Strafrecht overig
Veroordeling voor diefstal met geweld (woningoverval). Vrijspraak van het in vereniging vernielen van een…
Rechtbank Rotterdam, 4 maart 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:7041 · Rechtbank Rotterdam · 4 maart 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbrot-2026-7041
Zaakgegevens
Op 4 maart 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Dordrecht
- Datum uitspraak
- 4 maart 2026
- Datum publicatie
- 18 juni 2026
- Zaaknummer
- 10/300046-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:7041
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling voor diefstal met geweld (woningoverval). Vrijspraak van het in vereniging vernielen van een telefoon. Gevangenisstraf van 27 maanden.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10/300046-25
Datum uitspraak: 4 maart 2026
Datum zitting: 18 februari 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2004 in [geboorteplaats]
ingeschreven op het adres [adres 1] , [postcode] [woonplaats] ,
gedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam P.I.] , HvB
Advocaat van de verdachte: mr. M.C.A. Schulpen
Officier van justitie: mr. I Barendregt
Benadeelde partij: [benadeelde]
Gemachtigde van de benadeelde partij: mr. T.R. Buikema
Kern van het vonnis
De verdachte is samen met zijn medeverdachten in de nacht van 8 november 2025 door een opengebroken raam een woning in Schelluinen binnengegaan en hij heeft in die woning de bewoner overvallen. De bewoner is geslagen, geschopt en bedreigd met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. De buit bestond uit geld en sieraden. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot 27 maanden gevangenisstraf. De verdachte wordt vrijgesproken van het samen met zijn medeverdachten vernielen van een telefoon.
1 Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat in vereniging een woningoverval met geweld heeft gepleegd en dat hij samen met de medeverdachten de telefoon van de aangever kapot heeft gemaakt.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
1.
hij op of omstreeks 8 november 2025 te Schelluinen, gemeente Molenlanden
omstreeks 04:15 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd,
in/uit een woning aan de [adres 2] , tezamen en in vereniging met een of meer
anderen, althans alleen, een portemonnee en/of een hoeveelheid geld en/of een
horloge en/of een of meerdere sieraden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten
dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn
mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich
wederrechtelijk toe te eigenen,
en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te
nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van
braak, verbreking en/of inklimming,
welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of
bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal
voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op
heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht
mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- die [slachtoffer] te duwen,
- die [slachtoffer] tegen de grond te gooien en/of tegen de grond te slaan,
- die [slachtoffer] meermalen tegen het hoofd en/of tegen het lichaam te slaan en/of te
schoppen,
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen en/of op die [slachtoffer] te richten,
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen het hoofd van die [slachtoffer] te houden,
- die [slachtoffer] met kracht tegen de grond te drukken en/of
- die [slachtoffer] meermalen met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en/of een hard voorwerp tegen het
hoofd, althans tegen het lichaam te slaan;
2.
hij op of omstreeks 8 november 2025 te Schelluinen, gemeente Molenlanden
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
opzettelijk en wederrechtelijk een mobiele telefoon, in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft
vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
2 Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor feit 1 en dat de verdachte moet worden vrijgesproken van feit 2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van feit 2. De verdediging heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van de woningoverval gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Wel stelt de verdediging zich op het standpunt dat niet bewezen kan worden dat er sprake was van een vuurwapen of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. De verdachte heeft verklaard zelf bij de woningoverval geen geweld te hebben gebruikt en hij heeft ook geen vuurwapen gezien. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte zich samen met zijn medeverdachten schuldig heeft gemaakt aan een gewelddadige woningoverval en dat zij zich de toegang tot de woning hebben verschaft door het raam open te breken en naar binnen te klimmen. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.
De bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
1. Verklaring van de verdachte
Ik beken dat ik op 8 november 2025 betrokken ben geweest bij de woningoverval aan de [adres 2] in Schelluinen.
2. Verklaring van de aangever [slachtoffer]
Ik woon aan de [adres 2] in Schelluinen (gemeente Molenlanden).
Ik werd op 8 november 2025 wakker rond een uur of 04:15.
Ik zag, omdat het licht buiten aansprong, twee silhouetten aan de buitenzijde van mijn slaapkamerraam. Ik zag en hoorde dat zij bezig waren bij mijn slaapkamerraam.
Ik hoorde gekraak en een soort breekgeluiden. Ik zag dat zij probeerden in te breken via het raam. Vervolgens zag ik direct meerdere personen mijn woning in komen.
Ik zag dat er vier personen in mijn woning waren.
De personen waren vervolgens snel bij mij en ze vielen mij direct aan.
