Strafrecht overig
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag. De rechtbank acht de verdachte in…
Rechtbank Rotterdam, 12 januari 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:6790 · Rechtbank Rotterdam · 12 januari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbrot-2026-6790
Zaakgegevens
Op 12 januari 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 12 januari 2026
- Datum publicatie
- 12 juni 2026
- Zaaknummer
- 10/028959-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:6790
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag. De rechtbank acht de verdachte in verminderde mate toerekeningsvatbaar. De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 30 maanden en gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld. De rechtbank beveelt dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd. De terbeschikkingstelling kan langer duren dan vier jaar (oftewel ongemaximeerd). Ten slotte legt de rechtbank de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr op. De vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10/028959-25
Datum uitspraak: 12 januari 2026
Datum zittingen: 21 augustus 2025, 10 november 2015, 15 december 2025 en 12 januari 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1997 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres:
[adres] , [postcode] [plaatsnaam] ,
preventief gedetineerd in [naam PI] , [detentieadres] .
Advocaat van de verdachte: mr. J.J. Lieftink
Officier van justitie: mr. M.P.H. van Drunen
Benadeelde partij: [benadeelde partij]
Advocaat van de benadeelde partij: mr. J.J.F. Stoffels
Kern van het vonnis
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag, erin bestaande dat de verdachte het slachtoffer met een mes in diens hals had gestoken. Dit gebeurde kort nadat een eerder voor een soortgelijk feit aan hem voorwaardelijk opgelegde maatregel van terbeschikkingstelling was beëindigd. De rechtbank acht de verdachte in verminderde mate toerekeningsvatbaar. Zij legt een gevangenisstraf op voor de duur van 30 maanden en gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld. In weerwil van de adviezen van de deskundigen die Pro Justitia hebben gerapporteerd, beveelt de rechtbank dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd. De terbeschikkingstelling kan langer duren dan vier jaar (oftewel is ongemaximeerd). Ten slotte legt de rechtbank de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) op.
1 Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij [slachtoffer] opzettelijk met een mes in de nek of hals heeft gestoken en zich daardoor schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag.
De volledige tenlastelegging (de beschuldiging) houdt in dat
hij, op of omstreeks 25 januari 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een dergelijk scherp steek-/snijvoorwerp, in de nek/hals, althans in het lichaam, van die [slachtoffer] , heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij op of omstreeks 25 januari 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een snij/steekwond in de nek/hals, heeft toegebracht door meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een dergelijk scherp steek-/snijvoorwerp, in de nek/hals, althans in het lichaam, van die [slachtoffer] , te steken.
2 Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor poging tot doodslag. De door de verdachte verrichte handeling kan naar de uiterlijke verschijningsvorm daarvan worden aangemerkt als zozeer gericht op het veroorzaken van dodelijk letsel dat het, bij gebrek aan contra-indicaties daarvoor, niet anders kan zijn dan dat hij de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard.
Conclusie van de verdediging
Ook de verdediging meent dat ‘slechts’ sprake is van voorwaardelijk en niet van vol opzet op de dood van [slachtoffer] . Zij heeft in dit verband gewezen op de verklaring van de verdachte, de omstandigheid dat hij eenmaal heeft gestoken, de wijze waarop met het mes is uitgehaald en de plaats waar [slachtoffer] met het mes is geraakt.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag door [slachtoffer] opzettelijk met een mes in de hals te steken. Hierbij wordt uitgegaan van voorwaardelijk opzet. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.2.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft het feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd, maar niet uitgeschreven.
1. Verklaring van de verdachte.
2. Proces-verbaal van politie, verklaring aangever.
3. Schriftelijk stuk, FARR-verklaring.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
hij op 25 januari 2025 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, eenmaal met een mes in de hals van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
3 Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het primair bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
poging tot doodslag.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Standpunt officier van justitie
Voor zover de verklaring van de verdachte dient te worden opgevat als een beroep op noodweer, geldt dat dit beroep door de rechtbank niet moet worden gehonoreerd. Gelet op de adviezen in de Pro Justitia rapporten van de psychiater in opleiding tot rapporteur [naam 1] en psychiater [naam 2] van 23 mei 2025 alsmede van de klinisch psycholoog [naam 3] van 27 mei 2025 moet het strafbare feit door de rechtbank in verminderde mate aan de verdachte worden toegerekend.
