Strafrecht overig
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot…
Rechtbank Rotterdam, 27 januari 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:6795 · Rechtbank Rotterdam · 27 januari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbrot-2026-6795
Zaakgegevens
Op 27 januari 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 27 januari 2026
- Datum publicatie
- 12 juni 2026
- Zaaknummer
- 10/059508-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:6795
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot brandstichting. De rechtbank acht de verdachte in verminderde mate toerekeningsvatbaar. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 53 dagen.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10/059508-25
Datum uitspraak: 27 januari 2026
Datum zitting: 13 januari 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1959 in [geboorteplaats] ([geboorteland]),
ingeschreven op het adres:
[adres 1], [postcode] [plaatsnaam].
Advocaat van de verdachte: mr. S. Aytemur
Officier van justitie: mr. E. van Veen
Benadeelde partij: [benadeelde partij]
Kern van het vonnis
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot brandstichting. De rechtbank acht de verdachte in verminderde mate toerekeningsvatbaar. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 53 dagen.
1 Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat zij – samengevat – heeft gepoogd opzettelijk brand te stichten.
De volledige (op de terechtzitting gewijzigde) tenlastelegging houdt in dat:
zij op of omstreeks 24 februari 2025 te Zwijndrecht
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
opzettelijk
brand te stichten,
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten omliggende/aangrenzende woningen
en/of,
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten [persoon 1]
[persoon 1] en/of haar zoon ([persoon 2]) en/of schoondochter ([persoon 3]) en/of
kleindochter ([persoon 4]) en of de bewoners van de aangrenzende woningen
te duchten was
- open vuur in aanraking heeft gebracht met een doek
en deze (brandende) doek door het geopende raam heeft gegooid
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
( art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 157 ahf/sub 2 Wetboek van
Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
2 Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het ten laste gelegde.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde feit. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
De bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
1. Verklaring van de aangever
Op 24 februari 2025 hoorde ik een persoon die mij opgaf te zijn:
Achternaam: [achternaam]
Voornamen: [voornaam]
Adres: [adres 2]
Op 24 februari 2025 was ik bezig met het schoonmaken van de gang. Vanuit de gang had ik zicht op de logeerkamer. Het raam van de logeerkamer stond op een kiertje open. De logeerkamer bevindt zich aan de voorzijde van de woning. De logeerkamer grenst aan de gang. In de logeerkamer bevindt zich een bed; dit bevindt zich onder het raam. Naast dit bed staat een kinderbedje. In de logeerkamer lagen mijn zoon, kleindochter en schoondochter te slapen.
Om 13.25 uur zag ik dat het raam van de logeerkamer open werd geduwd. Ik zag dat er door dit raam een doek met vuur de logeerkamer in kwam. Ik zag dat deze doek op mijn zoon zijn hoofd terecht kwam. Ik zag dat mijn zoon het doekje vastpakte en dit doekje uitsloeg op het logeerbed.
Ik zag dat mijn buurvrouw dit doekje in mijn woning gooide. Ik herkende de buurvrouw doordat ik heel erg goed met haar omging. Dit is de buurvrouw van [huisnummer 1]. Toen ik dit zag gebeuren, bevroor ik; ik was alleen bang voor mijn kleindochter. Ik zag dat mijn zoon heel snel reageerde hierop.
Na dit incident zag ik dat er zich kleine brandplekken bevinden in mijn logeerbed. Ik heb de doek in een plastic zakje gedaan.
2. Verklaring van de getuige
Mijn schoonouders wonen hier. Vandaag waren wij hier op bezoek. Mijn man [persoon 2] en mijn kind [persoon 4] lagen in de slaapkamer in een tweepersoonsbed. Deze kamer bevindt zich aan de kant van de galerij. Wanneer je voor de voordeur staat en kijkt in de richting van de voordeur, bevindt de kamer zich aan de rechterkant. Het raam van de slaapkamer stond open. Het stond open op een kier, maar wanneer je tegen het raam duwt, kan het wel verder open. Voor dit raam zit een rolgordijn; dit stond op dat moment ook omhoog. Zelf kwam ik uit de badkamer. De badkamer grenst aan de slaapkamer waar mijn man en kind lagen en alle deuren stonden open. Ik kon de kamer dus goed zien. Ik kon ook het openstaande raam goed zien, want dat zit recht tegenover de toegangsdeur van de slaapkamer.
