Strafrecht overig

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag door het slachtoffer met kracht te stompen…

Rechtbank Rotterdam, 26 februari 2026

Zaakgegevens

Op 26 februari 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Dordrecht
Datum uitspraak
26 februari 2026
Datum publicatie
12 juni 2026
Zaaknummer
10/204363-25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:6762
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag door het slachtoffer met kracht te stompen en tegen het hoofd te schoppen. De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden op. De vordering van de benadeelde partij wordt gedeeltelijk toegewezen.

Uitspraak

Rechtbank RotterdaM
Zittingsplaats Dordrecht

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10/204363-25

Datum uitspraak: 26 februari 2026

Datum zitting: 5 februari 2026 en 26 februari 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1984 in [geboorteplaats 1] ( [geboorteland] ),

zonder vaste woon- of verblijfplaats,

gedetineerd in [naam detentiecentrum] , [detentieadres] .

Advocaat van de verdachte: mr. G. Özveren

Officier van justitie: mr. A. Boender

Benadeelde partij: [benadeelde partij]

Advocaat van de benadeelde partij: mr. F.J.M. Hamers

Kern van het vonnis

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag door het slachtoffer met kracht te stompen en tegen het hoofd te schoppen. De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden op. De vordering van de [benadeelde partij] wordt gedeeltelijk toegewezen.

1 Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij [slachtoffer] opzettelijk met kracht tegen het hoofd heeft gestompt en geschopt en zich daardoor schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag.

De volledige tenlastelegging houdt in dat

hij op of omstreeks 29 juni 2025 te Rotterdam
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
opzettelijk
een ander, te weten [slachtoffer]
van het leven te beroven,
- die [slachtoffer] meermaals althans eenmaal krachtig op/tegen het hoofd heeft
geslagen en/of gestompt en/of geschopt
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij op of omstreeks 29 juni 2025 te Rotterdam
aan een ander, te weten [slachtoffer]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door
- die [slachtoffer] meermaals althans eenmaal krachtig op/tegen het hoofd te slaan en/of
stompen en/of te schoppen;

meer subsidiair

hij op of omstreeks 29 juni 2025 te Rotterdam
[slachtoffer] heeft mishandeld, door
die [slachtoffer] meermaals althans eenmaal krachtig op/tegen het hoofd te slaan en/of
stompen en/of schoppen,
terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had.

2 Bewijs

2.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de primair ten laste gelegde poging tot doodslag. De door de verdachte verrichte handeling kan naar de uiterlijke verschijningsvorm daarvan worden aangemerkt als zozeer gericht op het veroorzaken van dodelijk letsel dat het, bij gebrek aan contra-indicaties daarvoor, niet anders kan zijn dan dat hij willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard.

2.2.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van het primair en subsidiair ten laste gelegde vrijspraak bepleit aangezien niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer door zijn toedoen zou komen te overlijden, dan wel zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De verdediging refereert zich ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde aan het oordeel van de rechtbank. Zo de rechtbank daarbij tot een bewezenverklaring komt, dient de verdachte te worden vrijgesproken om de reden dat hij zich met succes kan beroepen op noodweer.

De rechtbank begrijpt de verdediging zo dat de verdachte zich ten aanzien van de primaire en subsidiaire variant van de tenlastelegging eveneens met succes op noodweer kan beroepen, zij het dat dit dan niet zou moeten leiden tot vrijspraak, maar tot ontslag van alle rechtsvervolging, reden waarom dit zal worden geadresseerd onder “4. strafbaarheid van de verdachte”. Hetzelfde geldt voor hetgeen de verdediging tot slot heeft bepleit, te weten dat de verdachte een succesvol beroep op noodweerexces toekomt indien de rechtbank het beroep op noodweer niet zou honoreren.

De standpunten van de verdediging zullen dus, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs en de beoordeling van de strafbaarheid worden besproken.

2.3.

Oordeel van de rechtbank

2.3.1.

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag door [slachtoffer] meermaals met kracht te stompen en tegen het hoofd te schoppen. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.2.

De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.

1. Verklaring van de verdachte

Ik heb [slachtoffer] twee keer hard in het gezicht geslagen.

2. Proces-verbaal van de politie

Op 29 juni 2025 was ik verbalisant belast met de noodhulp in Rotterdam-Zuid. Ik werd naar het park de twee heuvelen, Kreekkade in Rotterdam gestuurd.

