Strafrecht overig
Bewezen is een poging zware mishandeling. De verdachte heeft het slachtoffer tijdens een concert op 26…
Rechtbank Rotterdam, 12 mei 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:7151 · Rechtbank Rotterdam · 12 mei 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbrot-2026-7151
Zaakgegevens
Op 12 mei 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 12 mei 2026
- Datum publicatie
- 22 juni 2026
- Zaaknummer
- 10-351588-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:7151
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Bewezen is een poging zware mishandeling. De verdachte heeft het slachtoffer tijdens een concert op 26 december 2026 met een mes in de buik gestoken. Hij wordt op basis van het adolescentenstrafrecht veroordeeld tot jeugddetentie van 180 dagen met aftrek van het voorarrest en waarvan 91 dagen voorwaardelijk worden opgelegd. Hieraan wordt een proeftijd van twee jaar gekoppeld met bijzondere voorwaarden. Ook wordt een werkstraf opgelegd van 120 uur.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-351588-25
Datum uitspraak: 12 mei 2026
Datum zitting: 21 april en 12 mei 2026
Tegenspraak
Verdachte: [verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 2004
ingeschreven op het [adres 1]
Advocaat van de verdachte: mr. E.Y. van Schaik
Officier van justitie: mr. A. de Bruijne
Kern van het vonnis
Bewezen is een poging zware mishandeling. De verdachte heeft het slachtoffer tijdens een concert op 26 december 2026 met een mes in de buik gestoken. Hij wordt op basis van het adolescentenstrafrecht veroordeeld tot jeugddetentie van 180 dagen met aftrek van het voorarrest en waarvan 91 dagen voorwaardelijk worden opgelegd. Hieraan wordt een proeftijd van twee jaar gekoppeld met bijzondere voorwaarden. Ook wordt een werkstraf opgelegd van 120 uur.
1 Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – op 26 december 2025 in Rotterdam tezamen en in vereniging of alleen heeft geprobeerd [slachtoffer] van het leven te beroven, dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hem in zijn buik te steken met een mes. Subsidiair is dit als mishandeling tenlastegelegd.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
1
primair
hij op of omstreeks 26 december 2025 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
- die [slachtoffer] met een mes althans puntig voorwerp in zijn buik heeft
gestoken',
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij op of omstreeks 26 december 2025 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer] heeft mishandeld door
- die [slachtoffer] met een mes althans puntig voorwerp in zijn buik te steken.
2 Bewijsoverwegingen en gedeeltelijke vrijspraak
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de primair tenlastegelegde poging doodslag. De verdachte moet volgens de officier van justitie wel worden veroordeeld voor de tenlastegelegde poging zware mishandeling. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor alle feiten. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak poging doodslag
De tenlastegelegde poging doodslag is niet bewezen. Hiervan wordt de verdachte dus vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen poging zware mishandeling
Bewezen is dat de verdachte op 26 december 2025 [slachtoffer] heeft geprobeerd zwaar te mishandelen door hem met een mes in zijn buik te steken. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.4.
De bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
1. Verklaring van de verdachte
Het klopt dat ik bij het concert was op 26 december 2025 in Rotterdam.
2. Proces-verbaal van bevindingen
Op vrijdag 26 december 2025 omstreeks 23.00 uur kregen wij de opdracht van het operationeel-centrum om te gaan naar de Ahoy te Rotterdam in verband met een steekpartij. Wij zagen dat er op dit podium een jongen op een stoel zat en onder rode vloeistof zat, wat bij ons ambtshalve bekend is als bloed. Wij zagen dat de bedrijfshulpverlener naast het slachtoffer zat en met haar hand druk aan het uitvoeren was op de steekwond. Ik zag dat het slachtoffer rechts onderin zijn buik was gestoken.
Het slachtoffer bleek genaamd te zijn: [slachtoffer] .
Ik vroeg aan het slachtoffer of hij de persoon, die hem zojuist in zijn buik had gestoken ergens van kent, waarop hij het volgende tegen mij verklaarde: “ik ken die jongen niet van naam maar ik weet wel hoe die eruit zag. De jongen die mij stak zag er als volgt uit:
-
man,
-
licht getint,
-
ongeveer 18 jaar oud,
-
bruine broek,
-
lang zwart haar in een knot”.
