Strafrecht overig

De verdachte heeft (samen met een andere persoon) gedurende tweeënhalf jaar het slachtoffer op zeer…

Rechtbank Rotterdam, 29 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 29 oktober 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
29 oktober 2026
Datum publicatie
5 november 2026
Zaaknummer
10-163399-25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:15411
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De verdachte heeft (samen met een andere persoon) gedurende tweeënhalf jaar het slachtoffer op zeer indringende wijze belaagd, en heeft het slachtoffer gedurende maanden bedreigd. Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan meerdere vernielingen. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van achttien maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast legt de rechtbank aan de verdachte de tbs-maatregel met dwangverpleging op, gemaximeerd tot 4 jaar. Ook legt de rechtbank een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op, zoals bedoeld in artikel 38z Sr. Daarnaast legt de rechtbank een vrijheidsbeperkende maatregel op zoals bedoeld in artikel 38v Sr, inhoudende een contact- en locatieverbod voor vijf jaar. Deze maatregel wordt dadelijk uitvoerbaar verklaard. Tot slot moet de verdachte schadevergoeding betalen aan drie slachtoffers.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10-163399-25

Datum uitspraak: 29 oktober 2026

Datum zitting: 15 oktober 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 2001 in [geboorteplaats 1] ,

ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] ,

gedetineerd in de penitentiaire inrichting [locatie] .

Advocaat van de verdachte: mr. F.H. Batavier

Officier van justitie: mr. B.M. van Heemst

Benadeelde partijen: [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] .

Gemachtigde van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] : [gemachtigde]

Leeswijzer

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – deels samen met een ander – [slachtoffer 1] gedurende een periode van tweeënhalf jaar heeft gestalkt en gedurende maanden heeft bedreigd en dat hij auto’s, portiekdeuren en garageboxen heeft vernield. De volledige tenlastelegging is opgenomen in hoofdstuk 1.

De beschuldigingen zijn bewezen. De bewezenverklaring, de motivering daarvan en de bespreking van de bewijsverweren staan in hoofdstuk 2. Een overzicht van de bewijsmiddelen staat in de bijlage.

De feiten en de verdachte zijn strafbaar. Deze beslissingen staan in hoofdstuk 3.

De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op van achttien maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast legt de rechtbank aan de verdachte de tbs-maatregel met dwangverpleging op, gemaximeerd tot 4 jaar. Ook legt de rechtbank een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op, zoals bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna Sr). Tot slot legt de rechtbank een vrijheidsbeperkende maatregel op zoals bedoeld in artikel 38v Sr, inhoudende een contact- en locatieverbod voor vijf jaar. De maatregel wordt dadelijk uitvoerbaar verklaard. In hoofdstuk 4 wordt uitgelegd waarom deze straf en maatregelen worden opgelegd.

De benadeelde partijen hebben een vordering tot schadevergoeding ingediend. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] wordt grotendeels toegewezen. De vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] worden geheel toegewezen. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] wordt niet toegewezen. In hoofdstuk 5 worden deze beslissingen uitgelegd.

In hoofdstuk 7 staan alle beslissingen in het kort.

1 Tenlastelegging

De volledige tenlastelegging houdt in dat

1

hij in of omstreeks de periode van 19 november 2022 tot en met 20 mei 2025 te [plaats 2] en/of [plaats 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt

op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] , door:

- veelvuldig (dreigende en/of beledigende) berichten te sturen naar die [slachtoffer 1]

en/of haar familie en/of

- meermalen naar en/of langs de woning, althans in de buurt van de woning, van

die [slachtoffer 1] te rijden en/of

- zich meermalen voor de woning van die [slachtoffer 1] op te houden en/of

- flyers met (dreigende en/of beledigende) teksten in de buurt te verspreiden en/of

op te hangen en/ of uit te delen en/of

- een goed/goederen die aan (de familie en/of buurtbewoners) van die [slachtoffer 1] toebehoren te vernielen en/of

- één of meerdere abonnementen en/ of contracten met energiemaatschappijen die

op naam van [slachtoffer 1] stonden heeft opgezegd en/of

- één of meerdere abonnementen en/of contracten met energiemaatschappijen op

naam van [slachtoffer 1] heeft afgesloten,

met het oogmerk die [slachtoffer 1] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of

vrees aan te jagen;

2

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 maart 2024 tot en

met 30 oktober 2024, te [plaats 2] en/of te [plaats 1] , althans in Nederland,

[slachtoffer 1] heeft bedreigd, met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door berichten met daarin afbeeldingen van doodskisten naar die [slachtoffer 1] te

versturen en/ of berichten met de volgende inhoud naar die [slachtoffer 1] te sturen:

- " niet denken dat er geluisterd gaat worden naar jouw of de rest want er hoeft maar

1. call te worden gedaan en 1 betaling dan wordt er naar ons geluisterd" en/of

- " de slachtoffers van jouw kanker hoeren dochter [dochter slachtoffer 1] hebben vaak genoeg

geprobeerd om dingen tegen jouw te zeggen omtrent de dingen die jouw dochter

hebben veroorzaakt maar jij en de rest wouden nooit luisteren dan wordt het maar

tijd dat er flink gevoeld gaat worden en daarin zullen jullie de eerste klap gaan

opvangen" en/of

- " ga jullie veel succes wensen in deze onzekere tijd en sterkte met de verliezen en

begrafenissen/crematies die dan moeten geregeld worden" en/of

- " je bent niet meer veilig in je huis" en/of

- " je krijgt een kanker kogel door je hoofd" en/of

- " ik zweer je 247 staat er iemand voor je deur" en/of

- " ik knal een heel magezijn door je kanker lichaam" en/of

- " knal je eerst door je been dan door je arm dan door je kanker hoofd",

althans berichten van gelijke dreigende aard en/of strekking;

3

hij in of omstreeks de periode van 30 november 2023 tot en met 24 juli 2024 te

[plaats 2] , althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk, verschillende auto's en/of (portiek)deuren en/of garageboxen(deuren), in elk geval (enig) goed/goederen, dat/die geheel of ten dele aan (een) ander/anderen, te weten aan:

- [slachtoffer 1] en/of

- [slachtoffer 2] en/of

- [slachtoffer 3] en/of

- [slachtoffer 4] en/of

- [slachtoffer 5] en/of

- [slachtoffer 6] en/of

- [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] en/of

- [slachtoffer 9] en/of

- [slachtoffer 10] en/of

- [slachtoffer 11] en/of

- [slachtoffer 12]

toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/ of weggemaakt.

2 Bewijs

2.1.

Vordering van de officier van justitie

De verdachte moet worden veroordeeld voor de feiten, met uitzondering van de vernielingen van de portiekdeuren van aangeefsters [aangeefster 1] en [aangeefster 2] (namens [slachtoffer 8] ) (feit 3).