Standpunt verdediging
Er wordt geen beroep op noodweer gedaan. Ten aanzien van de strafbaarheid van de verdachte geldt dat over zijn persoon uitgebreid is gerapporteerd door de voornoemde psychiaters en psycholoog. Zij komen tot de diagnoses: antisociale persoonlijkheidsstoornis en stoornis in het alcoholgebruik. Die stoornissen werkten ook door in het strafbare feit.
Uit voornoemd rapport van de psychiaters heeft de verdediging het navolgende voorgehouden:
“In de aanloop naar het tenlastegelegde zijn verschillende keuzemomenten waar betrokkene mogelijk wel invloed op zou kunnen hebben namelijk zijn houding ten aanzien van de behandeling, de inhoud van zijn dagbesteding, het bij zich hebben van een mes, de mate van contact met vader en zijn alcoholgebruik. Onderzoekers hebben weinig aanwijzingen dat betrokkene werkelijk in staat is om autonoom zijn leven vorm te geven bij het wegvallen van de strenge externe structuur. De mate waarin betrokkene in staat is om zelfstandig en met minder externe structuur in staat is te functioneren imponeert zeer beperkt. Er zijn geen perioden in het leven van betrokkene waaruit blijkt dat hij in staat is om zijn leven autonoom vorm te geven zonder strenge kaders. Betrokkene heeft overleefd in een chaotische jeugd met mishandeling, forse affectieve en pedagogische verwaarlozing en vervolgens heeft hij geleefd met veel externe structuur binnen de tbs.
Het verband tussen stoornis en tenlastegelegde feiten was zodanig dat de gedragskeuze hier aannemelijk tenminste gedeeltelijk door werd bepaald. Indien bewezen, is het gedragskundig advies om de ten laste gelegde feiten in verminderde mate aan betrokkene toe te rekenen.”
Gewezen is op de omstandigheid dat de psycholoog voornoemd eveneens heeft geadviseerd om het feit de verdachte in verminderde mate toe te rekenen.
Oordeel van de rechtbank
Het feit is strafbaar. Nu de diagnostische conclusies van de psychiaters en de psycholoog in hun Pro Justitia rapporten worden gedragen door hun bevindingen, neemt de rechtbank die conclusies over en maakt zij die tot de hare. De rechtbank stelt daarmee vast dat ten tijde van het bewezen verklaarde feit bij de verdachte sprake was van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met borderline trekken en een stoornis in alcoholgebruik (matig), dat deze stoornissen ten tijde van het ten laste gelegde feit aanwezig waren en de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte hebben beïnvloed. Om deze reden acht de rechtbank de verdachte, in navolging van de officier van justitie en de verdediging, voor het bewezen verklaarde feit in verminderde mate toerekeningsvatbaar. Er is geen overige omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
4 Straf en maatregelen
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor poging tot doodslag worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar, met aftrek van voorarrest. Daarnaast vordert de officier van justitie dat aan de verdachte een maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging (ongemaximeerd) en een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr worden opgelegd.
Standpunt van de verdediging
Onder verwijzing naar het artikel ‘Begrijpen wij elkaar?’ (Sancties 2025/18) en naar lagere jurisprudentie wordt verzocht om bij de hoogte van de door de rechtbank op te leggen gevangenisstraf rekening te houden met de verminderde mate van toerekenbaarheid en om aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaar (24 maanden) op te leggen, omdat de verdachte in dat geval zijn woning kan behouden. Hoewel de ernst van de zaak en de omstandigheid dat kort daarvoor de eerder voorwaardelijk opgelegde maatregel van terbeschikkingstelling was afgerond een maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot overheidsverpleging rechtvaardigen, is dit laatste in de visie van de verdediging niet noodzakelijk omdat sprake is van een alternatief, zoals uiteengezet in de Pro Justitia rapporten. De deskundigen hebben als juridisch kader geadviseerd om de maatregel van terbeschikkingstelling voorwaardelijk op te leggen, al dan niet startend met een klinische of – direct – met ambulante behandeling. Hiermee en met de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel van artikel 38z Sr zouden de risico’s afdoende kunnen worden beperkt. Anders dan de reclassering en in navolging van de deskundigen twijfelt de verdediging niet aan de responsiviteit van de verdachte.