De beveiliger verklaarde uit het niets tegen ons “Ik heb een jongen gezien die zich verdacht ophield. Ik zag dat hij wat bloed in zijn mond had en richting het vrouwentoilet liep. Ik zag dat die jongen er als volgt uit zag:
-
man,
-
licht getint,
-
bruine broek,
-
haar in een knot”.
3. Proces-verbaal van bevindingen – Achterhalen gegevens [naam 5]
In de aangifte las ik onder meer dat het slachtoffer een persoon bij het optreden had gezien die hij kende als ‘ [naam 1] ’ of ‘ [naam 2] ’ en dat zijn bijnaam ‘ [bijnaam] ’ zou zijn. Na onderzoek in het politiesysteem op de zoektermen ‘ [naam 2] ’ en ‘ [naam 1] ’ kwam ik uit op een persoon genaamd: [naam 3] . Ik zag verder dat [naam 3] woont op het adres [adres 2] . De straat Meyenhage is een zijstraat van de Slinge en ligt parallel aan de Asterlo. Het slachtoffer verklaarde dat deze [naam 3] zich in een groep bevond met een jongen genaamd [naam 4] en met de verdachte die hem gestoken had. Het slachtoffer duidde de verdachte aan als ‘ [naam 5] ’. Aangezien ik vermoedde dat de aanduiding ‘ [aanduiding 1] ’ mogelijk kon slaan op een combinatie van voorletters van voor- en of achternaam zocht ik in het systeem naar een persoon die te relateren was aan [naam 3] en/of een persoon genaamd [naam 4] . Hierbij vond ik een registratie van 11 oktober 2025. Ik zag dat aan deze melding meerdere personen waren gekoppeld, waaronder [naam 3] en een persoon genaamd [naam 4] . Ook zag ik dat er aan deze registratie stond gekoppeld een man genaamd [verdachte] . Ik zag dat [verdachte] diverse foto’s had in het politiesysteem. Ik zag op deze foto dat [verdachte] een lichtgetinte huidskleur had, een kleine snor en dat hij een foto had waarop hij te zien is met gevlochten haar en een foto met los, lang haar. Ik zag dat [verdachte] tijdens een verhoor had verklaard dat zijn telefoonnummer [telefoonnummer] was. Nadat ik het telefoonnummer van [verdachte] in een speciaal daarvoor bestemde OSINT-telefoon had ingevoerd in chatapplicatie Snapchat zag ik direct een account met schermnaam ‘ [naam 5] ’. Na onderzoek in de politiesystemen zag ik dat dit telefoonnummer in meerdere inbeslaggenomen telefoons was opgeslagen, ook onder meer onder de aanduiding ‘ [aanduiding 2] ’, ‘ [aanduiding 1] ’, ‘ [aanduiding 3] en ‘ [aanduiding 4] ’.
Gezien het feit dat [verdachte] een link heeft met zowel [naam 3] als Richardson, zijn signalement overeenkomt met die het slachtoffer heeft opgegeven en het feit dat het door hem zelf opgegeven telefoonnummer in Snapchat de accountnaam ‘ [accountnaam] ’ heeft en in meerdere inbeslaggenomen telefoons staat opgeslagen als ‘ [aanduiding 2] ’/‘ [aanduiding 1] ’, kan met grote mate van zekerheid worden vastgesteld dat [verdachte] de persoon is die het slachtoffer in zijn aangifte heeft aangeduid als ‘ [aanduiding 1] ’.
