Strafrecht overig

Diefstal van iPhone bij Coolblue waarbij een winkelmedewerker met een mes in zijn arm is gestoken en een…

Rechtbank Rotterdam, 3 november 2026

Zaakgegevens

Op 3 november 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
3 november 2026
Datum publicatie
5 november 2026
Zaaknummer
10.176077.26, TUL: 10.219923.25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:15422
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Diefstal van iPhone bij Coolblue waarbij een winkelmedewerker met een mes in zijn arm is gestoken en een winkeldiefstal van een sieradenset van Swarovski.

De verdachte is in verminderde mate toerekeningsvatbaar en wordt veroordeeld toe een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10.176077.26

Parketnummer vordering tenuitvoerlegging (TUL): 10.219923.25

Datum uitspraak: 3 november 2026

Datum zitting: 20 oktober 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2007 in [geboorteplaats] ,

ingeschreven op het adres: [adres] , [postcode] [woonplaats] ,

gedetineerd in de penitentiaire inrichting [locatie] .

Raadslieden van de verdachte: mrs. M.J.E. Kallen en. S. van Merm

Officier van justitie: mr. M. Kruit

Benadeelde partij: [benadeelde partij]

Advocaat van de benadeelde partij: mr. F.J.M. Hamers

1 Kern van het vonnis

De verdachte wordt veroordeeld voor diefstal van een iPhone, waarbij hij een winkelmedewerker met een mes in zijn arm heeft gestoken. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld voor een winkeldiefstal van een sieradenset van Swarovski. De rechtbank rekent de feiten in verminderde mate aan de verdachte toe en legt hem een gevangenisstraf op voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest.

2 Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – op 18 juni 2026 een iPhone heeft gestolen en daarbij met een mes in de arm van een winkelmedewerker heeft gestoken, waardoor deze zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Daarnaast wordt de verdachte ervan beschuldigd dat hij op 1 juni 2026 uit een winkel een doosje met een sieradenset heeft gestolen.

De volledige tenlastelegging houdt in dat de verdachte:

1

op of omstreeks 18 juni 2026 te Rotterdam een iPhone 17 Pro Max, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Coolblue, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door met een

mes in de (boven)arm van die [slachtoffer] te steken, terwijl dat feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad;

2

op of omstreeks 1 juni 2026 te Rotterdam een sieradenset van het merk Swarovski, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Swarovski Netherlands B.V., in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

3 Bewijs

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat beide feiten waarvan de verdachte wordt beschuldigd worden bewezenverklaard.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van beide feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

Bewezen is dat de verdachte:

1

op 18 juni 2026 te Rotterdam een iPhone 17 Pro Max, die aan Coolblue toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om zich die wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door met een mes in de bovenarm van die [slachtoffer] te steken, terwijl dat feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad;

2

op 1 juni 2026 te Rotterdam een sieradenset van het merk Swarovski, die aan Swarovski Netherlands B.V toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om zich die wederrechtelijk toe te eigenen.

De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft de feiten 1 en 2 bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor deze feiten de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.

Feit 1

1. Verklaring van de verdachte

2. Verklaring van [slachtoffer]

3. Schriftelijk stuk, Forensisch Medische Letselinformatie van 17 september 2026

Feit 2

1. Verklaring van de verdachte

2. Verklaring van [persoon A]

4 Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

Feit 1: diefstal vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;

Feit 2: diefstal.

Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

5 Straf

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor de feiten 1 en 2 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met oplegging van de bijzondere voorwaarden die in het rapport van de reclassering staan vermeld.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gepleit voor een gevangenisstraf van enkele maanden en daarbij aansluiting te zoeken bij de richtlijnen passend bij een winkeldiefstal met geweld en rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Oordeel van de rechtbank

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal met geweld van een iPhone bij de Coolblue. Toen de verdachte met de iPhone naar buiten wilde rennen en hij door een winkelmedewerker werd tegengehouden, heeft de verdachte met een mes in de arm van deze winkelmedewerker gestoken en is hij vervolgens met de telefoon de winkel uit gerend. Het slachtoffer heeft door de messteek zwaar letsel aan zijn arm opgelopen. De verdachte heeft niet stil gestaan bij de ernstige gevolgen van zijn handelen voor de winkelmedewerker, maar heeft alleen oog gehad voor zijn eigen behoeften. Dit soort strafbare feiten is in zijn algemeenheid schokkend voor de samenleving en zorgt voor gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers, wat ook is gebleken uit de toelichting op de vordering tot schadevergoeding van de aangever.

De verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal bij Swarovski Boutique Rotterdam door een doosje met daarin een sieradenset weg te nemen. Winkeldiefstallen zijn hinderlijke feiten die naast overlast ook schade opleveren voor de getroffen winkeliers.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

- Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 28 september 2026 blijkt dat de verdachte op 16 januari 2026 onherroepelijk is veroordeeld tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf voor soortgelijke strafbare feiten. Tijdens het plegen van de feiten in deze zaak liep verdachte nog in de proeftijd van deze eerdere veroordeling. Het strafblad van de verdachte leidt daarom tot een hogere straf.

- Rapporten van de deskundige en de reclassering

De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van de psycholoog [psycholoog] van 18 december 2025, dat is opgemaakt voor de hierboven genoemde zaak. Uit deze rapportage volgt dat de verdachte lijdt aan een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis en dat zijn gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van de tenlastegelegde feiten in die zaak door de stoornis werden beïnvloed. De psycholoog adviseerde om de feiten in een ten minste verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Deze feiten werden gepleegd in juli 2025.

Uit het rapport van Reclassering Nederland van 7 september 2026 volgt dat de verdachte in het kader van de eerdere veroordeling onder toezicht van de reclassering stond en werd behandeld bij de forensische behandelinstelling Fivoor.

Voorafgaand aan het huidige delict was bij de verdachte sprake van spanning en conflict in de relatie met zijn ouders, dakloosheid, negatieve sociale contacten, gebrek aan inkomsten en middelengebruik. De verdachte is gestopt met zijn medicatie en kwam zijn afspraken met de reclassering en de behandelaar minder goed na. Fivoor heeft met de wens van de verdachte om te stoppen met de medicatie ingestemd, zodat een nieuw diagnostisch onderzoek naar de verdachte kon worden gedaan. De eerdere aanwezige beschermende factoren vielen weg en de verdachte is in nauwelijks twee maanden na zijn vertrek uit zijn ouderlijk huis afgegleden. De belangrijkste risicofactoren worden gezien in het psychosociaal functioneren van de verdachte.

De omstandigheden waarin de verdachte vanaf april 2026 leefde hebben zijn psychische conditie negatief beïnvloed, waarbij het ambulante (behandel-)kader onvoldoende in staat is gebleken om tijdig in te grijpen op signalen. Het willen bepalen van zijn eigen leven door de verdachte zonder hierbij te beschikken over voldoende ziekte-inzicht, twijfels over zijn diagnose en het nut en de noodzaak van medicatiegebruik, maken dat de risico-inschatting na onderhavig delict door de reclassering als hoog wordt ingeschat. Een ambulant kader wordt hierbij als niet toereikend gezien. De verdachte is volgens de reclassering gebaat bij meer controle, meer structuur en meer concrete hulp. Deze ondersteuning kan hem geboden worden in een klinische setting, waarbij zijn twijfels over zijn psychotische episode(s) en medicatiegebruik, en eventueel aanvullende diagnostiek, in een veilige omgeving kunnen worden uitgewerkt. Daarna is een blijvend beschermende structuur gewenst in de vorm van begeleid of beschermd wonen. De psychische kwetsbaarheid van betrokkene is de grootste risicofactor en is iets waar hij nog mee moet leren omgaan. Dat het risico op delictgedrag hoog is indien hij hierin te vrij wordt gelaten, heeft de afgelopen periode uitgewezen.

Geadviseerd wordt om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een opname in een zorginstelling, een ambulante behandeling bij een forensische ambulante zorgverlener met mogelijke kortdurende opname, verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijk opvang en een verbod op het gebruik van verdovende middelen. De reclassering adviseert de dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden en het toezicht.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van deze rapporten, de stukken in het dossier en wat op de terechtzitting is besproken, vaststaat dat recentelijk bij de verdachte een psychische stoornis is vastgesteld. Met de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank het zeer aannemelijk dat deze stoornis ook aanwezig was bij de verdachte tijdens het plegen van de bewezenverklaarde feiten en daarin doorwerkte. Hij werd op dat moment onvoldoende voor de stoornis behandeld, mede omdat met instemming van de behandelaren door de verdachte geen medicatie meer werd ingenomen. De rechtbank zal daarom de feiten in verminderde mate aan de verdachte toerekenen.

- Overige persoonlijke omstandigheden

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij niet meer twijfelt aan de door de psycholoog vastgestelde diagnose, dat hij weet dat hij zijn medicatie moet gebruiken en van de drugs af moet blijven en dat hij mee zal werken aan de voorwaarden die in het rapport van de reclassering staan vermeld.

Oplegging straf

Bij de ernst van de bewezenverklaarde strafbare feiten en het strafblad van de verdachte past een gevangenisstraf. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van de strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De rechtbank houdt er verder rekening mee dat de feiten in verminderde mate aan de verdachte worden toegerekend. Een lagere of andere straf, zoals door de verdediging is bepleit, doet geen recht aan de ernst van de feiten en de recidive.

Alles afwegende legt de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden op.