Ik werd vastgegrepen door alle vier. Ik werd direct op de grond geslagen. Ik werd in de hoek
geduwd. Ik probeerde mij te verweren, maar dat lukte niet. Ik kreeg constant overal klappen. Ik herinner mij meerdere klappen op mijn hoofd en daarnaast klappen of trappen op mijn gehele lijf terwijl ik op de grond lag.
Ik kreeg verder onder andere een hand die mijn mond bedekte, waardoor ik telkens
langdurig bijna geen adem kon halen.
Ook bleven ze mij telkens slaan. Ik werd door meerdere personen geslagen en vervolgens onder controle gehouden op de grond. Terwijl ze dit deden en ik op de grond lag zag ik dat er door een van de personen een klein zwart vuurwapen, een soort pistool, op mij werd gericht. Ik heb geen verstand van vuurwapens, maar het leek heel echt. Ik zag en voelde dat ze de loop van het vuurwapen tegen mij aanhielden.
Ik kon verder niets zien, want heel de tijd moest ik mijn hoofd omlaag houden en hielden ze mijn nek vast en duwde mij met kracht op de grond.
Ik hoorde ze ondertussen schreeuwden "waar is het geld". Ze schreeuwden "Waar is het
bollen geld, waar is het bloembollen geld."
Op een gegeven moment sleurden ze mij door de woning en ik moest de portemonnee pakken. Ik wist dat hier geschat zo'n vierhonderd euro in zat aan briefgeld.
Ik heb ze toen uiteindelijk deze portemonnee afgegeven met het geld erin.
Vervolgens werd ik met kracht door hen naar de kelder meegenomen. Toen ik daarheen ging werd ik begeleid door meerdere personen.
Ik kreeg vervolgens meerdere klappen van deze personen. Ik hoorde ze opnieuw roepen "Waar is de kluis! Waar is de kluis." Ik riep dat ik niets had. Daarop hebben ze mij heel de tijd vastgehouden in de kelder met in ieder geval twee man. Die twee personen hebben mij hier opnieuw naar de grond gewerkt en met mijn gezicht naar de muur toe gelegd.
Ik voelde ook telkens dat ik opnieuw in bedwang werd gehouden en klappen kreeg. Ik voelde ook druk in mijn nek. Ik werd op de grond geduwd werd en continue omlaag geslagen tegen de grond aan omdat ik hier moest blijven. Ook had ik continue de loop van een pistool tegen mijn hoofd. Ik voelde dat ook heel de tijd.
Ik denk dat ik naast de klappen ook met een voorwerp, mogelijk dat pistool, meerdere
klappen heb gehad. Zowel in de bijkeuken als later in de kelder. Dit voelde namelijk
anders, veel zwaarder dan met de handen. Het was in ieder geval iets hards waarmee ze
mij meerdere keren sloegen en ook raakten.
Ik zag in de bijkeuken bloed op de muur zitten. Ik vermoed dat dit afkomstig is van mijn verwondingen die ik had opgelopen door de worsteling daar aan mijn hoofd en het slaan met het voorwerp.
Net voor ze weggingen hebben ze het horloge van mijn pols afgehaald dat ik om had.
3. Proces-verbaal van de politie, aanvullende verklaring aangever [slachtoffer]
Over de goederen kan ik het volgende verklaren:
- De zakhorloges zijn eigendom van mij. Deze zijn niet van waarde.
- Een zilverkleurige armband. Dit goed is eigendom van mij.
- Pulsar zilverkleurig horloge met lichtblauwe accenten, dit goed is eigendom van mij.
- Alle overige sieraden, de kettingen, zijn ook eigendom van mij. Deze zijn van mijn vrouw geweest.
Er is ruim 4000 euro aan kleingeld weggenomen van mij.
4. Proces-verbaal van de politie
[adres 2] te Schelluinen, 8 november 2025.
Er komen 4 personen in beeld vanuit linksboven. Zij lopen naar de woning.
De 4e persoon op deze foto heeft een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn rechter hand.
Bewijsmotivering
Opzet op geweld
De verklaring van de verdachte [verdachte] dat hij in de veronderstelling was dat het om een inbraak zou gaan en dat hij niet had verwacht dat er iemand aanwezig zou zijn in de woning, schuift de rechtbank terzijde. Een inbraak die wordt gepleegd tijdens de voor de nachtrust bestemde uren, levert naar algemene ervaringsregels immers een aanmerkelijke kans op dat de bewoners thuis zijn en bij ontdekking is de kans groot dat het tot een gewelddadige confrontatie komt, zoals ook in dit geval.