4. Proces-verbaal van de politie, aangifte [slachtoffer]
Ik was op 26 december 2025 bij Ahoy in Rotterdam, concert van Broederliefde. [naam 4] praatte tegen mij. Toen kwam de verdachte op me af, hij pakte een mes, klapte die open en stak me. Hij kwam aangerend vanuit het opstootje tussen de twee groepen. De verdachte hield het mes in zijn rechterhand, langs zijn been naar beneden, zodat niet iedereen het kon zien. Ik zag dat hij het mes uitklapte met 1 hand, als een soort zakmes. Omdat het donker was kon ik het niet goed zien, maar hij klapte het open en stak me meteen met één stotende in mijn buik. Toen rende hij direct weg. Het mes van de verdachte was niet zo groot, het paste in zijn hand. Het stuk dat mij raakte was ongeveer zo groot (aangever toont een afstand tussen zijn vingers van 7 tot 10 centimeter). De jongen die me heeft gestoken heet [naam 5] . Ik weet wie hij is, maar ken hem niet. Ik weet niet waar hij woont, maar hij gaat met [bijnaam] en [naam 4] om. Ik heb snaps gezien van beide dat ik [naam 5] ook zie. [naam 5] is dun, tenger, tussen 175 en 183cm lang. Ik ben zelf 180cm, ongeveer en we schelen niet veel. Lang haar, achter in een knot, wel stijl haar. Hij heeft een lichte huidskleur, maar ik dat hij half Antilliaans of Surinaams is. Zijn haar is wel zwart. Ik denk dat [naam 5] tussen 18 en 20 jaar oud is. Ik geloof dat [naam 5] een kleine snor heeft.
5. Proces-verbaal van bevindingen – Foto [verdachte] in Ahoy
Op zaterdag 27 december 2025 deed ik onderzoek naar het Snapchataccount van [naam 3] . Ik bekeek dit account omstreeks 19:00 uur. Ik zag dat er op dit account twee berichten waren toegevoegd in het verhaal. Het tweede bericht betrof een foto van vier personen. Ik herkende de tweede persoon van links als [naam 3] aan de hand van zijn politiefoto. Ik zag dat de persoon naast hem, de derde persoon van links, een geblurd gezicht had. Ik zag dat deze persoon een bruine bodywarmer en een bruine broek droeg, een lichtgetinte huidskleur had en zwart haar had. Dit kwam overeen met het signalement dat het slachtoffer [slachtoffer] opgaf van de verdachte in zijn aangifte. Daarnaast zag ik dat de geblurde persoon sterke gelijkenissen vertoonde met de foto’s van [verdachte] in het politiesysteem.
6. Proces-verbaal van bevindingen – Herkenning van door slachtoffer verstrekte foto
In aanvulling op zijn aangifte verstrekte het slachtoffer onderstaande foto van de verdachte die hij aanduidde als ‘ [naam 5] ’. Ik herkende de persoon op deze foto als [verdachte] . Ik herkende hem aan de onderstaande gelaatsfoto in het politiesysteem. Daarnaast verklaarde het slachtoffer dat de verdachte was gekleed in een bruine broek en een bruine bodywarmer. Ik merkte op dat [verdachte] op de foto voldeed aan dit opgegeven signalement. Daarnaast merkte ik op dat de persoon op de door het slachtoffer verstrekte foto overeenkwam met de persoon op de (onderstaande) foto die werd aangetroffen op het Snapchatprofiel van [naam 3] .
7. FARR verklaring
Informatie ontvangen van de spoedeisende hulp van het Erasmus MC met aansluitend opname tot en met 27-12-2025. Rechts, onderin de buik is een wond, geduid als steekverwonding. Bij ongecompliceerd beloop ca 1,5 week. Een toegebrachte huiddoordringende wond in de onderbuik, indien vitale structuren worden geraakt, potentieel levensbedreigend.
Bewijsmotivering
Uit de hierboven opgenomen bewijsmiddelen volgt dat het de verdachte is geweest die het slachtoffer op 26 december 2025 met een mes in de buik heeft gestoken. Anders dan de verdediging heeft bepleit ziet de rechtbank voldoende steunbewijs voor de verklaring van het slachtoffer.