Primair wordt verzocht om de voorwaarden zoals die door de reclassering in bijlage 2 bij het advies van 23 juli 2025 zijn geformuleerd, over te nemen met de variant van ambulante behandelingen, subsidiair met de variant van klinische behandeling als startpunt.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag: een ernstig strafbaar feit. De verdachte was op 25 januari 2025 in Rotterdam in restaurant Jaffo. Na een woordenwisseling met [slachtoffer] , die daar ook was, ontstond een fysieke worsteling. Andere aanwezigen probeerden de twee uit elkaar te halen. De verdachte pakte desondanks een mes, dat hij op dat moment bij zich droeg, maakte daarmee een stekende beweging in de richting van [slachtoffer] en raakte hem daarbij in zijn hals. De huid en het onderliggende spierweefsel zijn hierdoor doorboord geraakt. De verdachte heeft laten zien dat hij zonder belangwekkende aanleiding over is gegaan tot het gebruik van een mes tegen een ander. Hierbij is het meer geluk dan wijsheid dat [slachtoffer] dit kan navertellen. Hij kampt nog steeds met de mentale en fysieke gevolgen van het handelen van de verdachte en houdt hier een ontsierend litteken aan over. Een steekpartij in een restaurant, waar meerdere personen aanwezig zijn, veroorzaakt maatschappelijke onrust en draagt in zijn algemeenheid bij aan gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan, mede vanwege hetgeen hierna onder de subkop ‘Strafblad’ wordt overwogen.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 13 juni 2025 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld, ook voor soortgelijke strafbare feiten. De gelijkenis tussen het onderhavige feit en het eerste feit in het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 februari 2020, zijnde een poging tot doodslag door met een mes in het gezicht en schouder van dat slachtoffer te steken (ECLI:NL:RBZWB:2020:637) wordt benoemd, omdat de rechtbank hier zwaar aan tilt. In laatstgenoemd vonnis is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 377 dagen met aftrek en is diens terbeschikkingstelling onder voorwaarden gelast. Kort na de beslissing van dezelfde rechtbank van 9 januari 2025 (ECLI:NL:RBZWB:2025:264) waarin de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling onder voorwaarden is afgewezen, heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het onderhavige feit.
Rapporten van deskundigen en de reclassering en hun verklaringen op de zitting
Uit de hierboven reeds aangehaalde rapporten en de verklaringen van de deskundigen op de terechtzittingen van 21 augustus 2025 (enkel in de persoon van [naam 4] ) en 15 december 2025 volgt over de stoornissen van de verdachte, de recidiverisico’s en de responsiviteit op behandeling het volgende.
De stoornissen van de verdachte kennen een chronisch verloop. De ernst van de stoornissen buiten strenge kaders is moeilijk in te schatten, omdat de verdachte langdurig in een voorwaardelijke terbeschikkingstelling zat.
Bij de verdachte komt de antisociale persoonlijkheidsstoornis voornamelijk tot uiting in prikkelbaarheid, impulsiviteit, moeite om vooruit te plannen, het beperkt nemen van verantwoordelijkheid, handelen zonder na te denken over de gevolgen en het beperkt hebben van berouw. Bij de verdachte wordt ten minste vanaf zijn vijftiende jaar een patroon gezien met gebrek aan respect voor, en schending van de rechten van anderen. Uit het verleden blijkt dat deze stoornis onder invloed van alcohol in specifieke situaties, namelijk bij vermeende provocatie in het uitgaansmilieu, tot uiting komt in de vorm van ernstige delicten onder invloed, liegen, agressiviteit en geweldpleging.
In de directe aanloop naar het ten laste gelegde, is het verlopen van de voorwaardelijke terbeschikkingstelling de grootste verandering geweest. De verdachte is vanaf dat moment dagelijks alcohol gaan drinken en de hoeveelheid liep op tot excessief drinken op de avond van 25 januari 2025.
Onder verwijzing naar het Pro Justitia rapport van de psychiaters voornoemd, waaronder de uitgebreide risicoanalyse (blz. 23 e.v.), volgt dat de kans op herhaling van soortgelijke feiten hoog is in de situatie waar de verdachte geen toezicht heeft en laag-matig met toezicht. De belangrijkste beschermende factoren zijn de partner van de verdachte, zijn motivatie tot werken en de praktische zaken die geregeld zijn op het moment van het uitbrengen van het rapport.
