Strafrecht overig
Jeugdstrafrecht. Veroordeling uitlokken van het medeplegen van een explosie. Oplegging van een geheel…
Rechtbank Rotterdam, 12 februari 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:7043 · Rechtbank Rotterdam · 12 februari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbrot-2026-7043
Zaakgegevens
Op 12 februari 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 12 februari 2026
- Datum publicatie
- 18 juni 2026
- Zaaknummer
- 10/022699-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:7043
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Jeugdstrafrecht. Veroordeling uitlokken van het medeplegen van een explosie. Oplegging van een geheel voorwaardelijke jeugddetentie en een werkstraf.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team jeugd
Parketnummer: 10/022699-25
Datum uitspraak: 12 februari 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2010,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres 1], [postcode] [plaatsnaam],
raadsvrouw: mr. M.F.A. van Pelt, advocaat te Rotterdam.
1 Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 29 februari 2026.
2 Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.
De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3 Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. S. Verhoek heeft gevorderd:
-
bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;
-
veroordeling van de verdachte tot een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van drie maanden, met aftrek van het voorarrest, met een proeftijd van twee jaar en met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de jeugdreclassering;
-
met opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
-
veroordeling van de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende jeugddetentie.
4 Waardering van het bewijs
Bewijswaardering
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het primair ten laste gelegde feit, het medeplegen van het teweegbrengen van een ontploffing en brandstichting, bewezen kan worden verklaard. De handelingen van de verdachte zijn van dusdanig gewicht dat sprake is van de nauwe en bewuste samenwerking die nodig is voor medeplegen. De verdachte is door iemand benaderd via Snapchat en maakt dan de verkeerde keuze door een groepsapp aan te maken en [medeverdachte] te benaderen voor het uitvoeren van een ‘window crash’. De verdachte en de medeverdachten wisten dat het ging om het plaatsen en aansteken van een explosief en zij hebben met elkaar nagedacht over de voorbereiding en de uitvoering daarvan. Zo vraagt de verdachte onder andere naar ‘de pap’ en of iemand vervoer voor [medeverdachte] kan regelen. Hierdoor heeft de verdachte meer dan een ondersteunende of uitlokkende rol gehad.
Beoordeling
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid bij een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezen verklaard, indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met (een) ander(en) gericht op het gezamenlijk uitvoeren van het delict.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank af dat de verdachte op 18 oktober 2024 een snapchatgroep heeft aangemaakt, waarin hij [medeverdachte] en ‘[naam 1]’ heeft toegevoegd. De verdachte vraagt of [medeverdachte] fit is voor een ‘window crash’ vanavond en noemt 1 kop (ter zitting heeft de verdachte verklaard dat hij hiermee € 1.000,- bedoelde), waarna de verdachte in de groep aangeeft dat [medeverdachte] het wil doen en dat hij nu gaat. Even later schrijft de verdachte in de snapchatgroep over ‘het halen van pap’, vraagt hij waar ‘die bom’ kan worden opgehaald en vraagt hij of er vervoer kan worden geregeld voor [medeverdachte]. Vervolgens stopt dit snapchatgesprek.
Uit het voorgaande blijkt dat de verdachte een rol heeft gehad in het teweegbrengen van de ontploffing en de brandstichting, maar er zijn onvoldoende aanknopingspunten om tot het oordeel te komen dat sprake is geweest van de vereiste nauwe en bewuste samenwerking op het plegen van het feit om tot medeplegen te kunnen komen. De verdachte heeft enkel in het begin een rol gehad door de [medeverdachte] in contact te brengen met de opdrachtgever en door deel te nemen aan het eerste snapchatgesprek waarin wordt gesproken over de explosie, hetgeen meer past bij het subsidiair ten laste gelegde. Uit het dossier blijkt dat [medeverdachte] meer en concretere informatie krijgt in latere (groeps)gesprekken, waaraan de verdachte niet heeft deelgenomen. In deze gesprekken wordt onder andere gesproken over de locatie, het vervoer en het filmen van het incident. Ook bij de uitvoering van de explosie is de verdachte niet betrokken geweest.
De rechtbank zal de verdachte daarom van het primair ten laste gelegde (medeplegen) vrijspreken. De rechtbank komt op basis van de bewijsmiddelen wel tot een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde uitlokken van de ontploffing en brandstichting.
