van zodanig ernstige, grootschalige en voortdurende inbreuken op de regelgeving die het verschoningsrecht moet waarborgen dat op grond van deze schendingen het vertrouwen in de rechtspleging in zijn geheel zodanig geschaad is, dat daaraan de

consequentie van niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie moet worden

verbonden. Het hof heeft het vonnis vernietigd en de zaak (in overeenstemming met het verzoek daartoe van zowel de verdediging als het Openbaar Ministerie) op de voet van artikel 423, tweede lid, Sv terugverwezen naar de rechtbank Overijssel om met inachtneming van het arrest recht te doen.

Op 15 mei 2026 is een (opnieuw) geschoond dossier verstrekt ten behoeve van de behandeling van de strafzaak door deze rechtbank.

De rechtbank neemt bij haar beoordeling het arrest van 31 maart 2025 in onderhavige zaak als uitgangspunt. Voor de beoordeling van het ontvankelijkheidsverweer dat nu ter beoordeling voorligt, is het volgende van belang:

- Het hof heeft vastgesteld dat het startpunt van het onderzoek is gelegen in de aangifte van [slachtoffer 1] , de verhoren van verschillende getuigen, de verklaringen van verdachte, de door verdachte geschreven brieven (aan aangever [slachtoffer 1] en zijn moeder) die door getuige [getuige] zijn ingebracht en de stukken met betrekking tot de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) die op verzoek van verdachte door zijn vrouw aan de politie zijn overhandigd.

- Het hof heeft opgemerkt dat uit de hierboven genoemde beschikking van

de Hoge Raad van 19 januari 2021 volgt dat een ouderling slechts in uitzonderlijke gevallen verschoningsgerechtigd is, namelijk alleen in die gevallen waarin hij zodanig intensief betrokken is bij het verlenen van geestelijke hulp en zorg aan gemeenteleden dat hij in die hoedanigheid kan worden aangemerkt als behorende tot de geestelijke stand tot wie een lid van de gemeente zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde moet kunnen wenden. Dat een ouderling van een gemeente van Jehova’s getuige verschoningsgerechtigd zou zijn, is volgens de Hoge Raad dan ook geen hoofdregel, maar een uitzondering, aldus het hof.

- Volgens het hof kan nog altijd de vraag worden gesteld wat in het concrete geval de uitkomst van toepassing van het door de Hoge Raad geformuleerde criterium is als het gaat om bepaalde zich in het dossier bevindende stukken (zoals bijvoorbeeld de tapverslagen). Volgens het hof moet telkens de vraag gesteld worden of ouderlingen die betrokkenheid hebben bij bepaalde stukken/informatie vallen onder de uitzonderlijke omstandigheid die door de Hoge Raad is benoemd, waardoor zij verschoningsgerechtigd zijn en deze stukken/informatie onder het verschoningsrecht vallen.

- Meer in het algemeen geldt volgens het hof dat de scheidslijn tussen wat een stuk/bescheid is dat mogelijk onder het verschoningsrecht valt en wat dat niet is nog altijd niet zo evident is, dat zonder meer gesteld kan worden dat het Openbaar Ministerie moedwillig de last van de rechter-commissaris dan wel het criterium van de Hoge Raad heeft genegeerd door bepaalde stukken ook na schoning nog altijd onderdeel van het dossier te laten blijven uitmaken.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de door de raadsman genoemde processen-verbaal onder het verschoningsrecht vallen en of dergelijke geheimhoudersinformatie zich dus (nog altijd) in strijd met dat recht in het dossier bevindt en, mocht dat het geval zijn, welk gevolg daaraan moet worden verbonden.

De rechtbank is in navolging van het hof van oordeel dat de door de echtgenote van verdachte aangeleverde documenten (brieven van verdachte aan de ouderlingen en hun reactie daarop) en die op zijn eigen initiatief in het geding zijn gebracht, niet onder het verschoningsrecht vallen.

De rechtbank is van oordeel dat de overige documenten die in beslag zijn genomen van de computer van verdachte niet zien op het verlenen van geestelijke hulp. De documenten zien immers op verzoeken van verdachte om AVG-informatie en om terug te kunnen keren bij de Jehovah’s Getuigen en de reacties van de ouderlingen daarop. Ook het proces-verbaal van het verhoor van ouderling [ouderling] valt naar het oordeel van de rechtbank niet onder het verschoningsrecht nu [ouderling] tijdens dit verhoor niet inhoudelijk heeft verklaard over enige zaken die zien op het verlenen van geestelijk hulp of zorg waar hij intensief bij betrokken is geweest.

