Strafrecht overig

Afwijzing verzoek tot beëindiging van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel.

Rechtbank Rotterdam, 18 maart 2026

Zaakgegevens

Op 18 maart 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
18 maart 2026
Datum publicatie
22 juni 2026
Zaaknummer
10/113874-24
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:7158
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Afwijzing verzoek tot beëindiging van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/113874-24

Datum uitspraak: 18 maart 2026

Beslissing van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, naar aanleiding van een verzoek als bedoeld in artikel 6:6:14 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) in de zaak tegen de veroordeelde:

[veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,

gedetineerd in [naam PI],

raadsman mr. P.M. Iwema , advocaat te Rotterdam.

1 Inleiding

Bij vonnis van deze rechtbank van 11 juli 2024 is aan de veroordeelde opgelegd de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren. Het vonnis is op 7 augustus 2024 onherroepelijk geworden. De

tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel is op deze datum aangevangen. De veroordeelde

verblijft sinds 9 september 2024 in [naam PI]

(hierna: de PI).

2 Procesverloop

Op 28 januari 2026 is door de griffie van de rechtbank ontvangen een namens de veroordeelde gedaan verzoek als bedoeld in artikel 6:6:14, eerste lid, Sv tot een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel. Op 19 februari 2026 heeft de directeur van de inrichting waar de veroordeelde verblijft een verklaring afgegeven omtrent de stand van de uitvoering van het verblijfsplan van de veroordeelde. De zaak is behandeld op de openbare terechtzitting van 4 maart 2026. De officier van justitie mr. K. Broere, de veroordeelde en zijn raadsman mr. P.M. Iwema

zijn gehoord. Tevens is als deskundige gehoord [naam], casemanager van de PI.

3 Standpunten van partijen

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat voortzetting van de

tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel noodzakelijk is.

De veroordeelde en de raadsman hebben beëindiging van de ISD-maatregel bepleit. Daartoe

is aangevoerd dat sprake is van stagnatie van de maatregel, die de veroordeelde niet kan

worden verweten. Bij de vorige casemanager was sprake van disfunctioneren, wat uiteindelijk voor grote vertraging in het traject heeft gezorgd. De veroordeelde heeft alle vertrouwen in het traject verloren en wil daarom nergens meer aan meewerken. Nu buiten toedoen van de veroordeelde er geen enkel vooruitzicht is op een extern traject waar hij onder begeleiding kan wennen aan zijn vrijheid, is de veroordeelde het meest gebaat bij beëindiging van de ISD-maatregel, zodat hij zo spoedig mogelijk kan emigreren naar Turkije.

4 Beoordeling

Uit de verklaring van de directeur van de PI van 19 februari 2026 omtrent de stand van de uitvoering van het verblijfsplan van de veroordeelde en het verhandelde op zitting, blijkt dat de veroordeelde bekend is met meerdere vermogens- en geweldsfeiten in het verleden. Er hebben nog geen interventies plaatsgevonden die zijn gericht op de risicofactoren. Het extramurale traject is gestagneerd omdat daarvoor vereist is dat de veroordeelde een geldig legitimatiebewijs heeft, maar de veroordeelde weigert de kosten hiervoor te betalen. Gesprekken bij de GGZ praktijkondersteuner van de huisarts zijn gestopt wegens een gebrek aan motivatie van de veroordeelde. Voorts weigert de veroordeelde de aan hem geboden mogelijkheid om intramuraal agressieregulatietherapie te volgen. In feite komt het erop neer dat de veroordeelde alle medewerking aan zijn behandeling weigert. Het is derhalve aan de veroordeelde te wijten dat het behandeltraject nog niet voldoende van de grond is gekomen. Zolang de veroordeelde niet de juiste interventies en begeleiding ontvangt, blijft een ernstig risico op (gewelds)recidive bestaan.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat beëindiging van de maatregel naar verwachting zal leiden tot onveiligheid, ernstige (drank- en/of drugs)overlast en/of verloedering van het publieke domein. Voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel is gelet op al het voorgaande nog altijd vereist. Er is geen grond om tot beëindiging van de maatregel over te gaan.

5 Beslissing

De rechtbank:

  • wijst af het verzoek tot beëindiging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders;

  • bepaalt dat de tenuitvoerlegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders wordt voortgezet.

Deze beslissing is gegeven door:

mr. P. Joele, voorzitter,

mr. N.M. Ketelaar en mr. J. Langeveld, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. Loggen, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.

De oudste rechter en de jongste rechter zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.