Conclusie
Het primair ten laste gelegde feit is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. Het subsidiair ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond hiervan is overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
[medeverdachte] op of omstreeks 19 oktober 2024 te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht door
-een explosief voor de deur, althans in de dichte nabijheid, van het pand gelegen aan [adres 2] te plaatsen en/of aan te steken waardoor dit explosief tot ontploffing is gebracht en/of er vervolgens brand en/of een ontploffing is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemd pand en/of in voornoemd pand aanwezige goederen en/of de naastgelegen/omringende woningen/panden en/of in de naastgelegen/omringende woningen/panden aanwezige goederen te duchten was
welk bovenomschreven misdrijf hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in of omstreeks de periode van 18 oktober 2024 tot en met 19 oktober 2024 te Rotterdam, althans in Nederland, opzettelijk heeft uitgelokt door beloften en/of het verschaffen van gelegenheid, middelen en/of inlichtingen, immers heeft hij, verdachte, in voornoemde periode toen en aldaar
- een snapchatgroep aangemaakt en/of opgestart en/of
- [medeverdachte] toegevoegd aan de snapchatgroep en/of
- [medeverdachte] gevraagd of hij fit was om een window crash te doen en/of
- die [medeverdachte] een bedrag van € 1500, althans een geldbedrag, in het vooruitzicht gesteld en/of
- een of meer ander(en) gezegd dat die [medeverdachte] de klus wil doen en/of
- (in die snapchatgroep) gevraagd waar hij [medeverdachte], de pap en/of de bom kon halen en/of
- (in die snapchatgroep) gevraagd wie het vervoer kon regelen voor die [medeverdachte].
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
5 Strafbaarheid feit
Het bewezen feit levert op:
opzettelijk uitlokken van het medeplegen van het opzettelijk brand stichten en een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.
6 Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
7 Motivering straffen
Algemene overweging
De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Feit waarop de straffen zijn gebaseerd
De verdachte heeft op veertienjarige leeftijd een brandstichting en ontploffing uitgelokt. Hij deed dit door een snapchatgroep te starten en in die groep de medeverdachte te koppelen aan een persoon die op zoek was naar iemand die een Cobra 6 wilde plaatsen om zo bij een pand brand te stichten en een explosie teweeg te brengen. Hij beloofde de medeverdachte daar in de groep geld voor en vroeg onder meer of vervoer voor hem kon worden geregeld. Mede door toedoen van de verdachte heeft bij het bedrijfspand van het slachtoffer een forse explosie plaatsgevonden. Dergelijke explosies zijn zeer bedreigend en beangstigend voor de bewoners en omwonenden. Dat dit ook voor dit slachtoffer het geval is geweest, blijkt uit dat wat namens hem ter zitting naar voren is gebracht. Dergelijke feiten leiden daarnaast tot veel onrust en gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving en leiden tot maatschappelijke schade. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij kennelijk onvoldoende stil heeft gestaan bij de impact en gevolgen van zijn handelen.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van
5 januari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
Rapportages en verklaringen van deskundigen op de terechtzitting
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 11 december 2025. Dit rapport houdt, voor zover van belang, het volgende in.