Ten aanzien van het vuurwapen overweegt de rechtbank dat de aangever heeft verklaard dat hij is bedreigd en mogelijk ook is geslagen met iets wat op een vuurwapen leek. De medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij een vuurwapen heeft gezien toen ze in de woning waren. Hierbij komt de beschrijving van de camerabeelden van de verdachten vlak voor de overval. De politie beschrijft dat de verdachten gezamenlijk richting de woning lopen. De politie beschrijft voorts dat de verdachte [medeverdachte 2] iets in zijn rechterhand houdt wat lijkt op een vuurwapen. De verklaring van de verdachte [medeverdachte 2] ter zitting dat hij een rechte staafzaklamp vasthield, acht de rechtbank onaannemelijk. De politie heeft de beelden uitgebreid beschreven en gelet hierop stelt de rechtbank vast dat de verdachte [medeverdachte 2] op de foto van de camerabeelden in het dossier iets in zijn hand houdt dat weg heeft van een vuurwapen en niet van een rechte staafzaklamp. Echter kan niet kan worden vastgesteld dat dit een echt vuurwapen betrof. Gelet op het voornoemde, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte [medeverdachte 2] tijdens de woningoverval gebruik heeft gemaakt van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp.
De verklaring van de verdachte [verdachte] dat hij dit vuurwapen niet heeft gezien, acht de rechtbank onaannemelijk. De verdachten lopen immers gezamenlijk naar de woning terwijl de verdachte [medeverdachte 2] het op een vuurwapen gelijkend voorwerp open en bloot, niet verscholen in zijn hand houdt. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte de wetenschap van en de opzet op de aanwezigheid van het op het vuurwapen gelijkend voorwerp heeft gehad. Gelet op het bovenstaande heeft de verdachte op zijn minst het voorwaardelijk opzet gehad op het medeplegen van geweld bij de gewapende woningoverval.
Een en ander betekent dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de hem verweten gewapende woningoverval.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
1.
hij op 8 november 2025 te Schelluinen, gemeente Molenlanden
omstreeks 04:15 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd,
uit een woning aan de [adres 2] , tezamen en in vereniging met anderen, een portemonnee en een hoeveelheid geld en een horloge en meerdere sieraden, die geheel of ten dele aan [slachtoffer] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van
braak en inklimming, welke diefstal werd vergezeld van geweld en
bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal
gemakkelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- die [slachtoffer] te duwen,
- die [slachtoffer] tegen de grond te gooien en tegen de grond te slaan,
- die [slachtoffer] meermalen tegen het hoofd en tegen het lichaam te slaan en te schoppen,
- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen en op die [slachtoffer] te richten,
- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen het hoofd van die [slachtoffer] te houden,
- die [slachtoffer] met kracht tegen de grond te drukken en
- die [slachtoffer] meermalen met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen het
hoofd te slaan.
Vrijspraak feit 2
De beschuldiging is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.
3 Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
diefstal vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door braak en inklimming en terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4 Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor het feit worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast moet de verdachte worden veroordeeld tot een 38v maatregel, inhoudende een contactverbod met zijn medeverdachten voor de duur van 2 jaren, met per overtreding telkens een week hechtenis met een maximale duur van 6 maanden.
Standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt rekening te houden met de ondergeschikte rol van de verdachte ten aanzien van het geweld en verzoekt om die reden een aanzienlijk deel van de straf voorwaardelijk op te leggen met daaraan gekoppeld reclasseringstoezicht. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou kunnen worden gecombineerd met een werkstraf.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft samen met zijn medeverdachten een brute woningoverval gepleegd.
De verdachte is samen met zijn medeverdachten midden in de nacht door het opengebroken raam de woning binnengegaan. In de woning is de aangever, een man op leeftijd, geschopt, geslagen en naar de grond gewerkt. De aangever moest onder bedreiging met het op een vuurwapen gelijkend voorwerp mee naar de kelder waar hij nogmaals werd geslagen. Uiteindelijk zijn er geld en sieraden van de aangever door de verdachte en zijn medeverdachten meegenomen.
Door deze intimiderende en gewelddadige handelswijze tijdens de overval in de woning, de plek bij uitstek waar men zich veilig moet kunnen voelen, is een ernstige inbreuk gemaakt op zowel de lichamelijke als de geestelijke integriteit van de aangever en is zijn bewegingsvrijheid op een grove wijze geschonden. Daarnaast heeft de verdachte geen respect getoond voor het vermogen en het eigendomsrecht van de aangever.
Uit de verklaring van de aangever blijkt dat hij veel last heeft overgehouden aan de overval en de angst dat hij zou worden doodgeschoten, vooral nu het niet de eerste keer is dat hij in zijn woning is overvallen. De overval heeft nog dagelijks invloed op hem. Hij wordt nog steeds ‘s nachts wakker en ziet dan weer voor zich wat er die nacht gebeurd is. Hij voelt zich niet meer veilig in zijn eigen huis en hij weet niet of dat ooit over zal gaan.