De psychiaters achten langer durende ambulante behandeling noodzakelijk voor het op termijn komen tot voldoende vermindering van het recidiverisico. Zolang de verdachte ergens terecht kan, zien zij geen meerwaarde in klinische behandeling. De psychiaters voornoemd zijn van mening dat het gevaar voor anderen en de maatschappij voldoende beheerst kan worden binnen het kader van de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden en bij het slagen van de behandeling ook na de looptijd van de maatregel. Zij adviseren daarnaast een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38z Sr op te leggen, omdat er een kans bestaat dat behandeling opnieuw onvoldoende resultaat oplevert. Hiermee wordt het recidiverisico verlaagd na het verlopen van de maatregel van terbeschikkingstelling. Het wegvallen van toezicht binnen een juridisch kader en daarmee het wegvallen van de abstinentie, zien de psychiaters voornoemd als de grootste risicofactor voor een recidive.
Omdat de verdachte op de terechtzitting van 15 december 2025 heeft verklaard dat de relatie met zijn partner is geëindigd, adviseren de psychiaters in afwijking van de inhoud van hun rapport om (toch wel) te starten met een klinische behandeling.
Voornoemde psycholoog beschouwt het recidiverisico als matig-hoog, maar met behulp van een behandeling en langdurig toezicht wordt dit laag-matig. De behandeling zal volgens hem moeten starten met een klinische fase, waarbij een goede resocialisatie plaatsvindt en de overgang naar de thuissituatie intensief wordt begeleid. Hierdoor wordt het risico dat de verdachte weer overmatig alcohol gaat drinken (in de thuissituatie) verlaagd. Aansluitend kan de behandeling op ambulante basis worden voortgezet. Naast deze behandeling dient de verdachte langdurig toezicht te krijgen op het naleven van een alcoholverbod en dient hij ook verder te worden begeleid bij sociaal-maatschappelijke integratie.
Als juridisch kader heeft de psycholoog een deels voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarde de bovengenoemde behandeling overwogen, maar verworpen, dit vanwege het risico dat de verdachte zich hier niet aan zou houden en ervoor zou kiezen om het voorwaardelijke gedeelte ten uitvoer te laten leggen, als gevolg waarvan hij onbehandeld zou blijven en geen toezicht zou ontvangen. Vervolgens heeft de psycholoog de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden overwogen, zijnde een strakker en meer intensief juridisch kader dat de verdachte meer sturing en ondersteuning biedt wanneer hij zou twijfelen aan de behandeling en begeleiding. Deze maatregel biedt hem meer zekerheid dat hij behandeling en toezicht krijgt, waardoor hij niet in de verleiding zal komen om de behandeling en het toezicht af te houden, omdat hij de omzetting in een maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging niet wil. Het is van belang dat wanneer de periode van de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden is afgelopen, er een juridisch kader is om verder langdurig toezicht op de verdachte te houden en te interveniëren wanneer dit nodig is. Hierom adviseert ook hij de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen. De maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging acht hij niet noodzakelijk.
[naam 4] van Reclassering Nederland heeft op 23 juli 2025 een reclasseringsadvies uitgebracht. Daarin staat dat de reclassering negatief adviseert om de verdachte opnieuw een maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden op te leggen, welk advies wordt ingegeven door de volgende redenen. De reclassering twijfelt aan de motivatie van de verdachte. De verdachte heeft tijdens het afgelopen traject ruim de kans gehad om zowel in een klinisch kader als in een ambulant kader (de rechtbank: de door de psychiaters voornoemd thans geadviseerde) schematherapie te volgen. Geen van deze pogingen heeft geleid tot een positief eindresultaat. De reclassering heeft twijfels of de verdachte nu daadwerkelijk de motivatie heeft om aan zichzelf te werken, of dat dit meer een proceshouding is. Hij lijkt zichzelf te hebben overschat en het gebruik van alcohol lijkt de drempel weg te nemen die verdachte zo hard nodig heeft om niet terug te vallen in van jongs af aan aangeleerde gewelddadige patronen. Er is gebrek aan beschermende factoren. De verdachte heeft een belast verleden, geen steunend netwerk en forse persoonlijkheidsproblematiek. In een voorwaardelijk kader wordt vooral ingezet op resocialisatie en de reclassering denkt dat de verdachte meer intensieve behandeling nodig heeft om daadwerkelijk te komen tot gedragsverandering en inzicht in zijn problematiek. Het afgelopen traject heeft onvoldoende bij kunnen dragen aan het doorbreken van aangeleerde gedragspatronen die een negatieve invloed hebben op de resocialisatie, en heeft slachtoffers niet weten uit te sluiten.