De Raad heeft de risicofactoren tegen de beschermende factoren afgewogen en schat de kans op recidive laag in. Vanuit huis is er veel toezicht op de verdachte, hij heeft een positieve vrijetijdsbesteding en lijkt vooral contact te hebben met pro-sociale leeftijdsgenoten. Daarnaast heeft het delict plaatsgevonden in 2024 en is de verdachte sindsdien niet meer gerecidiveerd. Wel zijn er zorgen over zijn schoolgang. De verdachte volgt onderwijs op VWO-niveau, maar gaat met zijn huidige rapport niet over naar de volgende klas. De kans is groot dat de hij overvraagd wordt op het huidige onderwijsniveau. Uit het persoonlijkheidsonderzoek (van maart 2025) komt naar voren dat de verdachte een sterk verbaal vermogen heeft in vergelijking met zijn andere vaardigheden. Dit kan leiden tot een overschatting van zijn algehele capaciteiten. De verdachte is altijd aanwezig op school, maar kan in de les negatief gedrag laten zien. Hij zoekt de confrontatie op, is verbaal agressief en wordt soms verwijderd uit de les. Hij is hiervoor al eerder naar een andere school gestuurd en het lijkt er de laatste tijd op dat de verdachte weer hetzelfde gedrag vertoont. Het lukt de verdachte onvoldoende om te reflecteren op zijn gedrag en hij heeft vaak een andere versie van wat er is gebeurd. Het is belangrijk dat hij leert reflecteren, dat hij probleemsituaties leert herkennen en nadenkt over de gevolgen voordat hij handelt. Nu ook de school aangeeft dat het gedrag van de verdachte de laatste tijd verslechtert, acht de Raad betrokkenheid van jeugdreclassering passend voor de duur van een jaar. De verdachte is gebaat bij een strak en duidelijk kader als stok achter de deur en als motivatie om in de toekomst de juiste keuze te maken. Geadviseerd wordt daarom om de verdachte een deels voorwaardelijke werkstraf op te leggen met de bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich zal melden bij de jeugdreclassering en meewerkt aan de hulpverlening die de jeugdreclassering noodzakelijk acht.
De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna: de jeugdreclassering) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 23 januari 2026. Dit rapport houdt, voor zover van belang en voor zover aanvullend op het rapport van de Raad, het volgende in.
De jeugdreclassering acht de laagdrempelige inzet van een jongerencoach wenselijk, zodat iemand de verdachte voor langere termijn kan begeleiden. Daarbij is een deels onvoorwaardelijke straf passend, zodat de verdachte leert dat zijn gedrag gevolgen heeft. Het voorwaardelijk deel dient dan als ‘stok achter de deur’ om de verdachte te motiveren en te stimuleren om in de toekomst de juiste keuzes te maken. De jeugdreclassering adviseert daarom een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan de duur van de voorlopige hechtenis en een deels voorwaardelijke werkstraf met de bijzondere voorwaarde dat de verdachte meewerkt aan de hulpverlening die voortvloeit uit het persoonlijkheidsonderzoek, dat hij meewerkt aan een jongerencoach en naar school gaat volgens het lesrooster en zich daar positief voor inzet.
Deskundige [naam 2], werkzaam bij de jeugdreclassering, heeft op de zitting naar voren gebracht dat de verdachte op dit moment geschorst is van school, vanwege betrokkenheid bij een incident. De verdachte laat in de gesprekken daarover zien dat hij moeite heeft om naar zijn eigen handelen te kijken. Volgende week is er een gesprek op school, waarna meer duidelijk wordt over wat er gaat gebeuren. Eerder heeft de school aangegeven handelingsverlegen te zijn en heeft daarom aangestuurd op een persoonlijkheidsonderzoek. De jeugdreclassering heeft dit onderzoek nog niet ingezien. Hierdoor is nog niet duidelijk óf en welke hulpverlening moet worden ingezet.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank houdt er in het voordeel van de verdachte rekening mee dat hij sinds 23 januari 2025 in een schorsing van de voorlopige hechtenis loopt en dat hij zich goed heeft gehouden aan zijn schorsingsvoorwaarden. Daarnaast is de verdachte een ‘first-offender’ en was hij pas veertien jaar toen hij het feit heeft gepleegd. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank een lagere jeugddetentie opleggen dan door de officier van justitie is geëist.
Om de ontwikkeling van de verdachte gunstig te beïnvloeden en om de kans op recidive te verkleinen, is het belangrijk dat de verdachte begeleiding en structuur worden geboden. De rechtbank legt daarom de jeugddetentie voorwaardelijk op, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Deze voorwaardelijke straf dient er ook toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.
De rechtbank acht het gelet op de ernst van het feit niet passend dat de verdachte nu geen consequentie meer ervaart van zijn handelen, behalve de verplichting zich te houden aan de algemene en bijzondere voorwaarden verbonden aan de jeugddetentie. De rechtbank zal daarom ook een onvoorwaardelijke taakstraf, bestaande uit een werkstraf, opleggen aan de verdachte.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.