Ik wilde vanuit de badkamer richting de slaapkamer lopen, want ik was bezig met het verschonen van mijn kind. Ik keek dus in de richting van de slaapkamer. Opeens zag ik de buurvrouw van [huisnummer 1] voor het openstaande raam staan en zag ik dat ze het raam verder openduwde. Vervolgens zag ik dat de buurvrouw iets brandends de kamer in gooide. Ze zei ‘alsjeblieft’ toen ze het voorwerp naar binnen gooide. Vervolgens zag ik dat de buurvrouw weer in de richting van haar woning liep.
Ik zag dat er een brandend doekje naast mijn man lag, bijna tegen zijn haar aan. Het bed staat namelijk met de kopse kant tegen het raam aan. Mijn man pakte toen meteen het doekje en rende richting de badkamer om het onder de kraan te houden. In de kamer was wel wat rook. Verder was er een klein brandplekje op het bed; dat heb ik u laten zien.
Ik herkende de buurvrouw doordat zij wel eens bij mijn schoonmoeder op de koffie is. Mijn man heeft een plastic zakje gepakt om de doek in te leggen.
3. Proces-verbaal van de politie
Op 24 februari 2025 uur waren wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], belast
met de incidentenafhandeling in het gebied Drechtsteden-Buiten van de eenheid
Rotterdam. Omstreeks 13.34 uur kregen wij de opdracht van het Operationeel
Centrum Rotterdam om te gaan naar het [adres 2].
Toen wij, verbalisanten, op de eerste etage aankwamen, zagen wij bij [huisnummer 1] de
voordeur opengaan. Wij wisten vanuit de melding dat hier mogelijk degene zou wonen
die de brandende doek bij [huisnummer 2] naar binnen zou hebben gegooid. Aanrijdend hadden
wij in de geautomatiseerde systemen van de politie een foto gezien van de bewoonster
van [huisnummer 1]. Ter plaatse zagen wij dat de mevrouw die uit de woning met
[huisnummer 1] kwam, overeen kwam met deze foto. Na later onderzoek bleek dit te gaan
om:
[verdachte]
[verbalisant 1] belde vervolgens aan bij de woning met [huisnummer 2]. [persoon 2] liet [verbalisant 1] in de woning binnen. [verbalisant 1] zag dat er zich in de badkamer, in de gootsteen, een handdoek bevond, die beige van kleur was met gele strepen. [verbalisant 1] zag dat er zich op de handdoek zwarte schroeiplekken bevonden, vermoedelijk afkomstig van brand.
Ik, [verbalisant 1], hoorde dat [persoon 2] tegen mij zei dat zijn dochter aan het slapen was op bed, in de slaapkamer. Hij zei dat het raam in de slaapkamer op een kier openstond. Hij vertelde dat hij een geluid hoorde dat uit de richting kwam van de slaapkamer. Hij dacht dit te herkennen als een raam dat opensloeg tegen de muur. Hij vertelde dat hij daarom naar het raam keek en zag dat de buurvrouw een brandende handdoek naar binnen gooide, die terecht kwam op het bed waar zijn dochter op aan het slapen was. Hij vertelde dat hij de handdoek heeft weggehaald en het vuur heeft uitgemaakt. Verbalisanten roken in de slaapkamer een geur die wij herkenden als zijnde een brandgeur.