Ter plaatse zag ik een man op de grond liggen ter hoogte van de bankjes. Deze man bleek later te zijn;

-- [slachtoffer] , geboren [geboortedatum 2] -2006 te [geboorteplaats 2] --

Ik hoorde dat [slachtoffer] een snurkende ademhaling had en niet reageerde op aanspreken. Ik zag dat [slachtoffer] een hoofdwond had bij en rond zijn rechteroog. Ik zag dat deze wond bloedde. Ik hoorde dat [slachtoffer] af en toe zacht gorgelde. Hierop heb ik besloten de reanimatie te starten bij [slachtoffer] .

3. Proces-verbaal van de politie

In de periode van 7 t/m 18 juli 2025 werd op bevel van de Officier van Justitie en met machtiging van de Rechter Commissaris ex artikel 126m Sv het telecommunicatieverkeer, gevoerd door de aangehouden [verdachte] vanuit de penitentiaire inrichting via het TULP-nummer [nummer 1] afgeluisterd.

[nummer 2] 17-07-2025 21:21:37 [nummer 3] ( [verdachte] ) [nummer 4] (vader)

De [verdachte] belt met zijn vader en zegt dat hij het door had dat de andere

man (slachtoffer) onder invloed was. [verdachte] herhaalt het verhaal hoe het volgens hem is gegaan. [verdachte] denkt dat de man (slachtoffer) na de eerste vuistslag al in coma was beland.

Vervolgens vertelt [verdachte] dat hij hem nog 2 keer geschopt/getrapt heeft en 1 keer

geschopt/getrapt heeft tegen het hoofd van de man (slachtoffer), tegen zijn mond. Weer vertelt [verdachte] dat hij zijn bebloede sneakers weg had willen gooien en dat deze mee zijn

genomen door de politie als bewijs. Later in het gesprek vertelt [verdachte] weer dat hij de man (slachtoffer) 3 keer een vuistslag heeft gegeven en op de grond hem 2 keer heeft getrapt tegen zijn (slachtoffer) hoofd aan.

4. proces verbaal van de politie

In diverse tapgesprekken wordt gesproken over slaan/schoppen/mishandelen (het woord lovit). Omdat deze algemene omschrijving voor verwarring kan zorgen, heb ik navraag gedaan bij de Rbtv-ingeschreven tolk met tolknummer [nummer 5] . Zij gaf aan dat er in het Roemeens gespecificeerd zou moeten worden of het slaan/schoppen/mishandelen met de hand of met de voet is, omdat het anders allemaal mogelijk is.

In het tapgesprek van 17 juli 2025 om 21:21:37 uur, tussen [verdachte] en zijn vader, zegt [verdachte] wel specifiek dat hij geschopt heeft. Hij zegt dan: “Ik heb hem nog 2 keer geschopt/getrapt, 1 keer geschopt/getrapt, ik heb hem geraakt tegen zijn hoofd aan en tegen zijn mond aan, kut, ik weet het niet”.

5. Proces-verbaal van de politie

Tijdens het onderzoek werd kleding van verdachte in beslag genomen, waaronder een T-shirt en een paar schoenen die gedragen zouden zijn ten tijde van het incident. Het T-shirt werd door Team FO en het NFI onderzocht met in acht neming van de verklaring van verdachte dat hij door het slachtoffer was vastgepakt aan het voorpand van zijn T-shirt werd door DNA-vooronderzoekers van Team FO in (vijf) segmenten bemonsterd. Deze bemonsteringen zijn onderworpen aan DNA-onderzoek door het NFI. Ook zijn de schoenen van verdachte door NFI onderworpen aan DNA-onderzoek.

Scenario 1:

Het slachtoffer heeft verdachte aan de voorzijde van zijn T-shirt vastgepakt en hem op de borst geslagen.

Scenario 2:

Het slachtoffer heeft verdachte niet aan de voorzijde van zijn T-shirt vastgepakt en hem op de borst geslagen.

Aangenomen dat het slachtoffer het T-shirt van verdachte met (enige) kracht heeft vastgepakt dan wel zou hebben geslagen tegen de borst van het slachtoffer (scenario 1), is de verwachting dat er DNA van het slachtoffer op het T-shirt van verdachte aanwezig zou zijn. Dit sluit niet aan bij bovenstaande onderzoeksresultaten. De resultaten van het DNA-onderzoek aan het T-shirt van verdachte passen daarom beter bij scenario 2.

Scenario 3:

De schoenen zijn betrokken bij het geweldsincident.

Scenario 4:

De schoenen zijn niet betrokken bij het geweldsincident.

