Strafrecht overig
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het openlijk in vereniging…
Rechtbank Rotterdam, 11 februari 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:6768 · Rechtbank Rotterdam · 11 februari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbrot-2026-6768
Zaakgegevens
Op 11 februari 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Dordrecht
- Datum uitspraak
- 11 februari 2026
- Datum publicatie
- 12 juni 2026
- Zaaknummer
- 09-249856-23
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:6768
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het openlijk in vereniging plegen van geweld. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen met aftrek van voorarrest. De vordering van de benadeelde partij wordt gedeeltelijk toegewezen.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 09-249856-23
Datum uitspraak: 11 februari 2026
Datum zitting: 28 januari 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1990 in [geboorteplaats],
ingeschreven op het adres:
[adres], [postcode] [plaatsnaam].
Advocaat van de verdachte: mr. N.M. van Wersch,
officier van justitie: mr. S.H. Stein,
benadeelde partij: [benadeelde partij],
advocaat van de benadeelde partij: mr. J.L.J. van Apeldoorn.
Kern van het vonnis
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het openlijk in vereniging plegen van geweld. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen met aftrek van voorarrest. De vordering van de benadeelde partij wordt gedeeltelijk toegewezen. De benadeelde partij wordt voor het overig gevorderde niet-ontvankelijk verklaard.
1 Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd.
De volledige tenlastelegging houdt in dat:
hij op of omstreeks 27 september 2023 te Den Haag, in elk geval in Nederland,
openlijk, te weten op of aan de openbare weg, Bep Bakhuijsweg, in elk geval op of
aan een openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een
voor het publiek toegankelijke ruimte, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen
een of meer perso(o)n(en), te weten [slachtoffer], welk geweld bestond uit het
- met (hoge) snelheid inrijden op en/of klemrijden van die [slachtoffer] met een auto
terwijl die [slachtoffer] wandelde en/of
- inzet van een taser (elektronisch stroomstootwapen) en/of
- (met kracht) slaan met de taser op het hoofd en/of lichaam en/of
- (met kracht) slaan met de vuist op het hoofd en/of lichaam en/of
- (met kracht) schoppen tegen het hoofd en/of lichaam
terwijl dit door hem gepleegde geweld de dood, althans zwaar lichamelijk letsel,
althans enig letsel, voor voornoemde [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;
( art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 141 lid 2 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)
2 Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het ten laste gelegde feit.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft zich, met uitzondering van specifieke ten laste gelegde gedragingen, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.2.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. Dit verkorte vonnis bevat geen bewijsmiddelen. Als hoger beroep wordt ingesteld, zal het vonnis worden aangevuld met een bijlage met daarin de opsomming dan wel de inhoud van de bewijsmiddelen. Het vonnis zal, indien nodig, tevens worden aangevuld met een bewijsmotivering aangaande de bewezenverklaring dan wel partiële vrijspraak van enkele specifieke ten laste gelegde gedragingen.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
hij op of omstreeks27 september 2023 te Den Haag, in elk geval in Nederland,
openlijk, te weten op of aan de openbare weg, Bep Bakhuijsweg, in elk geval op of
aan een openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een
voor het publiek toegankelijke ruimte, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen
een of meer perso(o)n(en), te weten [slachtoffer], welk geweld bestond uit het
- met (hoge) snelheidinrijden op en/of klemrijden van die [slachtoffer] met een auto
terwijl die [slachtoffer] wandelde en/of
- inzet van een taser (elektronisch stroomstootwapen) en/of
- (met kracht) slaan met de taser op het hoofd en/of lichaam en/of
- (met kracht) slaan met de vuist op het hoofd en/of lichaam en/of
- (met kracht) schoppen tegen het hoofd en/of lichaam
terwijl dit door hem gepleegde geweld de dood, althans zwaar lichamelijk letsel,
althans enig letsel, voor voornoemde [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.
3 Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4 Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen met aftrek van voorarrest.
Standpunt van de verdediging
Bij de strafoplegging moet rekening worden gehouden met het lange tijdsverloop sinds het feit werd gepleegd. Ook moet rekening worden gehouden met de aanleiding van het incident, namelijk dat de verdachte enkele weken eerder bewusteloos geslagen is door de aangever.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich op 27 september 2023 schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. De verdachte heeft samen met de medeverdachte het slachtoffer eerst klemgereden, daarna geslagen en vervolgens na een korte achtervolging nogmaals geslagen en geschopt. Hierbij is gebruik gemaakt van een zogenoemde taser, die is afgegaan en waarmee het slachtoffer ook is geslagen. Door aldus te handelen, heeft de verdachte een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 15 december 2025 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Reclasseringsadvies
In het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 23 november 2023 staat het volgende. De verdachte heeft zijn leven in praktisch opzicht op orde. Hij werkt als mantelzorger voor zijn vader. De verdachte heeft een stabiele huisvesting. De reclassering krijgt de indruk dat de gevolgen van het strafbaar handelen van de verdachte een behoorlijke impact op hem hebben, hetgeen een repressieve werking zou moeten hebben. Reclasseringsbemoeienis gericht op gedragsbeïnvloeding acht de reclassering daarom niet geïndiceerd. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden. Interventies of toezicht acht de reclassering niet nodig.
Redelijke termijn
De verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 27 september 2023, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van ongeveer 2 jaar en 4 maanden verstreken. Dit heeft gevolgen voor de op te leggen straf in het voordeel van de verdachte.
Oplegging straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Tevens zijn een overschrijding van de redelijke termijn en het feit dat de verdachte zijn leven inmiddels heeft gebeterd, meegewogen in de duur van de op te leggen gevangenisstraf. Gelet op al het voorgaande wordt een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen opgelegd. Dit is korter dan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Dat betekent dat de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis.
5 Vordering van de benadeelde partij
Vordering [benadeelde partij]
heeft als benadeelde partij € 1.338,92 als vergoeding voor materiële schade en € 4.375,00 als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 1.088,92 als vergoeding voor materiële schade en € 3.750,00 als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de schade.
Standpunt van de verdediging
De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering, gelet op de eigen schuld van de benadeelde partij.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in dit deel van de vordering, omdat dat onvoldoende is onderbouwd. De verdediging heeft de vordering van de benadeelde partij met argumenten betwist. De beoordeling van de vordering vraagt om een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk bewijslevering. De behandeling van de vordering levert daarom een onevenredige belasting van het strafproces op. De vordering voor zover die ziet op materiële schade kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen, waardoor hij op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van zijn immateriële schade.
De vergoeding voor immateriële schade wordt toegewezen tot een bedrag van € 1.000,00. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. Verder is acht geslagen op bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
Hoofdelijke veroordeling
De verdachte heeft het strafbare feit waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend, samen met een mededader gepleegd. Zij zijn daarom hoofdelijk aansprakelijk voor deze schade. Als de mededader de schade (voor een deel) heeft betaald, hoeft de verdachte (dat deel) niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 27 september 2023.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 10 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
6 Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht.
7 Beslissingen
De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
stelt vast dat het bewezen verklaarde feit oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 90 (negentig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader aan de [benadeelde partij] te betalen een bedrag van € 1.000,00 als vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 27 september 2023 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,-, en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor het feit de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij] aan de staat € 1.000,00 te betalen, alsmede de wettelijke rente hierover vanaf 27 september 2023 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 10 (tien) dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededader de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft/hebben vergoed.
8 Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. P. Joele, voorzitter,
en mrs. D.M. Douwes en J. Langeveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.P. de Jong, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 11 februari 2026.