De reclassering schat de risico’s anders in dan de psychiaters en de psycholoog voornoemd. De reclassering schat het risico op recidive in als hoog. Uit de OXREC blijkt een gemiddeld risico van 46% op recidive. De verdachte heeft kort na het afgelopen traject een nieuw delict gepleegd wat bijna hetzelfde is als het eerdere indexdelict. De eerder genoten behandeling is gestaakt, omdat de verdachte onvoldoende inzet toonde. Dit is destijds bij een verlengingszitting meegegeven aan de rechtbank. De rechtbank besloot indertijd dat de verdachte de behandeling niet voort hoefde te zetten en zich diende te richten op het stabiliseren van de leefgebieden.
De reclassering ziet het grootste risico in de van jongs af aan aangeleerde antisociale gedragspatronen. De verdachte heeft weinig zicht op zijn eigen tekortkomingen en lijkt de gevolgen van zijn keuzes niet te overzien. Hieruit voortvloeiend gebruikt hij overmatig alcohol wat leidt tot delictgedrag.
Het risico op letsel schat de reclassering in als gemiddeld tot hoog en het risico op het onttrekken aan de voorwaarden als gemiddeld.
De reclassering ziet geen mogelijkheden om met voorwaarden een gedegen risicomanagement vorm te geven. Factoren waarvan de reclassering eerder dacht dat deze een beschermde werking zouden hebben, zoals de relatie met zijn (de rechtbank: inmiddels ex-)vriendin, huisvesting, dagbesteding, netwerk en aangeleerde vaardigheden, hebben de verdachte er blijkbaar niet van weerhouden om grote hoeveelheden alcohol te drinken en met een mes op zak van huis te vertrekken. De reclassering kan daardoor nauwelijks nog spreken van beschermende factoren in het leven van de verdachte en acht het noodzakelijk dat binnen een stringent kader wordt gekeken naar wat nodig is om recidive te voorkomen. De reclassering denkt dat de behandeling veeleer gericht moet zijn op het aanpakken van de persoonlijkheidsproblematiek en inzicht in eigen gedrag dan op resocialisatie.
Bij een veroordeling tot de maatregel van terbeschikkingstelling of (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf adviseert de reclassering een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen, zodat gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden vervolgens toegepast kunnen worden. De stoornissen brengen risico's met zich mee, die naar verwachting nog steeds aanwezig zullen zijn na de maatregel van terbeschikkingstelling of gevangenisstraf, waardoor langdurig toezicht mogelijk dient te worden gemaakt.
De rechtbank deelt de twijfels van de reclassering aan de motivatie van de verdachte. Dit wordt ingegeven door de wijze waarop het afgelopen traject is verlopen. Hoewel daar de laatste twee jaar meer goed in is gegaan dan in de periode daarvoor - reden waarom het traject niet werd verlengd - kan uit de stukken worden opgemaakt dat de omstandigheid dat de verdachte na zijn klinische behandeling ambulant niet verder is behandeld, óók voor zijn rekening kwam. De twijfel wordt voorts ingegeven door hetgeen door de psycholoog voornoemd is overwogen bij het waarom van het passende juridische kader. Ook kan de rechtbank zich niet aan de indruk onttrekken dat de verdachte op de terechtzitting van
15 december 2025 met de mond meer belijdt dan hij kan overzien en waarmaken gelet op zijn persoon.
Het gebrek aan beschermende factoren stelt de rechtbank eveneens vast. De relatie met zijn partner, die eerder door de psychiaters als een van de belangrijkste beschermende factoren werd genoemd, is inmiddels verbroken. De praktische zaken die voor de verdachte geregeld waren, zoals een bijna ingerichte woning, eveneens gekenschetst als zo’n factor, hebben hem kennelijk niet weten te weerhouden van het plegen van een strafbaar feit.