Voor wat betreft de tapverslagen is de rechtbank, met het hof, van oordeel dat niet steeds voldoende duidelijk is over de achtergrond van de bij de taps betrokken ouderling en de relatie tot diegene met wie zij in gesprek zijn. Voor het overgrote deel van de gesprekken is dan ook geen sprake is van verschoningsgerechtigd materiaal. Dit is naar het oordeel van de rechtbank anders waar het gaat om de tapgesprekken van [getuige 2] met [naam 1] en [naam 2] . Hoewel ook hier de exacte rol van [naam 1] en [naam 2] niet evident is, blijkt uit de gesprekken wel dat zij intensief bezig waren met het verlenen van geestelijke hulp en/of pastorale zorg aan gemeenschapslid [getuige 2] . De moeder van verdachte belt immers met deze personen omdat zij advies wil inwinnen over of zij een verklaring moet afleggen als getuige bij de politie. In het gesprek met [naam 2] zegt [getuige 2] onder andere dat ze bijna stikt, ze steeds aan het lezen is in de bijbel maar niet tot een antwoord komt, ze aan het bidden is en ze moet weten wat Jehovah hiervan vindt. Zowel [naam 1] als [naam 2] lijken in de gesprekken [getuige 2] te ondersteunen en te voorzien van (religieus) advies. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat deze specifieke gesprekken onder het verschoningsrecht vallen en deze geheimhoudersinformatie aldus vernietigd had moeten worden. Dat betekent dat sprake is van een vormverzuim, in de vorm van een inbreuk op het verschoningsrecht, dat niet meer hersteld kan worden.

Wanneer in het voorbereidend onderzoek sprake is geweest van een onherstelbaar vormverzuim kan dat op grond van artikel 359a Sv leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Bij de beoordeling of aan het vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt, houdt de rechtbank rekening met de in het tweede lid van artikel 359a Sv genoemde factoren: het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie komt slechts in uitzonderlijke gevallen als rechtsgevolg in aanmerking. Het vormverzuim moet dan daarin hebben bestaan dat de met opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

De rechtbank kijkt daarbij naar het belang dat het geschonden voorschrift dient. In artikel 218 Sv is het verschoningsrecht neergelegd en in onze rechtsorde verankerd. Het recht berust op de eis dat iedere burger vrijelijk en in vertrouwen zich kan richten tot een in het artikel genoemde hulpverlener voor bijstand. Ter bescherming van het verschoningsrecht moeten, krachtens artikel 126aa Sv, alle gesprekken die onder het verschoningsrecht vallen, zo snel mogelijk en op afdoende wijze vernietigd worden. Het in deze zaak geschonden voorschrift dient dus een belangrijke rechtsstatelijke norm. Vervolgens kijkt de rechtbank naar de ernst van het verzuim. Bij de beoordeling hiervan zijn onder meer de omstandigheden van belang waaronder het verzuim is begaan. Daarbij speelt de mate van verwijtbaarheid van het verzuim een belangrijke rol. Zoals reeds overwogen was er in onderhavige zaak veel onduidelijkheid over of bepaalde stukken aangaande ouderlingen onder het verschoningsrecht vielen. Zelfs in de fase bij het hof was (aldus het hof) niet steeds duidelijk dat bij tapverslagen betrokken ouderlingen ook verschoningsgerechtigd waren, dan wel dat de informatie-uitwisseling in deze tapgesprekken onder het verschoningsrecht viel. De rechtbank is van oordeel dat het Openbaar Ministerie maar in beperkte mate een verwijt kan worden gemaakt dat de hiervoor genoemde gesprekken met [getuige 2] getapt zijn en vervolgens niet zijn vernietigd. Gelet hierop acht de rechtbank de ernst van het verzuim beperkt. Tot slot kijkt de rechtbank naar het nadeel dat door de schending is veroorzaakt. Nu de tapgesprekken deel uitmaken van het dossier bestaat het nadeel voor verdachte erin dat de opsporingsambtenaren, het Openbaar Ministerie en de rechtbank kennis hebben kunnen nemen van deze geheimhoudersinformatie.

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat dit echter niet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dient te leiden. Van een zodanig ernstige inbreuk op verschoningsrecht dat aan het recht van verdachte op een eerlijk proces is tekortgedaan is in onderhavig geval geen sprake. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat niet doelbewust in strijd met de regels die strekken ter bescherming van het verschoningsrecht is gehandeld. Daarbij acht de rechtbank het niet aannemelijk dat de kennisneming van de geheimhoudersinformatie van invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek. De tapgesprekken bevatten immers geen start- of sturingsinformatie. De rechtbank verwerpt het ontvankelijkheidsverweer.