Onder de aanname dat de bloedsporen op de schoenen afkomstig zijn van dit specifieke incident en onder de aanname dat de bloedende hoofdwond de enige bloedende verwonding van het slachtoffer was, passen de resultaten van bovenstaande onderzoeken beter bij scenario 3.

6. Schriftelijk stuk

- Er werd zwelling gezien rond beide ogen en van het bindvlies van beide ogen, waarbij er links meer zwelling werd gezien dan rechts.

- Over het rechter ooglid en de rechter wenkbrauw werd een wond gezien, die door de arts werd beschreven als scheurwond (laceratie).

Op de CT-scan van het hoofd en het aangezicht op 30-06-2025 werd gezien:

- Een hersenbloeding onder het harde hersenvlies aan de rechter voorzijde met doorbraak van de bloedingen in de hersenkamers.

- Hersenbloedingen onder het spinnenwebbenvlies ter plaatse van de voorzijde, de rechter slaap en middenboven.

- Een breuk van de linker oogkas.

- Een breuk van de linker zijde van de onderkaak.

Op de CT-scan van het hoofd en het aangezicht op 09-07-2025 werd gezien:

- De bloeding onder het spinnenwebbenvlies was iets toegenomen ten opzichte van de eerdere scan.

- De breuk in de onderkaak was vastgezet met een metalen plaatje.

- Er werd een buisje operatief in de luchtpijp geplaatst (trachea canule), waarover beademd werd op de intensive care afdeling, deze kon op 22-07-2025 worden verwijderd.

2.3.2.

Bewijsmotivering


Vast staat dat op 29 juni 2025 in Park De Twee Heuvelen in Rotterdam een confrontatie heeft plaatsgevonden tussen [benadeelde partij] (hierna te noemen: het slachtoffer dan wel de benadeelde partij) en de verdachte. Tevens staat vast dat de verdachte tijdens deze confrontatie geweld heeft gepleegd tegen het slachtoffer. De verdachte heeft op voornoemde zitting bekend dat hij het slachtoffer tweemaal hard in zijn gezicht heeft geslagen. Omdat de verdachte in voornoemd telefoongesprek met zijn vader het woord ‘vuistslag’ heeft gebruikt, komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van stompen in plaats van slaan. Hoewel de verdachte heeft bestreden dat hij tijdens deze confrontatie het slachtoffer tegen zijn hoofd heeft geschopt, acht de rechtbank ook dit bewezen. De rechtbank stelt daarbij voorop dat de ontkenning van het schoppen in strijd is met wat de verdachte over het schoppen/trappen van het slachtoffer tegen het hoofd heeft gezegd tegen zijn vader in voornoemd telefoongesprek. Dat de verdachte heeft gehandeld zoals hij in dat gesprek heeft aangegeven, vindt bevestiging in het forensisch onderzoek dat is verricht, met name in scenario 3 waarbij de onderzoeksresultaten beter passen. Uit voornoemde Forensisch Medische Letselrapportage volgt voorts dat het slachtoffer zeer fors letsel aan zijn hoofd heeft opgelopen. Inherent hieraan is dat de rechtbank voorbij gaat aan de lezing van de verdachte, te weten dat het bloed van het slachtoffer op zijn schoenen is gekomen, omdat het slachtoffer bij zijn voeten op de grond is gevallen. De rechtbank acht die gang van zaken niet aannemelijk.


De verdachte heeft het slachtoffer (dat sterk onder invloed was van alcohol) twee keer hard in zijn gezicht gestompt en hem, toen hij op de grond was beland, met kracht tegen zijn hoofd geschopt. Het hoofd is een kwetsbaar lichaamsdeel. Wanneer, zoals hier het geval is geweest, op het hoofd fors geweld wordt uitgeoefend, onder meer met geschoeide voet, bestaat naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans dat letsel wordt toegebracht dat kan leiden tot de dood. In deze was het slachtoffer op het moment dat de politie hem aantrof ook daadwerkelijk reanimatiebehoeftig. Uit de aard van het handelen van de verdachte volgt voorts, naar uiterlijke verschijningsvorm, dat hij deze aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer bewust heeft aanvaard. Dat de aangever in dit geval niet is komen te overlijden, doet niet af aan de genoemde algemene ervaringsregels en staat volledig los van het handelen van de verdachte, die na de confrontatie weg is gefietst en het slachtoffer aan zijn lot heeft overgelaten.

Gelet op de hierna te noemen bewezenverklaring komt de rechtbank op deze plaats niet toe aan de bespreking van het beroep op noodweer.