In de inschatting van het risico op recidive en de onderbouwing daarvan door de reclassering kan de rechtbank zich in deze het meest vinden.
Gelet op het chronische verloop van beide stoornissen van de verdachte, de omstandigheid dat hij in het eerdere traject mede door zijn eigen toedoen hiervoor onvoldoende is behandeld en het hoge recidiverisico is de rechtbank van oordeel dat het juridisch kader zoals geadviseerd door de psychiaters en de psycholoog onvoldoende bescherming biedt voor de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen. Anders dan de verdediging ziet zij geen (volwaardig) alternatief voor de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging onder dwang.
Oplegging straf en maatregelen
Straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd aan verdachten die ten aanzien van het bewezen verklaarde handelen in verminderde mate toerekeningsvatbaar zijn geacht. Daarom en vanwege de hierna te noemen maatregel wordt een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden opgelegd.
Maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging onder dwang
De rechtbank oordeelt verder dat de verdachte ter beschikking moet worden gesteld en dat hij onder dwang moet worden verpleegd.
Er bestond bij de verdachte tijdens het plegen van het strafbare feit een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, namelijk een antisociale persoonlijkheidsstoornis met borderline trekken en een stoornis in alcoholgebruik (matig).
Daarnaast is het feit een misdrijf waarop in de wet een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld.
Gelet op de aard en ernst van het feit en het gevaar voor herhaling, eist de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en onder dwang wordt verpleegd.
De rechtbank legt de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging op voor poging tot doodslag. Dat is een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom kan de terbeschikkingstelling langer duren dan vier jaar.
Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel
De rechtbank legt ook de maatregel van artikel 38z Sr op. Hierdoor blijft toezicht op de verdachte mogelijk wanneer hij zijn straf heeft uitgezeten en de behandeling in het kader van de maatregel van terbeschikkingstelling verantwoorde terugkeer in de maatschappij mogelijk heeft gemaakt. De maatregel van artikel 38z Sr, die zo nodig levenslang kan duren, maakt het mogelijk voor het openbaar ministerie om, ook na het einde van de maatregel van terbeschikkingstelling, risico-inschattingen te maken en daarop aan het gedrag van de veroordeelde te stellen voorwaarden aan de rechter voor te leggen.
Aan de wettelijke vereisten voor opleggen van de maatregel van 38z Sr is voldaan, nu aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling wordt opgelegd en wel ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting.
5 In beslag genomen voorwerp
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het in beslag genomen mes wordt onttrokken aan het verkeer.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal het - uitklapbare - mes onttrekken aan het verkeer, nu met behulp hiervan het strafbare feit waarvoor de verdachte wordt veroordeeld, is begaan en het voorwerp van zodanige aard is, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.
6 Vordering van de benadeelde partij
Vordering [benadeelde partij]
heeft als benadeelde partij voor het feit € 4.500,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 4.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen, waardoor hij op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade.
Het gevorderde bedrag wordt toegewezen. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. Verder is acht geslagen op bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 25 januari 2025.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 45 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
7 Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf en maatregelen zijn gebaseerd op de artikelen 36b, 36c, 36f, 37a, 37b, 38e, 38z, 45 en 287 Sr.
8 Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals onder kop 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezen verklaarde feit oplevert het onder kop 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf en maatregelen
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 30 (dertig) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging onder dwang
beveelt dat de verdachte voor het feit ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege wordt verpleegd;
Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel
legt de verdachte voor het feit op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z Sr;
In beslag genomen voorwerpen
- verklaart onttrokken aan het verkeer het in beslag genomen mes;
Vordering benadeelde partij
veroordeelt de verdachte aan de [benadeelde partij] te betalen een bedrag van € 4.500,- als vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 25 januari 2025 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,-, en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor het feit de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij] aan de staat € 4.500,- te betalen, alsmede de wettelijke rente hierover vanaf 25 januari 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 45 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
9 Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. P. Joele, voorzitter,
en mrs. D. van der Sluis en J. Langeveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.P. de Jong, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 12 januari 2026.
Mr. P. Joele is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.