Gezien vanaf de ingang van deze slaapkamer bevindt zich aan de rechterzijde, tegen de achterzijde van de kamer, een tweepersoonsbed. Aan de achterzijde van dit bed, aan de kant van de muur, bevonden zich twee kussens op het bed. Dit was te herkennen als het hoofdeinde van het bed. Op dit bed bevond zich een deken met een hoeslaken hieromheen. Aan de linkerzijde van de kamer, tegen de achterzijde van de kamer, bevond zich een houten kinderledikant. Boven het hoofdeinde van het tweepersoonsbed bevindt zich het raam. Gezien vanaf de ingang van de slaapkamer bevindt zich in de rechterzijde van het raam het kantelraam zoals eerder beschreven. De slaapkamer had een geschatte afmeting van 2,5 bij 3 meter.
4. Proces-verbaal van de politie
Ik, [verbalisant 3], had vervolgens een onderzoek gedaan in de slaapkamer waar de brandbare doek door het raam was gegooid. Ik zag dat de slaapkamer grensde aan de galerij. Ik zag dat gezien vanaf de voordeur, kijkende in de richting van de woning, de slaapkamer zich rechts naast de voordeur bevindt. Ik zag dat de slaapkamer via de gang, vanuit de woonkamer, te bereiken is. Ik zag dat naast de slaapkamer een badkamer zit. Ik zag gezien vanuit de toegangsdeur van de slaapkamer, kijkende vanuit de hal en kijkend in de richting van de slaapkamer, van links naar rechts: een kast, een wieg en een tweepersoonsbed. Ik zag dat het tweepersoonsbed met de achterkant tegen het raam aan de galerij grensde. Ik zag dat tijdens mijn onderzoek het raam dicht stond en het rolgordijn dicht was. Ik hoorde [persoon 2] tegen mij zeggen dat ten tijde van het incident het rolgordijn omhoog was en het raam op een kier stond. Ik zag op het bed een klein zwart plekje, dat leek op een brandplekje.
Bewijsmotivering
De verdediging heeft gesteld dat er objectief steunbewijs voor de verklaring van de aangeefster mist. De verklaringen lopen immers uiteen en er kan niet worden gesproken van onafhankelijke getuigen. De verklaringen zijn onbetrouwbaar aangezien de getuigen door elkaar heen spraken bij het opnemen van hun verklaringen.
Hoewel de verdediging er terecht op heeft gewezen dat de verklaringen van de aangeefster en de getuige op onderdelen niet geheel overeenkomen, zal de rechtbank deze verklaringen bezigen voor het bewijs van het ten laste gelegde feit. De verklaringen komen in essentie met elkaar overeen daar waar deze zien op de wijze waarop de verdachte, die zij allen herkennen als de buurvrouw, de brandende doek via het raam de woning in gooide. De verklaringen passen voorts bij de bevindingen van de politiemensen, die de zwarte schroeiplekken op de betreffende doek en de zwarte plek op het bed constateerden en een brandgeur roken. Dat de verklaringen op detailniveau niet geheel overeenkomen, doet daaraan niet af.
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er geen levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen te duchten was, zodat de verdachte daarvan (partieel) zal worden vrijgesproken.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
zij op 24 februari 2025 te Zwijndrecht
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
opzettelijk
brand te stichten,
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten omliggende/aangrenzende woningen
te duchten was
- open vuur in aanraking heeft gebracht met een doek
en deze brandende doek door het geopende raam heeft gegooid,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
3 Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
Poging tot opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Beroep op schulduitsluitingsgrond
De verdediging heeft verzocht de verdachte wegens volledige ontoerekeningsvatbaarheid te ontslaan van alle rechtsvervolging. Aan alle vereisten voor volledige ontoerekeningsvatbaarheid is voldaan: er is sprake van een ziekelijke stoornis, er bestaat een causaal verband tussen deze stoornis en het delict en de stoornis was zodanig aanwezig dat dit toerekening van het strafbare feit aan de verdachte in de weg staat. Doordat de verdachte de realiteit afwijkend waarnam, heeft zij de wederrechtelijkheid van haar handelen niet begrepen. Zij kon geen adequate sturing geven aan haar handelen en denken. De verdediging heeft in dat kader verzocht niet mee te gaan in het advies van de psychiater om de verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar te achten. De psychiater houdt immers de mogelijkheid open dat de verdachte in haar gedragskeuzes volledig beperkt was, hetgeen zou leiden tot het advies om het ten laste gelegde in het geheel niet aan verdachte toe te rekenen. Omdat de verdachte zich de poging brandstichting niet kan herinneren, is het niet mogelijk om een betrouwbaar delictscenario te schetsen en kan de psychiater een volledige beperking van verdachte in haar gedragskeuzes onvoldoende onderbouwen. Naar het oordeel van de verdediging is het gegeven dat verdachte zich de poging brandstichting niet kan herinneren juist het gevolg van haar volledige beperking in haar gedragskeuzes. De verdediging heeft de rechtbank dan ook verzocht om ambtshalve van haar bevoegdheid gebruik te maken om verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren. Voor het geval de rechtbank daarvan geen gebruik maakt, heeft de verdediging ook een tweetal voorwaardelijke verzoeken ingediend.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte, conform het advies van de psychiater, sterk verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren.