Schending vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel

De rechtbank acht de door de verdediging gestelde schending van het vertrouwensbeginsel niet gemotiveerd en verwerpt daarom dit verweer. Ten aanzien van de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel heeft de raadsman aangevoerd dat er tijdens de aangifte van [slachtoffer 1] suggestief is verhoord en dat [slachtoffer 2] enkel door zijn ouders is ‘gehoord’. De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat uit de verbatim-uitwerking van het verhoor van [slachtoffer 1] niet is gebleken dat sprake is geweest van een dermate suggestief of sturend verhoor dat dit in strijd is geweest met het zorgvuldigheidsbeginsel en dus de ‘Aanwijzing Zeden’. De rechtbank acht het, gelet op het zeer geruime tijdsverloop tussen de gebeurtenissen en de aangifte, niet onbegrijpelijk dat de verbalisanten doorvragen naar een voorval dat [slachtoffer 1] zich nog concreet kan herinneren.

Uit het proces-verbaal van het informatieve gesprek dat is gevoerd met de ouders van [slachtoffer 2] blijkt dat de verbalisanten juist zeer terughoudend zijn geweest met het delen van informatie. Daarbij vindt de rechtbank het gelet op de jonge leeftijd van [slachtoffer 2] begrijpelijk dat zijn verklaring via zijn ouders is verteld aan de verbalisanten. Bovendien heeft de verdediging de gelegenheid gehad om in het kader van een getuigenverhoor bij de rechter-commissaris hierover vragen te stellen aan de moeder van [slachtoffer 2] .

Bovenstaande, in onderlinge samenhang bezien, maakt dan ook dat de rechtbank van oordeel is dat niet, althans niet in die mate, in strijd is gehandeld met de ‘Aanwijzing Zeden’ zoals door de raadsman is bepleit en dat daarom het zorgvuldigheidsbeginsel niet is geschonden. De rechtbank verwerpt ook dit ontvankelijkheidsverweer.

Gelet op hetgeen hierboven is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging.

4 De bewijsmotivering

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het verschoningsgerechtigde materiaal dat zich nog in het dossier bevindt moet worden uitgesloten van het bewijs. Daarnaast heeft de raadsman gesteld dat de aangifte van [slachtoffer 1] en de getuigenverklaring van de moeder van [slachtoffer 2] buiten beschouwing moeten worden gelaten wegens onbetrouwbaarheid.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsuitsluiting

De rechtbank heeft, zoals hierboven reeds is overwogen, vastgesteld dat de tapgesprekken die [getuige 2] heeft gevoerd met [naam 1] en [naam 2] onder het verschoningsrecht vallen en dus vernietigd hadden moeten worden, zodat sprake is geweest van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. Ook heeft de rechtbank reeds overwogen over het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor is veroorzaakt.

Wat de door de verdediging bepleite bewijsuitsluiting betreft, overweegt de rechtbank nog in het bijzonder dat bewijsuitsluiting als rechtsgevolg aan de orde kan komen, indien het bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen en wanneer door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden. Naar het oordeel van de rechtbank is van een dergelijke schending inderdaad sprake. Nu sprake is van tapgesprekken die vernietigd hadden moeten worden en zich niet in het dossier hadden mogen bevinden, zal de rechtbank de genoemde tapgesprekken uitsluiten voor het bewijs.

Het juridische kader

De rechtbank stelt voor de beantwoording van de vraag of wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan voorop dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door het gegeven dat alleen het vermeende slachtoffer en de vermeende verdachte aanwezig zijn geweest bij de handelingen zoals die in de tenlastelegging zijn neergelegd. Als verdachte ontkent, staat de verklaring van de aangever in zo’n geval tegenover die van verdachte. Ook in deze zaak doet die situatie zich voor.

Op grond van artikel 342, tweede lid, Sv kan een beschuldiging niet alleen op grond van de verklaring van één getuige worden bewezen. Dat betekent dat de enkele verklaring van een aangever onvoldoende is. Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen, dient sprake te zijn van steunbewijs. Die ondersteuning hoeft niet te zien op alle onderdelen van de tenlastelegging. Het gaat erom dat de verklaring op specifieke punten steun vindt in ander bewijsmateriaal, zodat die verklaring niet op zichzelf staat, maar als het ware is ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in een andere bron.

De rechtbank benadrukt dat deze maatstaf over het toereikend zijn van een verklaring dient te worden onderscheiden van de beoordeling of een verklaring betrouwbaar is. De rechtbank kijkt bij het beoordelen van de betrouwbaarheid van een verklaring onder meer naar hoe concreet, gedetailleerd, authentiek en consistent de verklaring in kwestie is geweest. De beoordeling vindt plaats in zijn geheel en kijkend naar alle omstandigheden van het specifieke geval.