De rechtbank ziet geen aanleiding om een deel van de voorgenomen gevangenisstraf voorwaardelijk aan de verdachte op te leggen. De verdachte heeft zich immers gedurende een proeftijd schuldig gemaakt aan een strafbaar feit. Voor een veroordeling met opnieuw een voorwaardelijk deel is daarom geen plaats. Wel is de rechtbank van oordeel dat de verdachte verdere behandeling en begeleiding nodig heeft en dat een strikter behandelingskader noodzakelijk is. De rechtbank zal daarom in de beslissing over de vordering tenuitvoerlegging de proeftijd met een jaar verlengen en de bijzondere voorwaarden wijzigen naar de bijzondere voorwaarden zoals opgenomen in het reclasseringsrapport van 7 september 2026.

De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

6 Vordering van de benadeelde partij

Vordering [benadeelde partij]

[slachtoffer] heeft als benadeelde partij voor feit 1 een bedrag van € 7.500,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de officier van justitie

De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De vordering van de benadeelde partij en de daaraan ten grondslag gelegde feiten zijn niet betwist.

Oordeel van de rechtbank

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare handelen van de verdachte immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen.

Deze schade wordt naar billijkheid begroot op € 7.500,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard en ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit) en de verwachting over het herstel. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend en is gekeken naar de Rotterdamse Schaal. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 7.500,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.

Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 18 juni 2026.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 62 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

7 Vordering tot tenuitvoerlegging

Vordering

De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 12 maanden, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden toegewezen.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de proeftijd te verlengen en de bijzondere voorwaarden te wijzingen conform de voorwaarden vermeld in het rapport van de reclassering.

Oordeel van de rechtbank

De nu bewezen feiten zijn tijdens de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de feiten heeft de verdachte zich niet gehouden aan de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen.

De rechtbank ziet toch af van de tenuitvoerlegging, gelet op wat hiervoor bij de oplegging van de straf is overwogen. De vordering wordt dus afgewezen. De rechtbank verlengt wel de proeftijd met 1 jaar en wijzigt de bijzondere voorwaarden zoals in het dictum staat vermeld.

8 Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 57, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissingen

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2, zoals in hoofdstuk 3 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat de bewezenverklaarde feiten oplevert de in hoofdstuk 4 vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 18 (achttien) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (parketnummer 10.219923.25)

wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de in het vonnis van 16 januari 2026 aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf;

verlengt de proeftijd van de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf met 1 (één) jaar;

wijzigt de voorwaarden verbonden aan het in het vonnis aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gedeelte van de gevangenisstraf, zodat deze komen te luiden als volgt:

1. Meldplicht bij reclassering

Dat betrokkene zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Indien opgenomen in een klinische setting zal de reclassering contact met betrokkene opnemen voor de eerste afspraak.

2. Opneming in een zorginstelling

Dat betrokkene zich tijdens de proeftijd laat opnemen in en behandelen door een nog te bepalen forensische instelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start aansluitend aan zijn detentie en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op de psychische problematiek en/of andere problematiek van betrokkene, met aandacht voor de functie van middelengebruik en het aanleren van alternatieven. Gelet op de problematiek zal onderdeel van de behandeling zijn dat betrokkene voorgeschreven medicatie gebruikt. Betrokkene houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt betrokkene mee aan de indicatiestelling en plaatsing.

3. Ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname

Dat betrokkene zich gedurende de proeftijd na afloop van een klinisch traject laat behandelen door een forensische ambulante zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op voortzetting en implementatie van hetgeen in een klinische setting behandeld en geleerd is en/of nieuwe behandel-onderwerpen die relevant worden bij een terugkeer in de samenleving. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat betrokkene voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik, zonder instemming stoppen met medicatiegebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van betrokkene dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat betrokkene zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing.

4. Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang

Dat betrokkene aansluitend aan een klinisch behandeltraject gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een soortgelijke instelling voor beschermd of begeleid wonen, te bepalen door de reclassering. Betrokkene houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.

5. Verbod verdovende middelen

Dat betrokkene gedurende de proeftijd geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Betrokkene moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

Geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Vordering benadeelde partij

veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde partij] (feit 1), te betalen een bedrag van € 7.500,- , als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 18 juni 2026 tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij] aan de staat € 7.500,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 18 juni 2026 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 62 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.

10 Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E. IJspeerd, voorzitter,

en mrs. I. Tillema en N.R. Rietveld, rechters,

in tegenwoordigheid van J. Spanner, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 3 november 2026.

De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier [dossiernaam] met nummer [dossiernummer] . Verklaard tijdens de zitting van 20 oktober 2026. Pagina 20 e.v. Forensisch Medische Letselrapportage van 17 september 2026, opgemaakt door [arts] , forensisch arts. Verklaard tijdens de zitting van 20 oktober 2026. Pagina 54 e.v.