2.2.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor alle feiten. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

2.3.

Oordeel van de rechtbank

2.3.1.

Bewezenverklaring

Feit 1

hij in de periode van 19 november 2022 tot en met 20 mei 2025 te [plaats 2] en/of [plaats 1] , tezamen en in vereniging met een ander, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] , door:

- veelvuldig (dreigende en beledigende) berichten te sturen naar die [slachtoffer 1]

en haar familie en

- meermalen naar en langs de woning, althans in de buurt van de woning, van

die [slachtoffer 1] te rijden en

- zich meermalen voor de woning van die [slachtoffer 1] op te houden en

- flyers met (dreigende en beledigende) teksten in de buurt te verspreiden en/of

op te hangen en

- goederen die aan (de familie of buurtbewoners van) die [slachtoffer 1] toebehoren te vernielen en

- abonnementen en/of contracten met energiemaatschappijen die op naam van [slachtoffer 1] stonden heeft opgezegd en

- abonnementen en/of contracten met energiemaatschappijen op naam van [slachtoffer 1] heeft afgesloten,

met het oogmerk die [slachtoffer 1] , te dwingen iets te dulden en vrees aan te jagen;

Feit 2

hij op tijdstippen in de periode van 27 juli 2024 tot en met 30 oktober 2024, te [plaats 2] en/of te [plaats 1] , [slachtoffer 1] heeft bedreigd, met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door berichten met daarin afbeeldingen van doodskisten naar die [slachtoffer 1] te versturen en berichten met de volgende inhoud naar die [slachtoffer 1] te sturen:

- " niet denken dat er geluisterd gaat worden naar jouw of de rest want er hoeft maar

1. call te worden gedaan en 1 betaling dan wordt er naar ons geluisterd" en

- " de slachtoffers van jouw kanker hoeren dochter [dochter slachtoffer 1] hebben vaak genoeg

geprobeerd om dingen tegen jouw te zeggen omtrent de dingen die jouw dochter

hebben veroorzaakt maar jij en de rest wouden nooit luisteren dan wordt het maar

tijd dat er flink gevoeld gaat worden en daarin zullen jullie de eerste klap gaan

opvangen" en

- " ga jullie veel succes wensen in deze onzekere tijd en sterkte met de verliezen en

begrafenissen/crematies die dan moeten geregeld worden" en

- " je bent niet meer veilig in je huis" en

- " je krijgt een kanker kogel door je hoofd" en

- " ik zweer je 247 staat er iemand voor je deur" en

- " ik knal een heel magezijn door je kanker lichaam" en

- " knal je eerst door je been dan door je arm dan door je kanker hoofd";

Feit 3

hij in de periode van 30 november 2023 tot en met 24 juli 2024 te [plaats 2] , opzettelijk en wederrechtelijk, verschillende auto's en (portiek)deuren en garageboxen(deuren), die aan:

- [slachtoffer 1] en

- [slachtoffer 2] en

- [slachtoffer 3] en

- [slachtoffer 5] en

- [slachtoffer 6] en- [slachtoffer 9] en

- [slachtoffer 10] en

- [slachtoffer 11] en

- [slachtoffer 12]

toebehoorden heeft vernield of beschadigd.

2.3.2.

Bewijsmiddelen

De bewezenverklaring van de feiten is gebaseerd op de in de bijlage opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.

2.3.3.

Bewijsmotivering

Rechtmatigheidsverweer telefoons

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat de doorzoeking in de telefoons van de verdachte onrechtmatig is geweest. De verdachte heeft niet vrijwillig en ondubbelzinnig toestemming gegeven voor het uitlezen van zijn telefoons.

Ten aanzien van de inbeslagname van de eerste telefoon, de S21, is primair van belang dat de gestelde toestemming van verdachte niet de vereiste voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris vervangt. Subsidiair betwist de verdediging dat de verdachte vrijwillig toestemming heeft gegeven, nu hij onder invloed van ketamine en morfine in een ambulance lag omdat hij kort daarvoor zijn hand was verloren. Ten aanzien van de inbeslagname van de tweede telefoon, de S24, stelt de verdediging dat de verdachte het toestemmingsformulier uit het dossier niet heeft ondertekend en daarmee geen vrijwillige toestemming heeft gegeven.

Om bovengenoemde redenen moeten alle onderzoeksresultaten die zijn verkregen door het onderzoek aan de telefoons worden uitgesloten van het bewijs. Als de rechtbank dit standpunt van de verdediging niet volgt, wordt ten aanzien van de eerste telefoon verzocht om de ambulancebroeder te horen, zodat hij kan verklaren over de omstandigheden waaronder de verdachte toestemming heeft gegeven en zijn toestand op dat moment. Ten aanzien van de tweede telefoon wordt voorwaardelijk verzocht om de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] te horen, zodat zij kunnen verklaren over de feitelijke gang van zaken omtrent het ondertekenen van het toestemmingsformulier.

Oordeel van de rechtbank

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in de Landeck-zaak bepaald dat indien onderzoek naar gegevens op een elektronische gegevensdrager een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer met zich brengt, voorafgaande toestemming van een rechterlijke instantie of onafhankelijk bestuursorgaan vereist is. Van een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer is al geen sprake meer als op voorhand is te voorzien dat door het onderzoek aan een smartphone (of andere elektronische gegevensdrager of geautomatiseerd werk) inzicht wordt verkregen in verkeers- en locatiegegevens, maar ook in andersoortige gegevens (zoals foto's, de browsergeschiedenis, de inhoud van via die smartphone uitgewisselde communicatie, en andere gevoelige gegevens). Als politie en justitie in zo'n geval onderzoek willen verrichten aan in beslag genomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken, is voor dat onderzoek behalve in spoedeisende gevallen een voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris vereist. Dit alles geldt echter niet op het moment dat de verdachte toestemming heeft verleend voor het onderzoek naar de telefoon. Voorts is niet relevant op welk moment de telefoons in beslag genomen zijn, omdat in de Landeck-jurisprudentie bestaand recht wordt uitgelegd.

Inbeslagname eerste telefoon, S21

De eerste telefoon van de verdachte is op 11 november 2024 in beslag genomen. Zoals de verdediging heeft aangevoerd, was de verdachte net zijn hand verloren en lag hij vermoedelijk sterk verdoofd in een ambulance om te worden vervoerd naar een ander ziekenhuis toen hem werd gevraagd om de code van zijn telefoon. Deze omstandigheden maken naar het oordeel van de rechtbank dat niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat de verdachte met volle overtuiging toestemming heeft verleend voor het onderzoek aan zijn telefoon.