2.3.3.

Volledige bewezenverklaring

Bewezen is dat:

Primair

hij op 29 juni 2025 te Rotterdam
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
opzettelijk [benadeelde partij] van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermaals krachtig tegen het hoofd heeft geslagen en/of gestompt en geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3 Kwalificatie

Het primair bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:

Poging tot doodslag

4 Strafbaarheid van de verdachte

De rechtbank overweegt ten aanzien van het beroep op noodweer dat dit alleen kan worden aanvaard als de gedraging van de verdachte als verdedigend kan worden aangemerkt, dat voor een geslaagd beroep op noodweer voorts is vereist dat de verdediging is gericht tegen een “ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding” van lijf, eerbaarheid of goed alsmede dat de verdediging tegen de aanranding noodzakelijk was en dat de gekozen wijze van verdediging geboden was.

Dat sprake is geweest van een dergelijke aanranding waartegen de verdediging van de verdachte gericht is geweest, is de rechtbank – gelet op wat daarover door en namens de verdachte is aangevoerd – onvoldoende gebleken. Zij merkt op dat de lezing van de verdachte dat het slachtoffer hem bij zijn shirt zou hebben vastgepakt, geen bevestiging vindt in voornoemd forensisch onderzoek. Het beroep op noodweer wordt daarom niet aanvaard. In het verlengde hiervan kan het beroep op noodweerexces evenmin worden aanvaard.

De verdachte is dus strafbaar.

5 Straf

5.1.

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren.

5.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met het feit dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Aan de verdachte moet een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ter hoogte van het voorarrest worden opgelegd.

5.3.

Oordeel van de rechtbank

5.3.1.

Ernst en omstandigheden van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag. Hij heeft het slachtoffer met kracht tegen het hoofd gestompt en terwijl het (mede als gevolg van alcoholgebruik verminderd weerbare) slachtoffer op de grond lag, met kracht tegen het hoofd geschopt. De verdachte heeft hiermee laten zien dat hij zonder belangwekkende aanleiding over is gegaan tot excessief geweld tegen een ander. De verdachte heeft het [slachtoffer] zodanig toegetakeld dat deze destijds heeft moeten vechten voor zijn leven en thans nog doende is met revalideren. De pijn en het leed dat door de verdachte is veroorzaakt, betrof niet alleen het slachtoffer, maar ook zijn dierbaren. Dit laatste is treffend verwoord door de broer van het [slachtoffer] , die namens het slachtoffer het spreekrecht heeft uitgeoefend, omdat het slachtoffer dit zelf (nog) niet kon. Dit alles neemt de rechtbank de verdachte bijzonder kwalijk.

5.3.2.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 5 januari 2026 en het Roemeense strafblad van de verdachte van 28 augustus 2025 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.

NIFP-rapport

In het Pro-Justitia rapport van [naam 1] (GZ-psycholoog) van 28 november 2025 staat onder meer het volgende.

“Bij betrokkene is sprake van een antisociale persoonlijkheidsstoornis en van zwakbegaafdheid.

Ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde was dit ook zo.

In algemene zin kan gesteld worden dat zijn gedrag en de manier waarop hij de wereld ziet, beïnvloed wordt door zijn antisociale persoonlijkheidsstoornis. Hij heeft gehandeld vanuit een egocentrisch en opportunistische houding, er lijkt hierbij echter geen sprake te zijn geweest van impulsiviteit. Vanuit zijn antisociale persoonlijkheidsstoornis kan hij prikkelbaar en agressief reageren. Betrokkene had op dat moment wel keuzemogelijk heden, echter heeft hij de keuze gemaakt om daar te blijven zitten en met het idee dat hij daar recht op had. Daarbij lijkt er geen sprake van spijt of wroeging. Indien de rechtbank het hem ten laste gelegde bewezen acht, kan worden verwacht dat de persoonlijkheidsproblematiek en beperkte cognitieve capaciteiten enigszins een rol hebben gespeeld in de hem ten laste ge legde feiten, echter onvoldoende om tot een verminderde toerekenbaarheid te komen. Boven staande leidt tot het advies om betrokkene het ten laste gelegde (indien bewezen) volledig toe te rekenen.”

Reclasseringsadvies

In het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 12 december 2025 staat onder meer het volgende.

“Bij een veroordeling adviseren wij een straf zonder bijzondere voorwaarden. Wij refereren ons aan het advies van het NIFP in de rapportage d.d. 28november 2025. Namelijk dat er gezien het feit dat er geen sprake is van een verminderde toerekenbaarheid ten aanzien van de hem tenlastegelegde feiten (de rechtbank begrijpt: het ten laste gelegde feit) er geen indicatie is voor de noodzaak van inzet van een forensisch kader.”