NIFP-rapport
In de Pro-Justitia rapportage, gedateerd 24 juni 2025 van psychiater [naam 1] staat het volgende.
De psychiater komt in de rapportage tot de conclusie dat er bij de verdachte sprake is van een bipolaire-I-stoornis, met gemengde kenmerken en psychotische kenmerken. De deskundige concludeert dat deze stoornis ook aanwezig was tijdens het plegen van het delict en dat de stoornis het gedrag van de verdachte ten tijde van het plegen van het delict heeft beïnvloed. Zo was haar beleving van de realiteit gekleurd door haar psychiatrische ontregeling. De mate waarin de verdachte de realiteit afwijkend waarnam en haar stemming ontregeld was, maakt dat van haar niet verwacht kon worden dat zij adequate sturing aan haar denken en handelen kon geven. De verdachte heeft de psychiater verteld zich een poging tot brandstichting niet te kunnen herinneren, om die reden was het voor de psychiater niet mogelijk om een betrouwbaar delictscenario te schetsen. Helder was desalniettemin dat er sprake was een dergelijke mate van ontregeling dat gesteld kan worden dat de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde beperkt was in haar gedragskeuzes.
Gelet op het voorgaande adviseert de psychiater de verdachte het ten laste gelegde ten minste in (sterk) verminderde mate toe te rekenen.
De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.
Oordeel van de rechtbank
In het Nederlandse strafrecht is het uitgangspunt dat elke dader verantwoordelijk kan worden gehouden voor het door hem of haar gepleegde strafbare feit. Een strafbaar feit kan daarom in beginsel aan de verdachte worden toegerekend. Daarop is echter een uitzondering. In artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht is bepaald dat niet strafbaar is hij die een feit begaat, dat hem wegens de psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap niet kan worden toegerekend.
De vraag naar de toerekenbaarheid is een juridische vraag. Het gaat om het vaststellen van een strafuitsluitingsgrond en de vaststelling of aan de voorwaarden daarvoor is voldaan, is een juridisch oordeel dat voorbehouden is aan de (straf)rechter. De strafrechter kan bij de beantwoording van deze vraag gebruik maken van adviezen van gedragsdeskundigen. De strafrechter heeft echter een eigen verantwoordelijkheid en is niet gebonden aan de door deskundigen uitgebrachte adviezen. Aan de strafrechter komt een zekere beoordelingsvrijheid toe bij het waarderen van adviezen en het maken van een selectie daaruit. Om ontoerekeningsvatbaarheid aan te kunnen nemen, moet voldaan zijn aan drie vereisten. Er moet in de eerste plaats sprake zijn van een psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap. In de tweede plaats moet er een causaal verband bestaan tussen genoemde stoornis, aandoening of handicap en het ten laste gelegde feit. Tot slot moet deze stoornis, aandoening of handicap zodanig zijn dat zij aan toerekening van het strafbare feit aan de dader in de weg staat.
Zoals gezegd heeft de rechtbank acht geslagen op de Pro-Justitia rapportage van psychiater [naam 1], uitgebracht op 24 juni 2025.
