Strafrecht overig

Vrijspraak voor het plegen van ontuchtige handelingen. Onvoldoende steunend bewijs.

Rechtbank Rotterdam, 5 maart 2026

Zaakgegevens

Op 5 maart 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
5 maart 2026
Datum publicatie
15 juni 2026
Zaaknummer
10/114937-25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:6860
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vrijspraak voor het plegen van ontuchtige handelingen. Onvoldoende steunend bewijs.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd

Parketnummer: 10/114937-25

Datum uitspraak: 5 maart 2026

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1998,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres], [postcode] in [plaatsnaam],

raadsman mr. K.B. Spoelstra, advocaat te Groningen.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de openbare terechtzitting van 5 maart 2026.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. E.M. Loppé heeft gevorderd:

  • bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • toepassing van het jeugdstrafrecht;

  • veroordeling van de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak

4.1.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie is van oordeel dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. De verklaring van aangeefster is betrouwbaar en wordt voldoende ondersteund door de verklaring van haar zusje [naam] en de verklaring van de vader van de verdachte.

4.1.2.

Beoordeling

Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat de verdachte bij de aangeefster ontuchtige handelingen heeft verricht. De verklaring van aangeefster over situaties waarin de ontuchtige handelingen zouden hebben plaatsgevonden, vindt onvoldoende steun in de overige stukken in het dossier. Het zusje van aangeefster heeft verklaard de verweten seksuele handelingen niet te hebben gezien en haar verklaring dat zij zelf onzedelijk is betast door de verdachte zegt niets over het handelen van de verdachte richting aangeefster. Ook de verklaring van de vader van de verdachte kan niet als steunbewijs dienen, omdat die verklaring onvoldoende concreet is gebleven en is gebaseerd op wat aangeefster zelf hierover heeft verklaard.

4.1.3.

Conclusie

Het ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

5 Bijlage

De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

6 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.M. Rocha, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. L. Feraaune en K.T.F. Chocolaad-de Bos, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.M. Borges Dias, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 maart 2026.

Bijlage

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 4 augustus 2016

tot en met 31 augustus 2021 te Dordrecht en/of Groningen, in elk geval in Nederland,

(meermalen) (telkens) met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2] 2007, die toen de

leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt,

een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd,

te weten het (meermalen)

- zoenen en/of knuffelen van haar en/of

- ( op en onder haar kleding) betasten van en/of knijpen in haar borst(en) en/of

- ( op en onder haar kleding) betasten van haar schaamstreek.