Ten aanzien van feit 1 en 2

Inleiding

De moeder van [slachtoffer 1] en de moeder van verdachte waren goed bevriend. Op die manier hadden [slachtoffer 1] en verdachte gedurende de ten laste gelegde periode veel contact. Op het moment dat de ouders van [slachtoffer 1] gingen scheiden, hebben [slachtoffer 1] en diens moeder ook tijdelijk in het ouderlijk huis van verdachte gewoond. [slachtoffer 1] sliep dan ook weleens bij verdachte op zijn kamer. Op 30 april 2018 deed [slachtoffer 1] aangifte tegen verdachte van langdurig seksueel misbruik. Dit was volgens [slachtoffer 1] begonnen toen hij zes jaar oud was. De ten laste gelegde periode start vanaf het moment dat verdachte achttien jaar werd, [slachtoffer 1] was destijds negen jaar. Verdachte ontkent al hetgeen hem wordt verweten.

Betrouwbaarheid verklaring [slachtoffer 1]

De rechtbank zal allereerst beoordelen of de verklaring van [slachtoffer 1] betrouwbaar kan worden geacht. [slachtoffer 1] heeft tijdens zijn aangifte bij de politie naar het oordeel van de rechtbank voldoende concreet en consistent verklaard. Gelet op het langdurige tijdsverloop is het aannemelijk dat [slachtoffer 1] zich sommige dingen niet meer concreet kan herinneren. [slachtoffer 1] is hier tijdens zijn verklaring ook eerlijk over. Over de gebeurtenissen die [slachtoffer 1] zich nog wel goed kan herinneren verklaart hij gedetailleerd. Het feit dat [slachtoffer 1] in de media heeft gesproken over de gebeurtenissen voorafgaand aan het doen van aangifte doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de betrouwbaarheid van zijn verklaring. [slachtoffer 1] is open en duidelijk geweest over het feit waarom hij pas zoveel jaren later aangifte heeft gedaan. Hierin acht de rechtbank de verklaring van [slachtoffer 1] authentiek. Volgens de verdediging is er, blijkens de verbatim uitwerking van de processen-verbaal, sprake geweest van een uiterst suggestieve verhoormethode die de betrouwbaarheid van de verklaring heeft aangetast. De rechtbank merkt op dat een proces-verbaal altijd een zakelijke weergave bevat. Naar het oordeel van de rechtbank doet de verbatim uitwerking in het geheel niet af aan de inhoud van het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] . Daar komt bij dat [slachtoffer 1] de strekking van het proces-verbaal heeft herhaald tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris en de verdediging daar in de gelegenheid is gesteld om de verklaring van [slachtoffer 1] te toetsen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 1] betrouwbaar is en dat zijn aangifte als uitgangspunt voor het bewijs kan worden gebruikt.

Steunbewijs

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verklaring van [slachtoffer 1] voldoende steun vindt in de overige inhoud van het dossier. Allereerst vindt de verklaring van [slachtoffer 1] steun in de verklaring van zijn moeder. Zijn moeder heeft verklaard dat toen [slachtoffer 1] veertien jaar oud was hij opeens tegen haar vertelde dat hij dacht dat hij homo was, verdachte hem seksueel prikkelde en zij samen seks hadden gehad. Dit was begonnen toen [slachtoffer 1] zes of zeven jaar oud was. Daarnaast wordt de verklaring van [slachtoffer 1] ondersteund door de verklaring van zijn broer [getuige 3] . [getuige 3] verklaarde dat zijn moeder aan hem had verteld dat er iets op seksueel gebied was voorgevallen tussen [verdachte] en [slachtoffer 1] . Hij zag vervolgens [slachtoffer 1] huilend naar beneden komen en het contact met de familie van verdachte werd toen ook verbroken. Ook heeft [getuige 3] verklaard dat [slachtoffer 1] het lievelingetje van verdachte was en hij erg naar hem toe trok. Verder zou verdachte tegen [getuige 3] hebben gezegd dat wat met zijn broer was gebeurd nooit had mogen gebeuren. Daarnaast ondersteunt de verklaring van [getuige 3] de context die [slachtoffer 1] schetst waarbinnen het misbruik zich zou hebben afgespeeld. Zo verklaarde ook [getuige 3] over de vakanties en weekendjes die zij bij verdachte en zijn gezin doorbrachten. [getuige 3] verklaarde over de zolder waar zij Donald Duck boekjes lazen en dat zij afwisselend bij verdachte in bed sliepen. Tot slot ziet de rechtbank steun in de excuusbrieven die verdachte heeft geschreven aan [slachtoffer 1] en zijn moeder. De rechtbank is van oordeel dat de toon en inhoud van deze brieven niet passen bij de verklaring van verdachte dat hij enkel zijn excuus aanbiedt voor het samen in bed liggen en geven van een nachtzoen. Zo schrijft verdachte onder meer dat hij verrot is, dat hij blij is dat [slachtoffer 1] door het doen van de melding de impasse heeft doorbroken en dat hij blij is dat hij [slachtoffer 1] nooit heeft bedreigd of gedwongen. Verdachte verontschuldigt zich voor alle ellende en narigheid die hij in het leven van [slachtoffer 1] en zijn moeder heeft gebracht en verklaart maandenlang overmand te zijn geweest door schuldgevoelens, tot op het depressieve toe. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 1] in voldoende mate steun vindt in ander bewijsmateriaal.