De telefoon is - met toestemming van de officier van justitie - uitgelezen en de verkregen gegevens zijn onderzocht. Daaruit is voor de verdachte vrij veel belastend bewijsmateriaal naar voren gekomen. De rechtbank stelt vast dat het onderzoek aan de telefoon van de verdachte zo verstrekkend is geweest dat was te voorzien dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte zou worden gemaakt. Immers, uit het proces-verbaal van bevindingen van 25 mei 2025 door verbalisant [verbalisant 3] volgt dat onderzoek is gedaan naar onder meer gebruikersgegevens, foto’s en afbeeldingen en de internetgeschiedenis van de in beslag genomen telefoon van de verdachte en aan de hand van dergelijke gegevens kunnen zeer nauwkeurige conclusies worden getrokken over het privéleven van de verdachte. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat voor dit onderzoek voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris vereist was. Deze toetsing is achterwege gebleven en dit levert een onherstelbaar vormverzuim op.

Het geconstateerde vormverzuim leidt echter niet tot bewijsuitsluiting en evenmin tot strafvermindering. Er was sprake van ernstige verdenkingen tegen de verdachte op het moment dat het onderzoek aan de telefoon plaatsvond, onder meer van belaging. Gelet op de aard van dit strafbare feit en de ten laste gelegde gedragingen was onderzoek naar de telefoon nodig. De rechtbank gaat er voorts van uit dat de rechter-commissaris de toestemming tot het onderzoeken van de telefoon zou hebben gegeven als daarom was verzocht. De verdachte is dus door het vormverzuim niet in een nadeliger positie geraakt en de verdediging heeft ook geen ander belang aangevoerd dat geschaad zou zijn. Daarom volstaat de rechtbank met de constatering van het vormverzuim en worden daaraan geen verdere consequenties verbonden.

Inbeslagname tweede telefoon, S24

De tweede telefoon van de verdachte is in beslag genomen op 26 mei 2025. Blijkens het dossier heeft de verdachte toestemming verleend voor het onderzoek daaraan en in dat kader een toestemmingsformulier ondertekend. Dit volgt ook uit het proces-verbaal opgesteld door verbalisant [verbalisant 1] en de verklaring van verbalisant [verbalisant 3] bij de rechter-commissaris. Dat zich daarbij onregelmatigheden zouden hebben voorgedaan, zoals de verdediging heeft gesteld, is niet aannemelijk geworden. Van een vormverzuim is dus geen sprake.

Voorwaardelijke verzoeken

Het horen van de ambulancebroeder vindt de rechtbank niet noodzakelijk, nu zij het verweer van de verdediging in zoverre volgt dat sprake is van een vormverzuim ten aanzien van de eerste telefoon. Gelet op de bovenstaande overwegingen zullen ook de verzoeken tot het horen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 3] niet worden toegewezen.

Feit 1

Standpunt van de verdediging

De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij via sociale media contact heeft gehad met [dochter slachtoffer 1] , de dochter van het slachtoffer [slachtoffer 1] . Op enig moment heeft [dochter slachtoffer 1] het contact met de verdachte verbroken. Volgens de verdachte was de medeverdachte [medeverdachte] hierdoor gekrenkt en heeft hij daarom het strafbare feit gepleegd. Ook heeft de verdachte verklaard dat hij zijn telefoons regelmatig heeft uitgeleend aan de medeverdachte [medeverdachte] . De verdediging heeft aangevoerd dat feit 1 niet kan worden bewezen, omdat het procesdossier aanwijzingen bevat dat het strafbare feit door andere personen is gepleegd. Ten aanzien van de onderzoeksresultaten uit de in beslag genomen telefoons van de verdachte kan niet worden vastgesteld dat de verdachte de enige gebruiker is geweest van de in beslag genomen telefoons.

Oordeel van de rechtbank

Het verweer van de verdediging wordt verworpen. De rechtbank vindt de verklaring van de verdachte ongeloofwaardig, nu deze op geen enkele manier door feiten of omstandigheden wordt ondersteund. Hij heeft ook niet eerder willen verklaren, en is pas op zitting gekomen met de stelling dat niet hij, maar [medeverdachte] het ten laste gelegde zou hebben begaan. Daar staat tegenover dat medeverdachte [medeverdachte] zowel bij de politie als ten overstaan van de rechter-commissaris telkens en consequent heeft verklaard over het obsessieve handelen van de verdachte, de aanleiding daarvan en de omstandigheden waaronder dit heeft plaatsgevonden, terwijl hij zichzelf daarmee ook incrimineerde. De verklaring van [medeverdachte] vindt ook in belangrijke mate steun in andere bewijsmiddelen, waaronder de onderzoeksresultaten uit de telefoons van de verdachte. De enkele stelling van de verdachte dat hij zijn telefoon structureel heeft uitgeleend aan [medeverdachte] , biedt onvoldoende aanknopingspunten voor een alternatief scenario dat alle belastende gegevens op zijn telefoon zou kunnen verklaren. Overigens valt ook niet te begrijpen waarom de medeverdachte [medeverdachte] er belang bij zou hebben gehad de (familie van) [dochter slachtoffer 1] te belagen. De verdachte heeft immers verklaard dat juist hij, en niet [medeverdachte] , degene is geweest die contact heeft gehad met [dochter slachtoffer 1] .

De rechtbank gaat dan ook uit van de juistheid van de verklaringen van [medeverdachte] en acht zijn verklaringen betrouwbaar.

De rechtbank schuift de verklaring van de verdachte ter zitting terzijde en komt op basis van de bewijsmiddelen tot een bewezenverklaring van feit 1 (medeplegen van belaging).

Feit 2

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat feit 2 niet kan worden bewezen, omdat niet kan worden vastgesteld op welke data de berichten zijn verstuurd.

Oordeel van de rechtbank

Het verweer van de verdediging wordt verworpen. De rechtbank stelt vast dat de bedreigende berichten zijn verstuurd in de periode van 27 juli 2024 tot en met 30 oktober 2024, gelet op de aangiften van [slachtoffer 1] , in samenhang met de processen-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] van 27 juli 2024 en 9 mei 2025. Het enkele feit dat een precieze datum op die berichten ontbreekt, maakt dat niet anders.

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van feit 2 (bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling).

Feit 3

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat feit 3 niet kan worden bewezen, omdat uit het werkrooster van de verdachte blijkt dat hij ten tijde van alle vernielingen bij Subway aan het werk was.

Oordeel van de rechtbank

De vernielingen van de portiekdeuren van aangeefsters [aangeefster 1] en [aangeefster 2] (namens [slachtoffer 8] ) acht de rechtbank niet bewezen. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.