Daarnaast behoort een woningoverval tot de categorie strafbare feiten die een ernstige inbreuk maken op de rechtsorde en die in de samenleving gevoelens van onveiligheid en onrust veroorzaken.
De rechtbank rekent het de verdachte ernstig aan dat hij met zijn handelen kennelijk enkel heeft gedacht aan eigen financieel voordeel zonder rekening te houden met de bovengenoemde gevolgen. In zijn slachtofferverklaring heeft de aangever de verdachte en zijn medeverdachten dan ook aangespoord om eerlijk te werken voor hun geld.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 8 januari 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een misdrijf.
Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Oplegging straf
Straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf.
Daarom wordt een gevangenisstraf van 27 (zevenentwintig) maanden opgelegd.
Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen aanleiding om een gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen gelet op de op te leggen straf en het feit dat er geen reclasseringsadvies is aangevraagd. Daarbij speelt ook een rol dat verdachte een nagenoeg blanco strafblad heeft en er gezien zijn opleiding en verdere leefsituatie voldoende kans over is om na detentie een eerlijk bestaan op te bouwen. Indien nodig of zinvol, dan kan de reclassering betrokken worden ten tijde van de eventuele voorwaardelijke invrijheidsstelling.
De rechtbank wijst de eis van de officier voor de oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel in de vorm van een contactverbod met de medeverdachten af omdat de noodzaak hiervan niet is onderbouwd. De rechtbank ziet in de oplegging van een contactverbod – gelet op het feit dat de verdachten elkaar niet tot nauwelijks lijken te kennen waardoor het geen gegeven is dat zij na hun detentie opnieuw samen strafbare feiten zullen plegen – geen meerwaarde.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.
5 Vordering van de benadeelde partij
Vordering [slachtoffer]
heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 11.500,00 als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan in zijn geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de schade.
Standpunt van de verdediging
De vordering van de benadeelde partij moet worden gematigd tot een bedrag dat in lijn ligt met vergelijkbare zaken met licht letsel en de impact van een woningoverval zonder blijvend psychisch letsel. Het overige deel moet niet-ontvankelijk worden verklaard omdat dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
Oordeel van de rechtbank
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen. De benadeelde partij had als gevolg van het geweld dat op hem is uitgeoefend een bloedende hoofdwond, last van zijn linkerarm en zijn ribben en tot op heden kan hij zijn nek niet pijnvrij draaien. Daarnaast brengen de aard en de ernst van de normschending met zich dat de in dit verband nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat een aantasting in persoon op andere wijze wordt aangenomen. De benadeelde partij heeft de eerste dagen na de woningoverval nauwelijks geslapen en tot op heden wordt hij meerdere malen per nacht wakker en heeft hij last van nachtmerries. Ook voelt hij zich nog steeds niet veilig in zijn eigen huis. Daarnaast heeft de woningoverval invloed gehad op zijn gemoedstoestand en is hij sneller emotioneel. De omvang van de geleden schade wordt naar billijkheid begroot op € 7.000,00. Hierbij is, kijkend naar de aard en ernst van het bewezenverklaarde, in het bijzonder rekening gehouden met het smartengeld passend bij de hoogste categorie van diefstal met geweld, zoals omschreven in de Rotterdamse Schaal.
De rechtbank neemt zonder meer aan dat het leed van de benadeelde partij is, zoals hij heeft beschreven. De rechtbank kent een lagere vordering toe dan gevorderd omdat zij aansluit bij de Rotterdamse Schaal.
Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 7.000,00 als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen. Het door de benadeelde partij meer gevorderde wordt niet-ontvankelijk verklaard.
Hoofdelijke veroordeling
De verdachte heeft het strafbare feit waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met zijn mededaders gepleegd. Zij zijn daarom allen hoofdelijk aansprakelijk voor deze schadevergoeding. Als een of meer van de mededaders de schadevergoeding (voor een deel) hebben betaald, hoeft de verdachte (dat deel) niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 8 november 2025.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,00.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij.
Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 60 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
6 Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 47 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
7 Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 27 (zevenentwintig) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Vordering benadeelde partij
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, aan de benadeelde partij ( [slachtoffer] , te betalen een bedrag van € 7.000,00 als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 8 november 2025 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door een of meer mededaders (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,00 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor het feit de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] aan de staat € 7.00,00 te betalen, en de wettelijke rente vanaf 8 november 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 60 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededaders de schade aan de benadeelde partij of aan de staat hebben vergoed.
8 Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.P. Hameete, voorzitter,
en mrs. W.J.M. Diekman en B. Vaz, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. Loggen, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 4 maart 2026.