De rechtbank is van oordeel dat het advies van de psychiater ten aanzien van de mate van toerekeningsvatbaarheid wordt gedragen door een deugdelijke en inzichtelijke motivering. De rechtbank ziet dan ook geen reden om af te wijken van deze deskundige redenering. De rechtbank neemt het advies omtrent de mate van toerekenbaarheid en de gronden waarop dit berust dan ook over en maakt dit tot de hare. Dat betekent dat de rechtbank tot het oordeel komt dat het feit aan de verdachte in sterk verminderde mate kan worden toegerekend.
Het beroep van de raadsvrouw op (volledige) ontoerekeningsvatbaarheid wordt daarmee verworpen. Dat een dergelijk scenario volgens de psychiater niet volledig is uit te sluiten, blijft bij gebreke van een sluitende onderbouwing een theoretische mogelijkheid die van onvoldoende gewicht is ten opzichte van de hiervoor genoemde, met redenen omklede conclusie dat er wel sprake is van enige mate van toerekening. Het eerste voorwaardelijk geformuleerde verzoek van de verdediging om nog een (aanvullende) rapportage over de verdachte uit te laten brengen door een tweede deskundige wijst de rechtbank af. De diagnostische conclusies van de psychiater worden immers gedragen door haar bevindingen en de verdediging heeft onvoldoende onderbouwd dat en waarom een tweede deskundige mogelijk tot een ander oordeel zou kunnen komen. Voor wat betreft het tweede (subsidiaire) voorwaardelijke verzoek van de verdediging, dat ziet op het horen van de psychiater ter zitting, geldt dat de verdediging onvoldoende onderbouwd heeft dat en waarom dit noodzakelijk is. Daarbij komt dat de rechtbank zich op grond van het rapport van de psychiater ook voldoende ingelicht acht.
Bovenstaande heeft tot gevolg dat de verdachte strafbaar is, omdat er geen feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid volledig uitsluiten. Het feit en de verdachte zijn dus strafbaar.
4 Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor het ten laste gelegde feit worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, waarvan 127 dagen voorwaardelijk met aftrek van voorarrest met een proeftijd van 1 jaar.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft, gelet op het primaire verweer strekkende tot vrijspraak en het subsidiaire verweer strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging, geen standpunt omtrent de straf(maat) ingenomen.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft op 24 februari 2025 gepoogd brand te stichten door een brandende doek door een raam te gooien. Doordat de brandende doek op tijd is ontdekt, zijn ernstigere gevolgen voorkomen. Door de brand is er gemeen gevaar voor goederen ontstaan. Brandstichting is een ernstig en gevaarlijk feit. Naast de veelal forse materiële schade heeft een brand ook grote impact op de slachtoffers en omwonenden en leidt brandstichting tot gevoelens van onrust en onveiligheid. Een brand is per definitie oncontroleerbaar en de gevolgen ervan zijn daarom ook onvoorspelbaar en niet zelden ook onbeheersbaar. De rechtbank rekent de verdachte dit aan.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 8 december 2025 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Rapportages en verklaringen op de terechtzitting
De psychiater schat het risico op recidive, vastgesteld met behulp van risicotaxatie-instrumenten gecombineerd met de klinische inschatting, in als laag tot matig. Het risico op herhaling van delictgedrag hangt naar de overtuiging van de psychiater nagenoeg één op één samen met het psychiatrisch ziektebeeld en de factoren die hierop invloed hebben. Hierbij wordt gedacht aan medicatietrouw, leefstijl, slaapproblemen, toegenomen stress en signalen van symptomen door het netwerk van de verdachte. Te verwachten is dat blijvend herstel van het psychiatrische beeld zal leiden tot een sterke afname van het risico op recidive. De verdachte heeft tot de recente ontregeling gedurende bijna tien jaar stabiel gefunctioneerd en zij was goed in staat om zelfstandig een huishouden te voeren, haar financiën te organiseren en als mantelzorger te zorgen voor haar hoogbejaarde moeder. Om het risico op recidive te beperken, dient de bipolaire-I-stoornis van de verdachte adequaat behandeld te worden. Inmiddels is de verdachte gestabiliseerd en geschorst uit voorlopige hechtenis. Naar inschatting van de psychiater is ambulante behandeling passend en realistisch. Nu ziektebesef is bereikt, is het van belang om door middel van psycho-educatie ook het ziekte-inzicht te vergroten. Medicamenteuze behandeling dient overwogen te worden, naast leefstijladviezen (gericht op ritme en balans) ten aanzien van het voorkomen van een nieuwe ontregeling. Zelfmanagement is daarbij van belang, maar ook het betrekken van de familie en andere naasten van de verdachte. Tot slot vindt de psychiater het van belang dat nader onderzoek naar mogelijke geheugenproblemen, na volledig herstel van de psychiatrische ontregeling, wordt verricht. De psychiater adviseert de aanbevolen behandeling vorm te geven in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke veroordeling, ter vermindering van het recidiverisico.