Voor de overige vernielingen komt de rechtbank tot een bewezenverklaring gelet op de bewijsmiddelen zoals opgenomen in de bijlage bij dit vonnis, waaronder de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte] en de in de bewijsmiddelen weergegeven onderzoeksresultaten uit de telefoons van de verdachte. Zo straalt de telefoon van de verdachte in meerdere gevallen aan op nabij de plaats delict gelegen zendmasten op de dagen van de gepleegde vernielingen in [plaats 2] , terwijl de verdachte in [plaats 1] woont en werkt. Ook staan er foto’s van de vernielingen op de telefoon van de verdachte.

Het verweer dat de verdachte ten tijde van de vernielingen aan het werk zou zijn, wordt verworpen. Anders dan de verdediging stelt, kan uit het overgelegde werkrooster, voorzover het al van de werkgever van de verdachte afkomstig zou zijn, niet worden afgeleid of de verdachte daadwerkelijk aan het werk was ten tijde van de gepleegde vernielingen.

Voor zover de overige verweren van de verdediging niet zijn weerlegd in de hierboven opgenomen bewijsmotivering, volgt de weerlegging daarvan uit de gebezigde bewijsmiddelen.

3 Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

Feit 1

medeplegen van belaging;

Feit 2

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, meermalen gepleegd;

Feit 3

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen of beschadigen, meermalen gepleegd.

3.2.

Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4 Straf en maatregelen

4.1.

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden met aftrek van voorarrest. Daarnaast moet de tbs-maatregel met dwangverpleging, gemaximeerd tot 4 jaar, worden opgelegd, evenals een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM) ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Voorts moet een locatie- en contactverbod in de vorm van een 38v Sr-maatregel worden opgelegd gedurende een periode van vijf jaar met dadelijke uitvoerbaarheid.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht aan de verdachte geen tbs-maatregel met dwangverpleging op te leggen, maar te volstaan met een straf gelijk aan het voorarrest eventueel in combinatie met een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden en/of een GVM. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de tbs-maatregel met dwangverpleging te maximeren op vier jaar.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft (samen met een ander persoon) gedurende tweeënhalf jaar het slachtoffer [slachtoffer 1] op zeer indringende wijze belaagd, en heeft het slachtoffer [slachtoffer 1] gedurende maanden bedreigd. Haar familieleden werden hier ook in betrokken. Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan meerdere vernielingen. Alle feiten hebben plaatsgevonden nadat de dochter van het slachtoffer het contact met de verdachte had verbroken en hielden daarmee ook verband.

De verdachte heeft onder andere het slachtoffer en haar familie tientallen keren gebeld en talloze intimiderende en bedreigende berichten gestuurd. De inhoud hiervan was vrijwel steeds (indirect) gericht op de dochter van het slachtoffer en de toon werd met het verstrijken van de tijd steeds dreigender. Ook heeft hij bloemen, pakketten en bestellingen van eten laten bezorgen op het thuisadres van het slachtoffer en energiecontracten op naam van het slachtoffer afgesloten en beëindigd. De verdachte is zelfs zo ver gegaan dat hij meermaals naar de woning van het slachtoffer is gegaan, in haar straat flyers met beledigende berichten heeft verspreid en auto’s, portiekdeuren en deuren van garageboxen van het slachtoffer en buurtbewoners heeft vernield of beschadigd.

De verdachte is volhardend geweest in zijn gedrag en ook na verschillende stopgesprekken is hij steeds doorgegaan met zijn belaging. Aan deze belaging is pas een eind gekomen door de aanhouding van de verdachte. De combinatie van het grote aantal berichten, de inhoud hiervan en de hardnekkigheid van het belagingsgedrag is heel beangstigend geweest voor het slachtoffer en haar familie. De verdachte heeft met zijn handelen langdurig en stelselmatig inbreuk gemaakt op hun persoonlijke levenssfeer en het handelen van de verdachte heeft grote impact op hen gehad. Dat blijkt ook uit de slachtofferverklaring van het slachtoffer. Zij is bang, gespannen en voelt zich niet meer veilig in haar eigen huis. De verdachte geen enkel oog gehad of willen hebben voor de belangen van het slachtoffer en heeft zich door niets en niemand laten tegenhouden. De rechtbank acht het gedrag van de verdachte zeer zorgelijk, mede gezien zijn houding ter zitting. Hij toont op de zitting weinig zelfinzicht, en wijst alleen maar naar anderen.

Met de gepleegde vernielingen heeft de verdachte ook overlast en hinder veroorzaakt voor derden, waaronder buurtbewoners van het slachtoffer. Vernieling van andermans eigendommen is een buitengewoon hinderlijk feit dat schade veroorzaakt voor de gedupeerden. De rechtbank neemt de verdachte dit alles kwalijk.

4.3.2.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 25 september 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.

Rapporten van gedragsdeskundigen

Over de verdachte zijn verschillende gedragskundige rapporten opgesteld. De rechtbank vat deze samen als volgt.

Het NIFP-consult van 25 juni 2025, opgemaakt door [psychiater 1] , psychiater, kende forse beperkingen, omdat de verdachte niet heeft willen verklaren over de ten laste gelegde feiten. Bij de verdachte is volgens de psychiater al vele jaren sprake van complexe psychiatrische problematiek: de verdachte noemt zelf ADHD en gedragsproblemen, en in het dossier wordt een verstandelijke beperking genoemd. Volgens de psychiater is er weinig ziektebesef en inzicht. De verdachte bagatelliseert de gebeurtenissen en lijkt de ernst van de situatie waarin hij verkeert niet in te zien. Volgens de psychiater lijken ook cognitieve beperkingen aanwezig, evenals sociaal-emotionele beperkingen.

In het rapport van psycholoog [psycholoog 1] van 6 oktober 2025 staat onder meer het volgende. Het onderzoek is beperkt geweest. Er is in ieder geval sprake van een cognitief functioneren op het grensgebied van een licht verstandelijke beperking en moeilijk lerend intelligentieniveau. Er kan geen psychische stoornis worden vastgesteld. Ook komen er onvoldoende aanwijzingen naar voren voor persoonlijkheidsproblematiek. Een persoonlijkheidsstoornis kan echter ook niet worden uitgesloten, omdat het voor de psycholoog onvoldoende mogelijk is gebleken om zicht te krijgen op het functioneren van de verdachte.

In het rapport van psychiater [psychiater 2] van 14 oktober 2025 staat onder meer het volgende. De intelligentie wordt beneden gemiddeld geschat. In de persoonlijkheid van de verdachte valt de psychiater op dat hij zeer beperkt in staat is tot inlevingsvermogen en zelfreflectie. Er is sprake van externalisatie. De verdachte wekt de indruk soms wat impulsief te handelen en niet goed de consequenties van zijn handelen te kunnen overzien. De verdachte geeft weinig openheid over zijn belevingswereld en is sociaal wenselijk in zijn antwoorden. De psychiater heeft daarom geen volledige conclusies kunnen trekken omtrent de diagnostiek. Een persoonlijkheidsstoornis kan niet worden vastgesteld, maar ook niet worden uitgesloten vanwege het ontbreken van betrouwbare informatie omtrent het functioneren van de verdachte.

