Strafrecht overig

De verdachte wordt veroordeeld voor mishandeling door met een mes te steken en door tegen het hoofd te slaan…

Rechtbank Rotterdam, 9 april 2026

Zaakgegevens

Op 9 april 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
9 april 2026
Datum publicatie
20 april 2026
Zaaknummer
10.051196.23
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:4543
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De verdachte wordt veroordeeld voor mishandeling door met een mes te steken en door tegen het hoofd te slaan, en voor wederspannigheid bij zijn aanhouding. Er wordt een taakstraf van 180 uur opgelegd waarvan 60 uur voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van drie jaar.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10.051196.23

Datum uitspraak: 9 april 2026

Datum zitting: 26 maart 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1987 in [geboorteplaats],
zonder vaste woon- of verblijfplaats,

postadres: [postadres]

Advocaat van de verdachte: mr. L. Huigsloot

Officier van justitie: mr. H.A. van Wijk

Benadeelde partij: [benadeelde partij]

Kern van het vonnis

De verdachte wordt veroordeeld voor mishandeling door met een mes te steken (feit 2 meer subsidiair), door tegen het hoofd te slaan (feit 3 meer subsidiair) en voor wederspannigheid bij zijn aanhouding (feit 4). Er wordt een taakstraf van 180 uur opgelegd waarvan 60 uur voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van drie jaar.

1 Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – op 8 september 2022 heeft gepoogd [aangever] (aangever) opzettelijk van het leven te beroven, aangever opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door hem met een mes te steken en tegen het hoofd/in het gezicht te slaan (subsidiair heeft gepoogd hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen en meer subsidiair hem heeft mishandeld) en zich op 20 februari 2023 heeft verzet bij zijn aanhouding.

De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:

1

hij op of omstreeks 8 september 2022 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, één of meer (een) zwaaiende en/of stekende beweging(en), naar het hoofd en/of naar het lichaam van die [aangever] heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2

primair

hij op of omstreeks 8 september 2022 te Rotterdam, aan [aangever] opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel, te weten een snee van 2 cm lang en 3 cm diep in de linkerbil heeft toegebracht door met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de linkerbil te steken;

subsidiair

hij op of omstreeks 8 september 2022 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de linkerbil heeft

gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair

hij op of omstreeks 8 september 2022 te Rotterdam, [aangever] heeft mishandeld door met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de linkerbil te steken;

3

primair

hij op of omstreeks 8 september 2022 te Rotterdam, aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten gebroken linker boven- en onderkaak en/of gebroken oogkassen, heeft toegebracht door één of meermalen met een mes en/of hard voorwerp in/tegen het gezicht en/of op tegen het hoofd te slaan;

subsidiair

hij op of omstreeks 8 september 2022 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen één of meermalen met een mes en/of hard voorwerp in/tegen het gezicht en/of op

tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair

hij op of omstreeks 8 september 2022 te Rotterdam, [aangever] heeft mishandeld door één of meermalen met een mes en/of hard voorwerp in/tegen het gezicht en/of op tegen het hoofd te slaan;

4

hij op of omstreeks 20 februari 2023 te Rotterdam, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, [verbalisant 1] aspirant en/of [verbalisant 2] hoofdagent, beide werkzaam bij de Nationale Politie, eenheid Rotterdam, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn en haar bediening, te weten ter aanhouding van een gesignaleerde verdachte door met kracht tegen die [verbalisant 2] te duwen en/of zijn armen los te rukken/trekken en/of zich te bewegen en/of te rukken/trekken in een richting tegengesteld aan de richting waarin die [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] hem wilde(n) brengen en/of bewegen, terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel,

te weten (licht) opgezette jukbeen en/of rode en pijnlijke linker en rechter knie bij die [verbalisant 1] ten gevolge heeft gehad en/of te weten een opgezette rechter enkel bij die [verbalisant 2] ten gevolge heeft gehad.

2 Bewijs / Vrijspraak

2.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt vrijgesproken van de feiten 1 en 2 primair. De verdachte dient veroordeeld te worden voor de feiten 2 subsidiair, 3 primair en 4. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

2.2.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de feiten 1, 2 primair en subsidiair, 3 primair en subsidiair. Ten aanzien van feit 2 meer subsidiair en feit 3 meer subsidiair heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De verdachte dient volgens de verdediging voor feit 4 partieel vrijgesproken te worden voor wat betreft het letsel van de verbalisanten. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

2.3.

Oordeel van de rechtbank

2.3.1.