De beantwoording van de bewijsvraag

Gelet op het hiervoor overwogene en de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte gedurende de ten laste gelegde periode seksuele handelingen heeft gepleegd die bestonden uit het wederzijds betasten en aftrekken van de penis. Ook stelt de rechtbank vast dat verdachte [slachtoffer 1] heeft gepijpt en zich door hem heeft laten pijpen. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is niet enkel sprake van seksueel binnendringen wanneer de handelingen bestonden uit penetratie. Ook wanneer de handelingen bestonden uit pijpen is sprake van seksueel binnendringen. De rechtbank komt derhalve tot een bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van feit 3

Inleiding

In de ten laste gelegde periode logeerde [slachtoffer 2] bij verdachte en zijn vrouw. [slachtoffer 2] ging onder begeleiding van verdachte in bad. [slachtoffer 2] was het destijds achtjarige neefje van verdachte. De moeder van [slachtoffer 2] legde op 28 september 2018 een getuigenverklaring af bij de politie waarin zij verklaarde dat [slachtoffer 2] tegen haar had verteld dat verdachte aan zijn geslachtsdeel had gezeten. Verdachte ontkent hetgeen hem wordt verweten.

Betrouwbaarheid verklaring [slachtoffer 2] tegenover zijn ouders

De rechtbank zal met betrekking tot dit feit eerst de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 2] tegenover zijn ouders beoordelen. De eerste keer dat [slachtoffer 2] sprak over het voorval deed hij dit spontaan en op eigen initiatief. Toen [slachtoffer 2] onder de douche stond zag zijn moeder dat hij zichzelf aan het bevredigen was. Zijn moeder zei tegen [slachtoffer 2] dat als hij zijn piemel had gewassen het ook weer klaar was, waarop [slachtoffer 2] verklaarde dat ‘oom [verdachte] ’ dat ook deed. De moeder van [slachtoffer 2] opperde toen of verdachte hem niet gewoon had gewassen, maar [slachtoffer 2] was er duidelijk over dat dit niet het geval was. Anders dan de verdediging, is de rechtbank dan ook van oordeel dat de moeder voorzichtig met de verklaring van [slachtoffer 2] is omgaan en hem niet suggestief heeft ondervraagd. In de periode daarna verklaarde [slachtoffer 2] ook meermaals over het incident. Steeds verklaarde hij gedetailleerd en consistent over wat er precies was voorgevallen. Zo verklaarde [slachtoffer 2] dat verdachte zijn geslachtsdeel aanraakte tijdens het voorlezen van meerdere Donald Duck verhaaltjes. [slachtoffer 2] verklaarde ook dat verdachte had gezegd dat als hij ouder werd en hij een plasgevoel kreeg er dan witte plasjes met zaadjes uit zouden komen. Daarbij corrigeerde [slachtoffer 2] zijn ouders ook. Toen zijn vader zei dat hij dacht dat verdachte op de rand van het bad had gezeten zei [slachtoffer 2] dat dit niet klopte en dat verdachte, in lijn met zijn eerdere verklaringen, achter hem in bad zat. De rechtbank acht [slachtoffer 2] hierin dan ook authentiek. De rechtbank is, gelet op bovenstaande, van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 2] tegenover zijn ouders betrouwbaar is en de getuigenverklaring van zijn moeder dus als uitgangspunt voor het bewijs kan worden gebruikt.