In het rapport dat op 25 juni 2026 is uitgebracht door [psycholoog 2] (GZ-psycholoog) en [psychiater 3] (psychiater) van het Pieter Baan Centrum (PBC) staat onder meer het volgende. De verdachte heeft geweigerd mee te werken aan het onderzoek. Hij ondertekende ook geen machtigingen voor het opvragen van informatie bij (medische) instanties. Ook de familie van de verdachte heeft niet meegewerkt.

Op basis van de informatie uit het (zeer beperkte) forensisch milieuonderzoek en zijn functioneren op de groep kan worden gesteld dat er geen duidelijke aanwijzingen worden gezien voor psychiatrie in engere zin, zoals een psychotische stoornis of een angst- of stemmingsstoornis. Volgens de psycholoog roept de mate van angst en achterdocht vragen op, waardoor een psychotische stoornis niet geheel uitgesloten kan worden.

De rapporteurs concluderen dat door de weigerende houding van de verdachte geen psychiatrische diagnoses konden worden vastgesteld. Tegelijkertijd konden psychiatrische stoornissen ook niet met zekerheid worden uitgesloten. Op basis van de beschikbare informatie werden geen duidelijke aanwijzingen gevonden voor een ernstig psychiatrisch toestandsbeeld, zoals een psychotische stoornis of ernstige stemmingsstoornis. Ook gedurende het verblijf in het PBC werden geen gedragingen waargenomen die wezen op verlies van realiteitstoetsing of ernstige affectieve ontregeling. Wel bleef onduidelijk in hoeverre sprake was van angst-, trauma- of stemmingsklachten (c.q. posttraumatische stressstoornis naar aanleiding van het traumatische handletsel), omdat de verdachte hierover niet onderzocht kon worden.

Aangezien er niet kan worden vastgesteld of er bij de verdachte sprake is van psychopathologie, kunnen de rapporteurs niet beoordelen of eventuele psychopathologie of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van invloed is geweest op het ten laste gelegde. Evenmin kan een risicoanalyse worden gegeven ten aanzien van het recidivegevaar. De rapporteurs onthouden zich van aanbevelingen ten aanzien van gedragskundige interventies gericht op het beperken van recidivegevaar. Gezien de forse beperkingen van het onderzoek kunnen er ook geen onderbouwde uitspraken worden gedaan over de vraag binnen welk juridisch kader eventuele interventies het best zouden kunnen worden gerealiseerd.

Rapporten van de reclassering

De reclassering heeft op 12 december 2025 en 30 juli 2026 over de verdachte gerapporteerd. Daarin staat samengevat het volgende. De reclassering schat het recidiverisico in als hoog. De reclassering ziet risico’s in de leefgebieden 'psychosociaal functioneren', ‘relatie partner, gezin en familie’ en ‘houding’ van de verdachte. Zo heeft [zorginstelling] gesteld dat er bij de verdachte sprake zou zijn van een andere gespecificeerde disruptieve, impulsbeheersings- of andere gedragsstoornis, en een ongespecificeerde trauma- of stressor-gerelateerde stoornis. Vanwege de weigerende houding van de verdachte konden de ambulante pro Justitia-rapporteurs en het PBC deze stoornissen echter niet bevestigen of uitsluiten, en konden zij geen uitspraken doen over de mogelijke mate van doorwerking in het tenlastegelegde. Desondanks stelt het PBC dat zij ten aanzien van het persoonlijkheidsfunctioneren vanuit eerdere rapportages alsmede hun eigen onderzoek, aanwijzingen zien voor een beperkte zelfreflectie, gevoeligheid voor negatieve beoordeling, moeite met kritiek en een sterke behoefte aan controle en spanning in sociale relaties. De reclassering ziet elementen hiervan direct terugkomen in de onderhavige delictdynamiek. Zo lijkt de verdachte grote moeite te hebben met het omgaan met afwijzingen. En hoewel hij van de eerdere verdenking van belaging werd vrijgesproken, zouden volgens de politie tijdens onderhavig onderzoek ook berichten zijn aangetroffen die die aangifte van destijds zouden sterken. Daarnaast komt er uit het politiedossier een beeld naar voren dat de verdachte eveneens zeer veel moeite lijkt te hebben met het op een gepaste manier aangaan en onderhouden van relaties, terwijl hij daar ogenschijnlijk een zeer grote behoefte aan heeft. De verdachte zou namelijk een exorbitant aantal vrouwen online (seksueel) hebben benaderd en geïntimideerd. Dit waren niet alleen voor hem onbekende vrouwen, maar ook vrouwen uit zijn eigen appartementencomplex, waar hij tot aan zijn aanhouding slechts een half jaar woonde. Ook zou hij andere vrouwen online hebben bedreigd. Daarbij zou hij meer dan veertig verschillende simkaarten hebben gebruikt en zich geregeld voor hebben gedaan als anderen.

Volgens de reclassering was er in het leven van de verdachte voorafgaand aan zijn aanhouding beperkt sprake van beschermende factoren. Naast de eerdergenoemde zelfstandige woning, werd hij gesteund door zijn familie en volgde hij in een vrijwillig kader ambulante behandeling bij [zorginstelling] . Verder had de verdachte geen zinvolle vorm van dagbesteding en slechts een beperkt inkomen. Volgens de reclassering hebben deze beschermende factoren echter niet kunnen voorkomen dat de verdachte zijn pijlen op anderen bleef richten, in plaats van dat hij zich inzette voor het verder op orde krijgen van zijn eigen leven.

De reclassering schat het risico op letsel gemiddeld-hoog in en het risico op onttrekking als hoog. Bij een bewezenverklaring van het tenlastegelegde acht de reclassering het extra zorgelijk dat deze feiten zich niet enkel en alleen in de online leefomgeving hebben afgespeeld. Immers, de verdachte zou meermaals naar [plaats 2] zijn afgereisd en daarbij onder meer meerdere vernielingen hebben aangericht. Bij één van deze reizen naar de omgeving van de aangeefsters, ontplofte er een Cobra 6 in zijn hand. Zijn medeverdachte zou destijds bij het traumateam hebben verklaard dat betrokkene bezig was om het voorwerp in de tuin te gooien ‘van zijn ex-vriendin’. Daarnaast heeft de politie in zijn inbeslaggenomen telefoon, berichten aangetroffen over het onder meer betalen voor een wapen om iemand te laten ‘slapen’ en zou hij deze persoon hebben gevraagd of deze er niet voor kon zorgen dat iemand ‘afgeknald’ kon worden. Hoewel deze gesprekken in 2022 en 2023 zouden zijn gevoerd en dit niet was gericht op de onderhavige aangevers, zijn er ook recentere zoekopdrachten van 30 oktober 2024 gevonden waarbij betrokkene zocht naar ‘C4-blokken’, ‘C4-meganisme/explosive’ en ‘vuurwerk/vuurwerkhandel’ en ‘Baarle-Nassau vuurwerk’. De verdachte zou op diezelfde dag ook hebben gedreigd met vuurwapengeweld en het plaatsen van explosieven bij de woning van een van de onderhavige aangeefsters. Anderhalve week later vond het voornoemde Cobra-incident plaats. Verder is de verdachte eerder veroordeeld voor de zware mishandeling van zijn moeder en zou hij thuis herhaaldelijk fysiek en verbaal agressief zijn geweest.