Bewezenverklaring

Bewezen is dat de verdachte op 8 september 2022 aangever tweemaal heeft mishandeld door hem met een mes in zijn linker bil te steken en hem tegen het hoofd te slaan (feit 2 meer subsidiair en feit 3 meer subsidiair). Tevens is bewezen dat de verdachte zich op 20 februari 2023 heeft verzet bij zijn aanhouding (feit 4). De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.6.

2.3.2.

Feit 1

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 1.

2.3.3.

Feit 2

primair

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van het onder 2 primair ten laste gelegde.

subsidiair

Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Hoewel uit de camerabeelden blijkt dat de verdachte een redelijk groot mes vasthield tijdens het incident en vaststaat dat aangever een steekwond heeft opgelopen in zijn linker bil, blijkt uit het dossier niet op welke manier is gestoken en met welke kracht of intensiteit dit is gebeurd. Uit het dossier en uit het naderhand geconstateerde letsel volgt niet zonder meer dat er een aanmerkelijke kans was dat aangever door de gedragingen van de verdachte zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen en dat de verdachte deze kans ook bewust heeft aanvaard. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van de onder 2 subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling.

meer subsidiair

Uit het dossier blijkt dat de verdachte met een mes in de linker bil heeft gestoken van aangever waardoor hij pijn heeft geleden en letsel is ontstaan. Dit betekent dat de rechtbank de meer subsidiair ten laste gelegde mishandeling wettig en overtuigend bewezen acht.

De bewezenverklaring van feit 2 meer subsidiair is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft het feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.

1. Verklaring van de verdachte

2. Schriftelijk stuk

3. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangever Kuyumdzhiev

4. Proces-verbaal van de politie, beschrijving camerabeelden

2.3.4.

Feit 3

primair en subsidiair

De verdachte heeft ter zitting bekend dat hij aangever de desbetreffende dag meerdere vuistslagen tegen het hoofd heeft gegeven. Nog los van de vraag of deze gedragingen bij aangever zwaar lichamelijk letsel hebben veroorzaakt, ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of de verdachte – al dan niet in voorwaardelijke zin – opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Het dossier bevat geen bewijs voor vol opzet aan de zijde van de verdachte. Ook voor voorwaardelijk opzet is er onvoldoende bewijs. Op basis van het dossier kan de rechtbank niet vaststellen met welke kracht en intensiteit de verdachte heeft geslagen. Daar komt bij dat de rechtbank ter zitting heeft waargenomen dat de verdachte niet lang is en een tenger postuur heeft. De verdachte heeft verklaard dat hij ongeveer 65 kilo weegt. Op basis van deze informatie kan de rechtbank niet vaststellen dat de kans op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel aanmerkelijk was en dat de verdachte die kans bewust heeft aanvaard. Nu de rechtbank tot het oordeel komt dat de verdachte geen opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel had, betekent dit dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van zowel de zware mishandeling (feit 3 primair), als de poging daartoe (feit 3 subsidiair).

meer subsidiair

Uit het dossier blijkt dat door het slaan tegen het hoofd van aangever letsel is ontstaan waardoor hij pijn heeft geleden, te weten een breuk in het jukbeen en twee breuken in de kaak. Dit betekent dat de rechtbank de meer subsidiair ten laste gelegde mishandeling wettig en overtuigend bewezen acht.

De bewezenverklaring van feit 3 meer subsidiair is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft het feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.

5. Verklaring van de verdachte

6. Schriftelijk stuk

7. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangever Kuyumdzhiev

2.3.5.

Feit 4

De verdachte heeft verklaard dat hij tijdens zijn aanhouding probeerde weg te rennen en tegen heeft gewerkt. Echter blijkt niet uit het dossier dat het letsel van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] door het verzet van de verdachte is veroorzaakt, aangezien andere personen zich met de aanhouding hebben bemoeid. De rechtbank spreekt de verdachte daarom partieel vrij van deze strafverzwarende omstandigheid.

De bewezenverklaring van feit 4 is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft het feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.

8. Verklaring van de verdachte

9. Proces-verbaal van de politie, verklaring [verbalisant 1]

2.3.6.

Volledige bewezenverklaring

Bewezen is dat:

2

meer subsidiair

hij op 8 september 2022 te Rotterdam, [aangever] heeft mishandeld door met een mes, in de linker bil te steken;

3

meer subsidiair

hij op 8 september 2022 te Rotterdam, [aangever] heeft mishandeld door meermalen tegen het hoofd te slaan;

4

hij op 20 februari 2023 te Rotterdam, zich met geweld heeft verzet tegen een ambtenaar, [verbalisant 1] aspirant en [verbalisant 2] hoofdagent, beiden werkzaam bij de Nationale Politie, eenheid Rotterdam, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn en haar bediening, te weten ter aanhouding van een gesignaleerde verdachte door met kracht tegen die [verbalisant 2] te duwen en zijn armen los te rukken/trekken en zich te bewegen en te rukken/trekken in een richting tegengesteld aan de richting waarin die [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hem wilden brengen en/of bewegen.