Steunbewijs

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verklaring van [slachtoffer 2] voldoende steun vindt in de overige inhoud van het dossier. Allereerst vindt de verklaring van [slachtoffer 2] steun in de verklaring van verdachte zelf. Zo verklaarde verdachte dat hij [slachtoffer 2] tijdens het logeren inderdaad in bad heeft gedaan en toen heeft voorgelezen uit een Donald Duck. Ook verklaarde verdachte dat hij aan [slachtoffer 2] had uitgelegd waar zaadjes vandaan komen en daarbij zijn bal had aangewezen. Volgens verdachte heeft hij hierbij mogelijk de bal van [slachtoffer 2] aangeraakt. Tot slot ziet de rechtbank steun in de brief van Zelfstandig oordeel van Christelijke Gemeente van Jehovah’s Getuigen in Nederland van 21 augustus 2018 en de verklaring van [naam 3] . In de brief staat dat verdachte voor het rechterlijk comité op 9 december 2016 heeft verklaard dat hij het geslachtsorgaan van een minderjarige kort heeft gemanipuleerd. [naam 3] verklaarde dat de inhoud van de brief is gebaseerd op mededelingen van de ouderlingen. De rechtbank is van oordeel dat deze verklaringen, in onderling verband en samenhang bezien, voldoende steunbewijs vormen voor de verklaring van [slachtoffer 2] .

De beantwoording van de bewijsvraag

Gelet op het hetgeen hiervoor is overwogene en de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte in de ten laste gelegde periode ontuchtige handelingen heeft gepleegd bij [slachtoffer 2] , terwijl hij in bad zat en die bestonden uit het betasten en aftrekken van zijn penis. De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde feit.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 1
hij op meer tijdstippen in de periode van 8 mei 1993 tot en met 29 januari 1996 in de gemeente Weststellingwerf en Assen , met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 1984, die toen de leeftijd van 12 jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, mede bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , te weten:
- het zich laten pijpen door die [slachtoffer 1] en
- het pijpen van die [slachtoffer 1] en
- het zich door die [slachtoffer 1] laten aftrekken en het laten vasthouden van zijn, verdachtes, penis en
- het aftrekken en betasten van de penis van die [slachtoffer 1] ;

feit 2
hij op meer tijdstippen in de periode van [geboortedatum 2] 1996 tot en met 31 december 1997 in de gemeente Weststellingwerf en Assen met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 1984, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , te weten:
- het zich laten pijpen door die [slachtoffer 1] en
- het pijpen van die [slachtoffer 1] en
- het zich door die [slachtoffer 1] laten aftrekken en het laten vasthouden van zijn, verdachtes, penis en
- het aftrekken en betasten van de penis van die [slachtoffer 1] ;

feit 3
hij in de periode van 14 augustus 2016 tot en met 16 augustus 2016 te Assen , met [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2008, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het aftrekken en betasten van de penis van die [slachtoffer 2] .

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 244 (oud), 245 (oud) en 247 (oud) van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam;

feit 2

het misdrijf: met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam;

feit 3

het misdrijf: met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gelet op de bepleite integrale vrijspraak geen strafmaatverweer gevoerd.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

De ernst van de feiten

Verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan het seksueel misbruik van [slachtoffer 1] , waaronder het seksueel binnendringen van zijn lichaam. Het misbruik begon toen [slachtoffer 1] pas zes jaar oud was en duurde voort tot zijn dertiende. Verdachte heeft hem gepijpt, afgetrokken en zijn penis betast. Verder heeft verdachte [slachtoffer 1] deze handelingen ook bij hemzelf laten uitvoeren. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen bij zijn destijds achtjarige neefje. Verdachte heeft het geslachtsdeel van [slachtoffer 2] betast en afgetrokken terwijl hij in bad zat. Door zijn handelen heeft verdachte op ernstige wijze de lichamelijke en psychische integriteit van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] geschonden. Verdachte heeft misbruik gemaakt van hun kwetsbaarheid en hun vertrouwen in hem op ernstige wijze beschaamd. Ook heeft verdachte bij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] de normale en gezonde seksuele ontwikkeling, waar ieder kind recht op heeft, doorkruist. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dit soort feiten langdurig pijn, angst en andere psychische gevolgen kunnen ondervinden. Met name bij [slachtoffer 1] is dit het geval. [slachtoffer 1] heeft tot de dag van vandaag last van hetgeen is voorgevallen. Verdachte heeft bij dit alles kennelijk niet stilgestaan en heeft enkel zijn eigen seksuele behoefte vooropgesteld. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

De persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 21 september 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder en ook niet later is veroordeeld voor een strafbaar feit.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport van 14 juli 2023. Hieruit blijkt dat de reclassering geen aanknopingspunten ziet voor interventies. Verdachte heeft een stabiele leefsituatie en er zijn geen aanwijzingen voor psychische problematiek. Vanwege de ontkennende houding van verdachte kan de reclassering geen delictgerelateerde factoren vaststellen. Ook kan het risico op recidive niet worden ingeschat. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Uit een brief van de reclassering van 24 augustus 2026 volgt dat verdachte heeft laten weten niet opnieuw te willen meewerken aan een reclasseringsrapport. Verdachte heeft te kennen gegeven dat er sinds het rapport uit 2023 geen veranderingen hebben plaatsgevonden.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft verdachte geen opening van zaken gegeven en is hij de feiten stellig blijven ontkennen. Dit is met name pijnlijk voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] die hierdoor geen erkenning of excuses hebben gekregen voor hetgeen hen is overkomen.