8 Vorderingen benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
De vorderingen
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde partij 1] en diens eigenaar [naam 3], bijgestaan door mr. L.A.R. Newoor. De [benadeelde partij 2] vordert een bedrag van € 2.000,- aan immateriële schade en de [benadeelde partij 1] vordert een bedrag van € 27.717,46 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van de benadeelde partij aangegeven dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk kan worden verklaard in de gevorderde elektriciteitskosten van € 572,09, nu deze worden verrekend met de eindafrekening. Voorts vordert de [benadeelde partij 1] een bedrag van € 1.572,- aan proceskosten.
Standpunt officier van justitie
[benadeelde partij 2]
De officier van justitie verwijst ten aanzien van de vordering van de [benadeelde partij 2]
naar het vonnis van deze rechtbank van 13 februari 2025 van de medeverdachte. In het kader van gelijke behandeling stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de immateriële schade moet worden toegewezen tot € 500,- en dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
[benadeelde partij 1]
De [benadeelde partij 1] dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering, omdat het op basis van het dossier niet kan worden bepaald welke schade exact door de explosie van 19 oktober 2024 is veroorzaakt.
Standpunt verdediging
[benadeelde partij 2]
De verdediging heeft verzocht de vordering van de [benadeelde partij 2] toe te wijzen voor € 500,- en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren.
[benadeelde partij 1]
Ten aanzien van de vordering van de [benadeelde partij 1] stelt de verdediging zich primair op het standpunt dat de gehele vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, wegens een onevenredige belasting van het strafgeding. Een vordering kan enkel binnen het strafgeding worden afgedaan indien dit een redelijk eenvoudige vordering betreft. Daarvan is hier geen sprake. De verdediging heeft de vordering, die niet eenvoudig is, pas eergisteren ontvangen en heeft weinig tijd gehad om een verweer voor te bereiden. Subsidiair worden de gevorderde materiële kosten betwist en wordt om die reden verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, te matigen of af te wijzen. De bedragen en rekenwijze van de kostenpost ‘(gederfde) omzet/nadeel’ worden betwist en gesteld wordt dat een second opinion door een accountant noodzakelijk is. Daarnaast kan bij de kostenpost ‘verlies huurgenot’ de sluiting van het pand niet volledig worden toegerekend aan de explosie van 19 oktober 2024, omdat daarvoor al melding was gemaakt van eerdere conflicten. Tot slot worden ook de schadeposten ‘internet- en telefoniekosten’, ‘verzekering bezorgscooter’, ‘boekhoudkosten’ en ‘kosten alarmsysteem’ gemotiveerd betwist. Zo worden de telefoniekosten en de boekhoudkosten niet gespecificeerd en is het onduidelijk wat de opzeggingsmogelijkheden zijn voor de verzekering van de bezorgscooter. Indien de vordering wel of deels wordt toegewezen wordt bepleit om dat bedrag te verdelen over de vier verdachten en niet hoofdelijk toe te wijzen, met name gezien de leeftijd van de verdachten.
Beoordeling
Immateriële schadevergoeding gevorderd door M. Ajdid
Vast is komen te staan dat aan [benadeelde partij 2] door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 500,-, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen. Hetgeen meer is gevorderd zal worden afgewezen.
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 19 oktober 2024.
Nu de vordering van [benadeelde partij 2] deels zal worden toegewezen, zal de
verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden
begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Materiële schade gevorderd door [benadeelde partij 1]
De rechtbank overweegt als volgt. Een benadeelde partij kan op een eenvoudige en laagdrempelige manier in de strafzaak de schade vorderen die hij door een strafbaar feit heeft geleden. Deze procedure biedt aan de benadeelde partij en de verdachte niet dezelfde processuele waarborgen als een gewone civielrechtelijke procedure. Dit bezwaar wordt echter in afdoende mate ondervangen door artikel 361 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering, welke bepaling mede in het licht van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden aldus moet worden uitgelegd dat zij de strafrechter tot niet-ontvankelijkverklaring verplicht als hij er niet zeker van is dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om de vordering te onderbouwen dan wel zich hiertegen te verweren.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte zich in onvoldoende mate tegen de vorderingen van de benadeelde partij kon verweren. De (omvangrijke) vordering is twee dagen voor de zitting ingediend, terwijl de schade bij de benadeelde partijen al lange tijd bekend was of had kunnen zijn. De verdediging heeft hier ook op gewezen en heeft daarnaast gemotiveerd verweer gevoerd en onder meer aangegeven dat zij een second opinion door een accountant en nadere specificering van gevorderde kosten noodzakelijk acht, hetgeen niet heeft kunnen plaatsvinden.