3 Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

2

meer subsidiair

mishandeling

3

meer subsidiair

mishandeling, meermalen gepleegd

4

wederspannigheid

3.2.

Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4 Straf

4.1.

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet voor de feiten 2 subsidiair, 3 primair en 4 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden met aftrek van voorarrest, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.

4.2.

Standpunt van de verdediging

Verzocht wordt om het grootste deel van de straf voorwaardelijk op te leggen.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft aangever op klaarlichte dag op straat mishandeld door hem met een mes in zijn bil te steken en meermalen tegen het hoofd te slaan. De verdachte heeft hierdoor bij aangever pijn en letsel veroorzaakt en zijn lichamelijke integriteit aangetast. Ook heeft hij maatschappelijke onrust veroorzaakt omdat het incident plaatsvond in een winkelgebied waar op dat moment meerdere mensen aanwezig waren die getuige waren van het incident. Op een later moment heeft de verdachte zich verzet tijdens zijn aanhouding en de verbalisanten tegengewerkt.

4.3.2.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 24 februari 2026 blijkt dat de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan de bewezen verklaarde feiten niet onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsfeiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.

4.3.3.

Oplegging straf

Taakstraf

Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een taakstraf passend. Bij het bepalen van de duur van de taakstraf houdt de rechtbank ook rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Ook houdt de rechtbank rekening met de ruime overschrijding van de redelijke termijn en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank legt een taakstraf op van 180 uur. Van deze taakstraf wordt 60 uur voorwaardelijk opgelegd. De rechtbank verbindt aan deze voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, te weten een meldplicht, ambulante behandeling, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, beheersing middelengebruik en ambulante begeleiding. Deze bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen.

5 Vordering van de benadeelde partij

5.1.

Vordering [benadeelde partij]

heeft als benadeelde partij voor feit 4 € 200,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

5.2.

Standpunt van de officier van justitie

De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

5.3.

Standpunt van de verdediging

De vordering van de benadeelde partij moet worden afgewezen.

5.4.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij af, omdat het causaal verband tussen het bewezenverklaarde feit en het letsel van [verbalisant 1] ontbreekt.

6 Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63, 181 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

7 Beslissingen

De rechtbank:

Vrijspraak

verklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 primair en subsidiair, 3 primair en subsidiair heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 2 meer subsidiair, 3 meer subsidiair en 4, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

Taakstraf

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 180 uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de taakstraf volgens de maatstaf van twee uur per dag, zodat 158 uur taakstraf moet worden verricht;

beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 79 dagen;

Voorwaardelijk strafdeel

bepaalt dat 60 uur van deze taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 (drie) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde dat:

- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;

stelt als bijzondere voorwaarden dat:

  1. de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak;

  2. de verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Fivoor GGZ of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op diagnostiek, verslavingsproblematiek, psychische problematiek en agressieregulatie. Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik, bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van de verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/ crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal zeven weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat de verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;

  3. de verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een door de reclassering nader te bepalen instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;

  4. de verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit

urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

5. de verdachte zich gedurende de proeftijd laat begeleiden door Stichting de Ontmoeting, of een soortgelijke instantie, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de begeleiding nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van begeleiding. De begeleiding is gericht op de leefgebieden huisvesting, dagbesteding, financiën en sociaal netwerk;

geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden genoemd onder nummer 1 tot en met 5 en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:

  • meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;

  • meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

Vordering benadeelde partij

wijst af de vordering van de [benadeelde partij] (feit 4).

8 Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C. Sikkel, voorzitter,

en mrs. L. den Teuling en E.H.N. van Hees, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H. Tchang, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 9 april 2026.

De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier Reinosa Verklaard tijdens de zitting van 26 maart 2026. Rapport van FARR, pagina 36 van het zaaksdossier. Pagina 12 e.v. van het zaaksdossier, proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 1]. Pagina 29 e.v. van het zaaksdossier, proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 2]. De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier Reinosa. Verklaard tijdens de zitting van 26 maart 2026. Rapport van FARR, pagina 36 van het zaaksdossier. Pagina 12 e.v. van het zaaksdossier, proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 1]. De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier Reinosa. Verklaard tijdens de zitting van 26 maart 2026. Pagina 38 e.v. van het zaaksdossier, proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 3].