De redelijke termijn

Verder heeft de rechtbank meegewogen dat de redelijke termijn is geschonden. Verdachte is op 17 september 2018 in verzekering gesteld. De rechtbank stelt vast dat op deze datum de redelijke termijn is aangevangen. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting moet worden afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Hoewel het tijdsverloop verklaarbaar is omdat door de rechtbank en het gerechtshof uitspraak is gedaan in deze zaak, is de rechtbank van oordeel dat in het voordeel van verdachte wel rekening moet worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. De juridische onzekerheid over het al dan niet bestaan van verschoningsrecht en de tijd die er mee gemoeid is geweest om daarover meer zekerheid te krijgen, zijn geen omstandigheden die verdachte zijn aan te rekenen. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding moet leiden tot strafvermindering.

De op te leggen straf

Gezien de ernst van de gepleegde feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank is van oordeel dat, mede gelet op straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden passend en geboden is. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank rekening houding met een korting van zes maanden. Die korting is meer dan de gebruikelijke 10% vanwege de enorme overschrijding van de redelijke termijn. Alles overwegende legt de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10Sv.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op artikel 57 Sr.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, en 3 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1

het misdrijf: met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam;

feit 2

het misdrijf: met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam;

feit 3

het misdrijf: met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen.

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.T.C. Jordaans, voorzitter, mr. S.H. Peper en

mr. V. Wolting, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M.A. van den Hoek, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 5 november 2026.

Buiten staat

Mr. V. Wolting is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2018178245. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Ten aanzien van feit 1 en 2

1. Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] van 30 april 2018, pagina 18-21.

De aangifte is gericht tegen [verdachte] . De eerste keer weet ik niet meer, maar ik kan niet ouder zijn geweest als zes. Wij woonden toen in [woonplaats] . En het ging door in [plaats] . De eerste keer die ik echt kan herinneren is uit 1991. Hier begon ik hem te voelen, ik nam het initiatief. Ik bij hem en hij bij mij, in het kruis voelen, zoenen en voelen overal. Aftrekken, wij alle bij elkaar aftrekken. Daarna ging het nog verder met pijpen. Ik deed dat bij hem en hij bij. Ik weet niet wanneer de laatste keer is geweest. Dat zal op mijn dertiende ergens zijn geweest. In [plaats] toen ik ouder was gebeurde het op zolder, maar wat ik me kan herinneren gebeurde het vaker bij hem in [vestigingsplaats 2] . Ik ging dan naar zolder, daar lagen oude Donald Ducks en die zat ik te lezen. Hij kwam ook naar zolder. Dan ging hij naast me zitten. Ik weet dat ik dan met mijn broek open zat. Hij voelde bij mij en ik bij hem. Ik heb het eerste gesproken over wat er tussen mij en [verdachte] was gebeurd met mijn moeder. Toen brak ik. Ik begon te huilen.

2. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van 12 september 2018, inclusief bijlagen (de excuusbrieven van verdachte aan [slachtoffer 1] en [getuige 2] ), pagina 144-145 en 149-154.

Dat [slachtoffer 1] op een gegeven moment bij me kwam. Hij was toen 14 jaar. [slachtoffer 1] zei toen tegen mij: “Ik denk dat ik homo ben”. Ik zei toen tegen hem: “Vertel”. [slachtoffer 1] zei toen tegen mij [verdachte] en ik. Ik weet alleen dat ik eruit heb gehaald dat [verdachte] hem seksueel prikkelde. Ik weet nog wel wat de conclusie was dat ze seks hadden samen. Ik heb toen gevraagd: “Wanneer is dat begonnen?” Hij zei toen: In [woonplaats] . Hij is toen 6 of 7 jaar geweest. Het is mij duidelijk geworden dat hij seksueel misbruikt is.

De in de vier excuusbrieven opgenomen excuses gelden in hun geheel als bewijsmiddelen.

3. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] van 31 augustus 2018, pagina 29-34.