De reclassering adviseert negatief over tbs met voorwaarden. De reclassering ziet geen mogelijkheden om met voorwaarden de risico’s te beperken of het gedrag van de verdachte te veranderen. Het ontbreekt de reclassering aan een passend behandel- en interventieadvies. Hierdoor is het niet mogelijk om in een voorwaardelijk kader toe te werken aan een vermindering van het recidivegevaar. Daarnaast weigert de verdachte mee te werken aan de door de reclassering noodzakelijk geachte interventies. Ook is het volgens de reclassering onduidelijk of een klinische behandeling in dit kader überhaupt mogelijk is. De reclassering benadrukt dat een (deels) voorwaardelijke veroordeling ontoereikend is om de naar hun idee noodzakelijke behandeling te garanderen. De reclassering vindt een stringent strafrechtelijk kader noodzakelijk om alsnog tot diagnostische zekerheid te kunnen komen en een op de uitkomsten toegespitste behandeling te garanderen. De combinatie van de mogelijke persoonlijkheidsproblematiek, ogenschijnlijke gebrekkige gewetensfunctie, en weinig respons op eerdere interventies, zorgen ervoor dat de reclassering een tbs-maatregel geïndiceerd acht. De reclassering acht een klinisch kader noodzakelijk en stelt dat een ambulant kader niet verantwoord kan worden vormgegeven.

Voorts adviseert de reclassering om bij een veroordeling tot een (gemaximeerde) tbs-maatregel of (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna: GVM) op te leggen. Ook acht de reclassering zowel een contact- als een locatieverbod geïndiceerd.

Rapport Forensisch Maatwerk

Daarnaast heeft de verdediging een rapport door Forensisch Maatwerk laten opstellen. In dat rapport van 7 juli 2026 staat samengevat het volgende. Wanneer de verdenkingen bewezen worden, ontstaat een zorgelijk beeld van langdurig, vasthoudend en mogelijk escalerend gedrag, waarbij grenzen en stopsignalen van anderen onvoldoende zouden zijn gerespecteerd.

Volgens het dossier zouden meerdere stopgesprekken of andere signalen niet hebben geleid tot het duurzaam beëindigen van het gedrag. Indien dit juist is, vormt dit een belangrijke risicofactor. Volgens de rapporteur zou dit kunnen wijzen op moeite met het verwerken van afwijzing, krenking of verlies, in combinatie met rigiditeit, impulsiviteit en een beperkt vermogen om alternatieve verklaringen of handelingsmogelijkheden te overwegen.

De verdachte erkent in de gesprekken in toenemende mate dat hij snel boos kan worden, zich gekrenkt kan voelen en soms te impulsief handelt. Dit vormt een aanknopingspunt voor behandeling, maar het daadwerkelijke inzicht lijkt nog pril en moet zich in duurzaam gedrag bewijzen.

Op basis van dossieranalyse, gesprekken met de verdachte en referentenonderzoek valt te stellen dat meerdere dynamische factoren aanwezig zijn die, bij een bewezenverklaring, samenhangen met een verhoogd risico op herhaling van grensoverschrijdend en mogelijk bedreigend gedrag.

Op basis van de beschikbare informatie kan het eerder door de reclassering genoemde hoge risico niet overtuigend naar beneden worden bijgesteld. Daarvoor ontbreekt nog aantoonbare gedragsverandering over langere tijd. Het risico kan mogelijk wel worden beheerst binnen een strak, intensief en controleerbaar kader, mits vooraf duidelijk is dat de reclassering dit kader praktisch uitvoerbaar acht.

Overige persoonlijke omstandigheden

De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij niet heeft meegewerkt aan het PBC-onderzoek, omdat hij bang is voor een tbs-maatregel. De verdachte is gestrest en bang, omdat hij zijn rechterhand heeft verloren bij een ongeluk met een cobra. Voor zijn detentie verbleef de verdachte in een studio in een jongerencomplex.

4.3.3.

Redelijke termijn

De verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 26 mei 2025, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van zeventien maanden verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, bedraagt de redelijke termijn in deze zaak zestien maanden. Dat betekent dat de redelijke termijn met één maand is geschonden. De overschrijding van de redelijke termijn is zeer beperkt. Daarom volstaat de rechtbank met de enkele vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden.

4.3.4.

Oplegging straf en maatregelen

Gevangenisstraf

Gelet op de aard en ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. In het bijzonder houdt de rechtbank in strafverzwarende zin rekening met de houding van de verdachte. Hij heeft geen openheid van zaken gegeven en geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn gedragingen. Alles afwegend, vindt de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straf passend en geboden. Daarom wordt een gevangenisstraf van achttien maanden opgelegd, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

Terbeschikkingstelling (TBS)

Doordat de verdachte niet wenste mee te werken aan een multidisciplinaire rapportage en de daaropvolgende klinische observatie in het PBC, was het voor de rapporteurs onmogelijk om stellige diagnostische uitspraken te doen over de huidige psychische toestand van de verdachte, zijn psychische toestand in de periode van het ten laste gelegde, of in de aanloop daar naartoe. Wel constateren zij dat er bij verdachte sprake is van zwakbegaafdheid en kunnen zij een psychische stoornis niet uitsluiten. In elk geval valt op dat hij zeer beperkt in staat is tot inlevingsvermogen en zelfreflectie.

Voor de beantwoording van de vraag of ten tijde van het bewezenverklaarde feit bij de verdachte sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens, acht de rechtbank, naast wat de deskundigen hebben gerapporteerd, in het bijzonder het volgende van belang.