Het aanhouden van de strafzaak om een en ander te herstellen vormt een te grote belasting van het strafproces. Hier speelt ook het belang van de verdachte bij zijn (spoedige) berechting. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Conclusie
De verdachte moet [benadeelde partij 2] een schadevergoeding betalen van € 500.-,
vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.
Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van
het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de
verdachte zal geen gijzeling worden toegepast. Voor het overige wordt de vordering
afgewezen.
9 Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 36f, 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 157 van het Wetboek van Strafrecht.
10 Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
11 Beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 30 (dertig) dagen;
bepaalt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op 2 (twee) jaren;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;
stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich zal melden bij de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd te Rotterdam, wanneer en zo vaak als de instelling dat nodig acht, en zich zal houden aan de door of namens die instelling te geven voorschriften en aanwijzingen;
- naar school zal gaan volgens rooster en zich zal houden aan de regels en afspraken van
school;
- zal meewerken aan de begeleiding van een jongerencoach, indien en zo lang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht;
verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven
genoemde bijzondere voorwaarden:
- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;
- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan jeugdreclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 72 (tweeënzeventig) uren te verrichten werkstraf resteren;
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 36 (zesendertig) dagen;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst;
verklaart de [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in de vordering;
bepaalt dat deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
veroordeelt de verdachte, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de [benadeelde partij 2], te betalen een bedrag van € 500,- (zegge: vijfhonderd euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 19 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
wijst af hetgeen door [benadeelde partij 2] meer is gevorderd aan immateriële schade;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de [benadeelde partij 2] gemaakt, tot
op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve
van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting
aan de staat ten behoeve van [benadeelde partij 2] te betalen € 500,- (zegge: vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2024 tot aan
de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul)
dagen;
verstaat dat betaling aan [benadeelde partij 2] tevens geldt als betaling aan de staat ten
behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. H. Benaissa, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. A.L. Pöll en D.G.J. Roset, kinderrechters,
in tegenwoordigheid van mr. B. de Pater, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 februari 2026.
Bijlage I
Tekst gewijzigde tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 19 oktober 2024 te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht door
- een explosief voor de deur, althans in de dichte nabijheid, van het pand gelegen aan [adres 2] te plaatsen en/of aan te steken waardoor dit explosief tot ontploffing is gebracht en/of er vervolgens brand en/of een ontploffing is ontstaan, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemd pand en/of in voornoemd pand aanwezige goederen en/of de naastgelegen/omringende woningen/panden en/of in de naastgelegen/omringende woningen/panden aanwezige goederen te duchten was;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte] op of omstreeks 19 oktober 2024 te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht door
-een explosief voor de deur, althans in de dichte nabijheid, van het pand gelegen aan [adres 2] te plaatsen en/of aan te steken waardoor dit explosief tot ontploffing is gebracht en/of er vervolgens brand en/of een ontploffing is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemd pand en/of in voornoemd pand aanwezige goederen en/of de naastgelegen/omringende woningen/panden en/of in de naastgelegen/omringende woningen/panden aanwezige goederen te duchten was welk bovenomschreven misdrijf hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in of omstreeks de periode van 18 oktober 2024 tot en met 19 oktober 2024 te Rotterdam, althans in Nederland, opzettelijk heeft uitgelokt door beloften en/of het verschaffen van gelegenheid, middelen en/of inlichtingen, immers heeft hij, verdachte, in voornoemde periode toen en aldaar
- een snapchatgroep aangemaakt en/of opgestart en/of
- [medeverdachte] toegevoegd aan de snapchatgroep en/of
- [medeverdachte] gevraagd of hij fit was om een window crash te doen en/of
- die [medeverdachte] een bedrag van € 1500, althans een geldbedrag, in het vooruitzicht gesteld en/of
- een of meer ander(en) gezegd dat die [medeverdachte] de klus wil doen en/of
- ( in die snapchatgroep) gevraagd waar hij [medeverdachte], de pap en/of de bom kon halen en/of
- ( in die snapchatgroep) gevraagd wie het vervoer kon regelen voor die [medeverdachte];