Op 16 juli 2025 heeft Reclassering Nederland een reclasseringsadvies over de verdachte uitgebracht. De reclassering heeft acht geslagen op de op 24 juni 2025 uitgebrachte Pro-Justitia rapportage. Uit haar onderzoek komt geen instabiliteit op de maatschappelijke leefgebieden, behalve wat betreft huisvesting. De risico’s op recidive, letsel en het onttrekken aan de voorwaarden worden alle ingeschat als laag. Ondanks de lage kans op recidive adviseert de reclassering bij strafoplegging een deels voorwaardelijke straf met onder andere als bijzondere voorwaarden: meldplicht en ambulante behandeling.
Op de terechtzitting heeft reclasseringswerker [naam 2] te kennen gegeven dat hij zich nog achter het reclasseringsadvies van 16 juli 2025 schaart, maar dat het advies inmiddels is achterhaald omdat alle gestelde doelen zijn behaald en de behandeling en begeleiding positief zijn afgesloten. Op vragen gesteld door de officier van justitie en de rechtbank heeft de reclasseringswerker aangegeven dat bijzondere voorwaarden in het kader van een eventueel op te leggen voorwaardelijke straf, niet meer van toegevoegde waarde zijn.
Oplegging straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf passend. Bij het bepalen van de strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd.
De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op de over de verdachte uitgebrachte rapportages en op hetgeen op de terechtzitting daaromtrent naar voren is gebracht. De rechtbank neemt de conclusies over van de psychiater ten aanzien van de stoornis en het feit dat daarvan ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde sprake was. De rechtbank zal de verdachte het ten laste gelegde dan ook in (sterk) verminderde mate toerekenen. Bij de hoogte van de door de rechtbank op te leggen gevangenisstraf, zal de rechtbank rekening houden met de (sterk) verminderde mate van toerekenbaarheid.
De rechtbank ziet – mede gelet op het advies van de reclasseringswerker – geen toegevoegde waarde in het opleggen van bijzondere voorwaarden en acht een voorwaardelijke straf dan ook niet passend.
Gelet op al het voorgaande wordt een gevangenisstraf voor de duur van 53 dagen opgelegd. Deze gevangenisstraf is gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Dat betekent dat de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis.
5 Vordering van de benadeelde partij
Vordering [benadeelde partij]
heeft als benadeelde partij voor het ten laste gelegde feit € 500,- als vergoeding voor materiële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunten van de officier van justitie en de verdediging
De officier van justitie en de verdediging hebben beiden geconcludeerd dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard aangezien de vordering onvoldoende is onderbouwd.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, omdat de vordering niet is onderbouwd. Ook zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering.
6 Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 45 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.
7 Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 53 (drieënvijftig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst;
Vordering benadeelde partij
verklaart de [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering;
bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering, en begroot deze kosten op € 0,-.
8 Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. P. Joele, voorzitter,
en mrs. D.M. Douwes en J.A. Terstegge, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.P. de Jong, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 27 januari 2026.
Mr. J.A. Terstegge is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.