5.3.3.

Oplegging straf

Gelet op de ernst van het strafbare feit is het opleggen van een ander soort straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend. Bij het bepalen van deze strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. De rechtbank houdt verder rekening met de omstandigheid dat de verdachte uit een ander land dan Nederland afkomstig is, hij de Nederlandse taal niet machtig is en zijn sociale netwerk zich op grote afstand van hem bevindt, waardoor detentie hem vermoedelijk zwaarder zal vallen dan een gemiddelde gedetineerde.

De rechtbank ziet – mede gelet op het advies van de reclassering – geen toegevoegde waarde in het opleggen van bijzondere voorwaarden.

Gelet op het voorgaande wordt een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden opgelegd.

De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

6 Vordering van de benadeelde partij

6.1.

Vordering [benadeelde partij]

heeft als benadeelde partij € 31.069,74 als vergoeding voor materiële schade,
€ 50.000,- als vergoeding voor immateriële schade en € 10.000,- als vergoeding voor toekomstige schade (die zowel uit materiële als immateriële schade bestaat) gevorderd, de bedragen telkens te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

6.2.

Standpunt van de officier van justitie

De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van
€ 57.069,74, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

6.3.

Standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard moet worden in de vordering, gelet op de bepleite vrijspraak respectievelijk het bepleite ontslag van alle rechtsvervolging. Subsidiair verzoekt de verdediging de immateriële schade te matigen en de materiële schade gedeeltelijk af te wijzen.

6.4.

Oordeel van de rechtbank

6.4.1.

Materiële schade

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het gepleegde strafbare feit. De vordering wordt gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag ter hoogte van € 6.823,24. Bij de berekening van dit bedrag is de rechtbank bij schadepost ‘6. Huishoudelijke hulp’ uitgegaan van het subsidiair gevorderde bedrag groot
€ 159,50. Dit deel van de vordering is voldoende onderbouwd en de verdediging heeft dit deel van de vordering met onvoldoende argumenten weersproken.

De beoordeling van het overige deel van de vordering, dat overwegend bestaat uit de op de zitting mondeling aangevulde schadepost ‘5. Verlies aan verdienvermogen’ groot € 24.000,-, vraagt om een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk om bewijslevering en levert zodoende een onevenredige belasting van het strafproces op. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom in dit deel niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

6.4.2.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek.

Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 50.000,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. In tegenstelling tot hetgeen door de verdediging is bepleit, ziet de rechtbank geen aanleiding om het schadebedrag te matigen.

6.4.3.

Toekomstige schade

Nu niet concreet is onderbouwd dat deze gevorderde schade in de toekomst ook daadwerkelijk zal worden geleden, wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in dit deel van de vordering.

6.4.4.

Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel

De [benadeelde partij] heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 29 juni 2025.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de [benadeelde partij]
[benadeelde partij] heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (gedeeltelijk) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan voor de toegewezen vordering van [benadeelde partij] gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 247 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

7 Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is op de artikelen 36f, 45, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

8 Beslissingen

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals onder 2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie

stelt vast dat het bewezen verklaarde feit oplevert het onder 3 vermelde strafbare feit;

Strafbaarheid van de verdachte

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

Gevangenisstraf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 42 (tweeënveertig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

Vordering benadeelde partij

veroordeelt de verdachte aan de [benadeelde partij] te betalen een bedrag van
€ 56.823,24 als vergoeding van materiële- en immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 29 juni 2025 tot de dag van volledige betaling;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op nihil, en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte voor het feit de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij] aan de staat € 56.823,24 te betalen, alsmede de wettelijke rente hierover vanaf 29 juni 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 247 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.

9 Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P. Joele, voorzitter,

en mrs. D. van der Sluis en B.E.M. van Andel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.P. de Jong, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 26 februari 2026.

De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier Zaak Collis ([proces-verbaalnummer]) pagina 1 - 190. Verklaard op de zitting van 5 februari 2025. Pagina’s 3-4. Pagina’s 127-134. Pagina’s 147-148. Forensisch dossier bijbehorend bij TGO Collis [proces-verbaalnummer], pagina 1 – 11. Forensisch Medische Letselrapportage betreffende [benadeelde partij] van 30 januari 2026 opgemaakt door [naam 2], arts in opleiding tot specialist.