De rechtbank constateert dat de bewezenverklaarde feiten, die plaatsvonden nadat de dochter van het slachtoffer het contact met de verdachte had verbroken en daarmee ook verband hielden, onderdeel uitmaken van een langdurig patroon van obsessief, overlastgevend en vasthoudend gedrag. Uit het procesdossier volgt dat de verdachte soortgelijke gedragingen heeft laten zien nadat een ex-partner het contact met hem verbrak. Volgens de reclassering heeft de verdachte grote moeite met het omgaan met afwijzingen. Ook heeft de verdachte veel moeite met het op een gepaste manier omgaan en onderhouden van relaties. Het dossier bevat diverse meldingen van willekeurige vrouwen uit het appartementencomplex van de verdachte dat zij door hem seksueel geïntimideerd en belaagd werden. De verdachte is zelfs zo ver gegaan dat hij de politie heeft lastiggevallen en daardoor een vast contactpersoon heeft toegewezen gekregen. Ook deze contactpersoon ontving vrijwel dagelijks e-mails van de verdachte, waarna een stopgesprek heeft plaats moeten vinden. Verder zijn er veel mutaties over de verdachte omtrent conflicten in zijn thuissituatie en meldingen omtrent verward gedrag.

De rechtbank komt op grond van de rapporten van de deskundigen en hetgeen de rechtbank hiervoor heeft geconstateerd, tot het oordeel dat bij de verdachte tijdens het begaan van de feiten een geestelijke stoornis en/of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond. Ook de houding van de verdachte ter terechtzitting draagt bij aan dit oordeel. De verdachte heeft op geen enkele manier laten zien doordrongen te zijn van de ernst van zijn handelen en heeft steeds de schuld bij anderen gelegd.

De rechtbank kan geen uitspraken doen met betrekking tot de specifieke aard, oorzaak en mogelijke behandeling van de stoornis. Deze vragen vallen niet binnen haar competentie en dienen tijdens de uitvoering van hierna te noemen maatregel aan de orde te komen. Dat de deskundigen niet tot een definitieve diagnose hebben kunnen komen, is te wijten aan de weigerachtige houding van de verdachte en een gevolg van de gedragsregels waaraan de deskundigen zijn gebonden alvorens zij tot een diagnose kunnen komen.

Gelet op de aard van de bewezenverklaarde feiten, de omstandigheden waaronder die zijn begaan en de bovengenoemde rapporten, waaruit blijkt van een gebrek aan zelfinzicht en inlevingsvermogen, alsmede de neiging tot externaliseren bij de verdachte, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte een gevaar vormt voor de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen en goederen en dat behandeling van zijn stoornis noodzakelijk en vereist is om een herhaling van een ernstig strafbaar feit te voorkomen. De rechtbank acht het onverantwoord om verdachte zonder behandeling in de maatschappij te laten terugkeren zonder dat dit gevaar is weggenomen of op zijn minst in belangrijke mate is gereduceerd. Gelet op de inhoud van de voornoemde rapporten en de weigerachtige houding van verdachte heeft de rechtbank er geen vertrouwen in dat verdachte voldoende adequaat en veilig kan worden behandeld binnen het minder stringente kader van een tbs met voorwaarden.

De rechtbank stelt vast dat de bewezenverklaarde feiten 1 en 2, ter zake waarvan de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zal worden opgelegd, misdrijven betreffen als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, aanhef en onder 2, Sr.

Nu de strafbare feiten ter zake waarvan de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zal worden opgelegd geen misdrijven betreffen die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen, kan de totale duur van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege een periode van vier jaar niet te boven gaan.

Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de verdachte ter beschikking moet worden gesteld en dat hij onder dwang moet worden verpleegd.

Vrijheidsbeperkende maatregel (38v Wetboek van Strafrecht)

Daarnaast legt de rechtbank aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel op voor de duur van vijf jaar. Deze maatregel houdt in:

- een gebiedsverbod voor het stadsdeel [stadsdeel] te [plaats 2] ;

- een contactverbod met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 1975 te [geboorteplaats 2] .

De rechtbank bepaalt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van twee weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden. De hechtenis heft de verplichtingen op grond van de maatregel niet op.

De rechtbank acht oplegging van deze maatregel noodzakelijk, zodat het risico dat verdachte zich opnieuw schuldig maakt aan een strafbaar feit jegens het slachtoffer wordt ingeperkt. De rechtbank bepaalt voorts dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens het slachtoffer. Dit betekent dat de maatregel ook geldt als de verdachte in hoger beroep gaat.

Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (38z Wetboek van Strafrecht)

Om de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen te beschermen, legt de rechtbank een maatregel tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking op. De rechtbank acht het noodzakelijk dat de verdachte ook na afloop van de tbs-maatregel langdurig onder toezicht kan blijven, zodat het recidiverisico ook op langere termijn kan worden beperkt en zo nodig tijdig kan worden ingegrepen. Daarbij houdt de rechtbank rekening met de bovengenoemde rapporten. Ook aan de overige wettelijke vereisten is voldaan. De verdachte wordt namelijk ter beschikking gesteld.

5 Vorderingen van de benadeelde partijen

5.1.

Vordering [benadeelde partij 1]

5.1.1.

Vordering

[slachtoffer 1] heeft voor de feiten als benadeelde partij € 10.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

5.1.2.

Standpunt van de officier van justitie

De vordering van de benadeelde partij kan geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

5.1.3.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij te matigen tot een bedrag van € 5.000,- tot € 8.000,-, gelet op de ‘Rotterdamse Schaal’.

5.1.4.

Oordeel van de rechtbank

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft als gevolg van de strafbare feiten 1, 2 en 3 rechtstreeks immateriële schade geleden. De strafbare feiten hebben psychisch nadelige gevolgen voor de benadeelde partij gehad. Hoewel de vordering niet met concrete gegevens is onderbouwd, brengt de aard en de ernst van de normschending mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan zo voor de hand liggen voor de benadeelde, dat een aantasting in de persoon, zoals bedoeld in art. 6:106 lid 1, onder b, BW kan worden aangenomen.

De rechtbank heeft acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, waarnaar al vaker door andere rechters in Nederland is verwezen bij de vaststelling en begroting van schade als hier aan de orde. Gelet op de bedragen aan immateriële schadevergoeding die volgens de Rotterdamse Schaal in vergelijkbare gevallen doorgaans worden toegekend, acht de rechtbank toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 8.000,- billijk. De rechtbank heeft in dit geval aansluiting gezocht bij de onder belaging genoemde categorie ‘meest ernstig’, gezien de aard, duur en frequentie van de handelingen en de ernst van de gevolgen. Voor die categorie gaat de Rotterdamse Schaal uit van een bedrag aan schadevergoeding tussen de € 5.000 en € 8.000. Het bedrag dat aan de benadeelde partij zal worden toegewezen, is dus al de bovengrens van de ernstigste categorie. Het resterende deel van de vordering wordt afgewezen. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 8.000,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.

5.2.

[benadeelde partij 2]

5.2.1.

Vordering

[slachtoffer 2] heeft voor feit 3 als benadeelde partij € 1.400,- als vergoeding voor materiële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

5.2.2.