Door het slachtoffer met een mes in de buik te steken, heeft de verdachte de aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Het is een feit van algemene bekendheid dat de buik vitale organen bevat en dat het steken op deze plek tot ernstig letsel kan leiden. Dit wordt ook ondersteund door de FARR-verklaring. De verdachte heeft die kans met zijn handelen bewust aanvaard. Gelet op het gegeven dat er geen zwaar letsel is toegebracht, is het bij een poging gebleven.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
Feit 1 impliciet subsidiair
hij op 26 december 2025 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
- die [slachtoffer] met een mes in zijn buik heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
3 Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
Feit 1 impliciet subsidiair
Poging tot zware mishandeling.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4 Straf
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie verzoekt adolescentenstrafrecht toe te passen. De verdachte moet volgens de officier van justitie worden veroordeeld voor jeugddetentie voor de duur van 180 dagen, met aftrek van het voorarrest en waarvan 91 dagen voorwaardelijk. Hieraan moet volgens de officier van justitie een proeftijd van twee jaar worden gekoppeld met de bijzondere voorwaarden zoals deze zijn geformuleerd in het rapport van de Reclassering Nederland (hierna: reclassering) van 19 maart 2026. Daarnaast vordert de officier van justitie een taakstraf voor de duur van 120 uren.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit en slechts subsidiair – voor zover de rechtbank tot een bewezenverklaring zou komen – zich op het standpunt gesteld dat jeugdstrafrecht dient te worden toegepast en dat enkel een voorwaardelijke straf gepast is.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door het slachtoffer met een mes in zijn buik te steken. Dit moet voor het slachtoffer een uiterst beangstigende ervaring zijn geweest, te meer nu het incident plaatsvond tijdens een concert waar mensen naartoe gaan om een leuke avond te hebben. Naast de impact op het directe slachtoffer, maakt een gebeurtenis als deze een inbreuk op het veiligheidsgevoel in de samenleving en meer in het bijzonder op de andere aanwezigen bij het incident.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 3 april 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Rapport van de reclassering
De reclassering adviseert het jeugdstrafrecht toe te passen. Daarnaast adviseren zij bij een voorwaardelijk strafdeel het opleggen van bijzondere voorwaarden. Deze betreffen: meldplicht bij de reclassering, ambulante begeleiding, contactverbod, dagbesteding, locatiegebod (met elektronisch toezicht) en het meewerken aan verdiepingsdiagnostiek (en CoVa-training indien gediagnosticeerd).
Toepassing ASR
De verdachte was 21 jaar oud toen hij het strafbare feit pleegde. Net als de reclassering, de officier van justitie en de verdediging ziet de rechtbank in de persoon van de verdachte aanleiding om het adolescentenstrafrecht toe te passen.
Overige persoonlijke omstandigheden
De verdachte werkt vijf dagen in de week en is voornemens om in augustus 2026 te starten met een opleiding.
Oplegging straf
Straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit is jeugddetentie noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Daarom wordt een jeugddetentie van 180 dagen opgelegd met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Van deze jeugddetentie worden 91 dagen voorwaardelijk opgelegd. De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt. Het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf dat hierdoor resteert, is gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Dat betekent dat de verdachte niet terug hoeft naar de (jeugd)gevangenis.
De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen.
Daarnaast wordt aan de verdachte ook een taakstraf opgelegd van 120 uur, bestaande uit een werkstraf.
5 Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 45, 77c, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
6 Beslissingen
De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte het impliciet primair tenlastegelegde feit onder 1 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het impliciet subsidiair tenlastegelegde feit onder 1, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie van 180 (honderdtachtig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de jeugddetentie, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat 91 (eenennegentig) dagen van deze jeugddetentie niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
1. De verdachte meldt zich op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De aansluiting van elektronische monitoring geldt als de eerste meldplichtafspraak;
2. De verdachte meewerkt aan de begeleiding door E25 of een soortgelijke instelling en zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die begeleiding door of namens de instelling/begeleider zullen worden gegeven;
3. De verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2010;
4. De verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
5. De verdachte werkt mee aan verdiepend diagnostisch onderzoek, dat kan bestaan uit een persoonlijkheidsonderzoek of intelligentieonderzoek. Indien uit dit diagnostisch onderzoek blijkt dat een cognitieve gedragstraining is geïndiceerd, dan wordt betrokkene (in samenspraak met zijn toezichthouder) aangemeld bij bijvoorbeeld een CoVa-training. Een diagnostisch onderzoek zal verder duidelijkheid verschaffen welke training voor betrokkene geschikt is.
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
-
meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
-
meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
Werkstraf
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, van 120 (honderdtwintig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;
beveelt dat, voor het geval de verdachte de werkstraf niet (goed) verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 2 (twee) maanden.
Voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst.
7 Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J. de Lange, voorzitter,
en mrs. B. Vaz en E.M. Moison, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E. van Beek, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 12 mei 2026.
De griffier en de voorzitter zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.