Mijn broer is vanaf zijn 6e tot zijn 14e jaar door [verdachte] seksueel misbruikt. Dat heeft [verdachte] ook wel verteld. Hij heeft tegen mij gezegd: Dat wat er met je broer is gebeurd dat had nooit gemogen. Ze hadden een grote zolder met allemaal Donald Duckjes. We hebben na de scheiding van mijn ouders 9 maanden bij hun in huis gewoond. Als we er in de vakantie sliepen dan was het zo van wie er het eerst bij [verdachte] mocht slapen. De ander sliep dan alleen op zolder. We waren er zondagen, vakanties, weekendjes. [verdachte] trok wel heel erg naar mijn broer toe. [slachtoffer 1] was echt zijn lievelingetje. Ik hoorde voor het eerst van het seksueel misbruik van [slachtoffer 1] toen het stopte, toen [slachtoffer 1] ongeveer 14 jaar oud was. We gingen toen ook niet meer met de familie [verdachte] om. Mijn moeder vertelde dat er iets op seksueel gebeid was gebeurd met [verdachte] en [slachtoffer 1] . Ik weet nog dat [slachtoffer 1] huilend naar beneden kwam.

Ten aanzien van feit 3

1. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] van 28 september 2018, pagina 118.

In augustus 2016, dat was 14, 15 en 16 augustus hebben mijn kinderen bij [verdachte] en [naam 4] mijn zus gelogeerd. Ongeveer een maand later zag ik dat [slachtoffer 2] zich onder douche aan het bevredigen was. Ik heb toen tegen hem gezegd van “Als je je piemel gewassen hebt, dan is het wel weer klaar”. Toen zei hij tegen mij: Maar oom [verdachte] doet dat ook?” Ik reageerde daarop van: ”Nee, dat doet [verdachte] niet, alleen even wassen zeker.” [slachtoffer 2] bleef volhouden dat het wel gebeurd was. Hij zei dat oom [verdachte] bij hem in bad zat. Hij droeg een zwembroek op dat moment. Volgens [slachtoffer 2] zat [verdachte] achter hem en tijdens het voorlezen van Donald Duck boekje, zou [verdachte] met de piemel van [slachtoffer 2] hebben gespeeld. We bedachten om het op een later tijdstip nogmaals met [slachtoffer 2] over te gaan hebben om te kijken of hij hetzelfde vertelde. Ik zei tegen hem van: “heeft [verdachte] niet gewoon je piemel gewassen, of zat er iets op je piemel”. [slachtoffer 2] vertelde toen hetzelfde verhaal. Ik probeerde te achterhalen hoelang de aanraking geduurd zou hebben. Volgens [slachtoffer 2] zou dat een paar Donald Duck verhaaltjes lang zijn. [verdachte] zou verteld hebben over kleine witte plasjes met zaadjes. Waarschijnlijk toen [slachtoffer 2] een plasgevoel kreeg. Volgens [verdachte] zou [slachtoffer 2] daar eerst wat ouder voor moeten zijn. [slachtoffer 2] vertelde tegen [naam 5] dat van net als met oom [verdachte] . [naam 5] gaf toen aan van: “Ik dacht dat [verdachte] op de rand zat?” [slachtoffer 2] zei toen ook van: ”Nee, anders kan ik de Donald Duck plaatjes niet zien?” [slachtoffer 2] zei: ”lk zat voor hem, [verdachte] zat achter mij. Met de ene hand hield hij de Donald Duck vast en met de andere hand zat hij aan mijn piemel te trekken onder het lezen.”

2. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 22 oktober 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, de verklaring van verdachte:

[slachtoffer 2] is in bad gaan zitten en ik heb een verhaaltje, Donald Duck, voorgelezen. Ik heb zijn bal aangewezen en gezegd dat daar zaadjes worden gemaakt. Het zou kunnen zijn dat ik toen zijn bal heb aangeraakt.

3. Een schriftelijk bescheid, te weten een brief van Zelfstandig onderdeel van Christelijke Gemeente van Jehovah’s Getuigen, van 21 augustus 2018, pagina 183.Samenvatting van de zitting van het rechterlijk comité op 09-12-2016 van gemeente

[vestigingsplaats 2] aan Christelijke Gemeente van Jehovah’s Getuigen in Nederland [verdachte] stelt dat hij het geslachtsorgaan van een minderjarige kort gemanipuleerd heeft en dat dit geen vluchtige aanraking was.

4. Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 3] bij de rechter-commissaris van 11 september 2026, pagina 3.

De inhoud van de brief van 21 augustus 2018 is gebaseerd op mededelingen van andere ouderlingen van de gemeente.