Standpunt van de officier van justitie

De vordering van de benadeelde partij kan geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

5.2.3.

Standpunt van de verdediging

De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering, omdat niet kan worden vastgesteld of de door haar overgelegde offerte betrekking heeft op het strafbare feit en evenmin of de herstelkosten daadwerkelijk zijn betaald.

5.2.4.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het onder feit 3 gepleegde strafbare feit. De vordering wordt toegewezen, omdat deze voldoende is onderbouwd en de verdediging de vordering met onvoldoende argumenten heeft weersproken. De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de door de benadeelde partij overgelegde offerte, nu het kenteken overeenkomt met dat in de aangifte en de herstelwerkzaamheden passen bij de door de verdachte gepleegde vernieling.

5.3.

[benadeelde partij 3]

5.3.1.

Vordering

[slachtoffer 12] heeft voor feit 3 als benadeelde partij € 6.313,78 als vergoeding voor materiële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

5.3.2.

Standpunt van de officier van justitie

De vordering van de benadeelde partij kan geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

5.3.3.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen opmerkingen gemaakt ten aanzien van deze vordering.

5.3.4.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het onder feit 3 gepleegde strafbare feit. De verdediging heeft de vordering niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering wordt daarom toegewezen. Dit betekent dat de verdachte € 6.313,78 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.

5.4.

[benadeelde partij 4]

5.4.1.

Vordering

[benadeelde partij 4] heeft voor feit 3 als benadeelde partij € 2.149,68 als vergoeding voor materiële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

5.4.2.

Standpunt van de officier van justitie

De vordering van de benadeelde partij kan geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

5.4.3.

Standpunt van de verdediging

De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering, omdat de toelichting onvoldoende duidelijk is.

5.4.4.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De verdediging heeft de vordering van de benadeelde partij met argumenten betwist. De verdediging stelt – kort samengevat – dat de vordering onvoldoende duidelijk is, omdat de vordering als datum strafbaar feit ’29 mei 2025’ vermeldt en als datum schademelding ’25 januari 2024’. Dit terwijl de factuur dateert van 1 november 2024 en verwijst naar een opname op 30 september 2024. De beoordeling van de vordering vraagt om een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk bewijslevering. De behandeling van de vordering levert daarom een onevenredige belasting van het strafproces op. Dit betekent dat de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering verklaart. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

5.4.5.

Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel

De verdachte moet de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] een schadevergoeding betalen zoals hierboven vermeld.

De benadeelde partijen hebben gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. Voor de benadeelde partij [benadeelde partij 1] wordt de wettelijke rente bepaald op de einddatum van het bewezenverklaarde, zodat de wettelijke rente vanaf 20 mei 2025, zal worden toegewezen. Voor de benadeelde partijen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] wijst de rechtbank de wettelijke rente toe vanaf de datum waarop de strafbare feiten zijn gepleegd.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zullen maken, omdat de vorderingen van de benadeelde partijen (grotendeels) worden toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partijen.

Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast. Voor de toegewezen vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 65 dagen, voor de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] maximaal 14 dagen en voor de vordering van [benadeelde partij 3] maximaal 56 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Vordering [benadeelde partij 4]

Voor de benadeelde partij [benadeelde partij 4] geldt dat zij in haar vordering niet-ontvankelijk is. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. De rechtbank veroordeelt de benadeelde partijen in de proceskosten die de verdachte heeft gemaakt bij de verdediging van de vorderingen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.

5.4.6.

Schematisch overzicht schadevergoedingen

Bovengenoemde beslissingen zijn opgenomen in onderstaande tabel.

Benadeelde partij

Feiten

Toegewezen materiële schade

Toegewezen immateriële schade

Totaal toegewezen schade

Wettelijke rente vanaf

Aantal dagen gijzeling

[benadeelde partij 1]

1,2 en 3

€ 8.000,-

€ 8.000,-

20-05- 2025

65

[benadeelde partij 2]

3

€ 1.400,-

€ 1.400,-

18-12-2023

14

[benadeelde partij 3]

3

€ 6.313,78

€6.313,78,-

24-07- 2024

56

6 Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf en maatregelen is gebaseerd op de artikelen 36f, 37a, 37b, 38v, 38w, 38z, 47, 57, 63, 285, 285b en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

7 Beslissingen

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1,2 en 3, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf en maatregelen

Gevangenisstraf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 18 (achttien) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

Tbs-maatregel

beveelt dat de verdachte voor feiten 1 en 2 ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege wordt verpleegd;

Vrijheidsbeperkende maatregel (art. 38v Sr)

legt de verdachte voor de bewezenverklaarde feiten op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 5 (vijf) jaar, inhoudende dat de verdachte:

1. zich niet bevindt in het stadsdeel [stadsdeel] te [plaats 2] , gedurende vijf jaar na de datum van dit vonnis;

2. op geen enkele wijze direct of indirect contact zoekt of heeft met [slachtoffer 1] , geboren op geboren op [geboortedatum 2] 1975 te [geboorteplaats 2] , gedurende vijf jaar na de datum van dit vonnis,

bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 2 (twee) weken, met een totale duur van ten hoogste zes maanden;

beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;

Gedragsbeïnvloedende maatregel (art. 38z Sr)

legt de verdachte de bewezenverklaarde feiten op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking;

Vorderingen benadeelde partijen

[benadeelde partij 1]

veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1] (feiten 1,2 en 3), te betalen een bedrag van € 8.000,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 20 mei 2025 tot de dag van volledige betaling.

wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte voor de feiten 1,2 en 3 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] aan de staat € 8.000,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 20 mei 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 65 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.

[benadeelde partij 2]

veroordeelt de verdachte, aan de benadeelde partij [benadeelde partij 2] (feit 3), te betalen een bedrag van € 1.400,- als vergoeding van materiële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 18 december 2023 tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte voor feit 3 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] aan de staat € 1.400,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 18 december 2023 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 14 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed;

[benadeelde partij 3]

veroordeelt de verdachte, aan de benadeelde partij [benadeelde partij 3] (feit 3), te betalen een bedrag van € 6.313,78 als vergoeding van materiële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 24 juli 2024 tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte voor feit 3 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] aan de staat € 6.313,78 te betalen, en de wettelijke rente vanaf 24 juli 2024 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 56 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.

[benadeelde partij 4]

verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 4] niet-ontvankelijk in de vordering (feit 3); bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering, en begroot deze kosten op € 0.

8 Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R.H. Kroon, voorzitter,

en mrs. J.C. Tijink en R.S. Mackor, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. E.H. Karakus en E. de Jong, griffiers,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 29 oktober 2026.

Mrs. Tijink en Mackor zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage - Bewijsmiddelen

De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:830 (Landeck). Arrest van de Hoge Raad van 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409.