Strafrecht overig

De verdachte heeft tijdens een vechtpartij een schop tegen het hoofd van de aangever gegeven. Vrijspraak van…

Rechtbank Rotterdam, 31 maart 2026

Zaakgegevens

Op 31 maart 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Dordrecht
Datum uitspraak
31 maart 2026
Datum publicatie
24 juni 2026
Zaaknummer
10/329692-25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:7320
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De verdachte heeft tijdens een vechtpartij een schop tegen het hoofd van de aangever gegeven. Vrijspraak van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag, maar veroordeling voor de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling. Vrijspraak van het plegen van openlijk geweld tegen de andere aangever. Gevangenisstraf van 120 dagen, deels voorwaardelijk en een taakstraf van 120 uren.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats Dordrecht

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10/329692-25

Datum uitspraak: 31 maart 2026

Datum zitting: 17 maart 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2003 in [geboorteplaats] ,

ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] .

Advocaat van de verdachte: mr. R. van den Hemel,

officier van justitie: mr. M. Vollebregt,

benadeelde partij: [benadeelde 1] en [benadeelde 2] ,

gemachtigde van de benadeelde partij: [naam gemachtigde] .

Kern van het vonnis

De verdachte heeft tijdens een vechtpartij een schop tegen het hoofd van de aangever gegeven. De rechtbank spreekt hem vrij van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag, maar veroordeelt hem voor de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling. De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het plegen van openlijk geweld tegen de andere aangever omdat niet is komen vast te staan dat de verdachte een bijdrage heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen hem, noch dat hij hier opzet op heeft gehad. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf.

1 Tenlastelegging

1.

primair
hij op of omstreeks 21 juni 2025 te Gorinchem,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
opzettelijk
een ander, te weten [slachtoffer 1]
van het leven te beroven,
- tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft getrapt en/of
- meermalen tegen het gezicht en/of het hoofd en/of de zij en/of het lichaam van
die [slachtoffer 1] heeft geslagen en/of getrapt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij op of omstreeks 21 juni 2025 te Gorinchem,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan een ander, te weten [slachtoffer 1]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft getrapt en/of
- meermalen tegen het gezicht en/of het hoofd en/of de zij en/of het lichaam van
die [slachtoffer 1] heeft geslagen en/of getrapt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;


2.
hij op of omstreeks 21 juni 2025 te Gorinchem,
aan de Arkelstraat, in elk geval openlijk
in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [slachtoffer 2] ,
welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit het meermalen trappen en/of
slaan tegen de zij en/of het lichaam van die [slachtoffer 2] .

2 Bewijs / Vrijspraak

2.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag en de onder 2 ten laste gelegde openlijke geweldpleging. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

2.2.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van feit 2. De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 1 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

2.3.

Oordeel van de rechtbank

2.3.1.

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging zwaar lichamelijk letsel toe te brengen aan aangever [slachtoffer 1] . De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.

De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft het feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.

1. Eigen waarneming van de rechtbank; camerabeelden

2. Verklaring van de verdachte ter terechtzitting

3. Deskundigenverslag

4. Proces-verbaal van de politie, verklaring van de aangever [slachtoffer 1]

2.3.2.

Bewijsmotivering

Poging tot doodslag

Voor een bewezenverklaring van een poging tot doodslag is vereist dat bij de verdachte sprake is van opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, op het overlijden van het slachtoffer. Op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting kan niet worden vastgesteld dat de verdachte vol opzet heeft gehad op de dood van de aangever.

Er kan ook sprake zijn van opzet als de verdacht bewust de kans heeft aanvaard dat het slachtoffer door zijn handelen zou komen te overlijden, het zogeheten voorwaardelijk opzet. Of de gedragingen van de verdachte de aanmerkelijke kans op een dergelijk gevolg in het leven roepen, is afhankelijk van de aard van die gedragingen en de omstandigheden waaronder die gedragingen zijn verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Uit de camerabeelden, de verklaring van verdachte en de verklaringen van aangever en zijn vader blijkt dat verdachte meerdere keren tegen het hoofd en het lichaam van aangever heeft geslagen en – toen aangever op zijn knieën op de grond zat - tegen het hoofd van aangever heeft geschopt. De eerste vraag die voorligt, is of de verdachte met dit handelen de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat aangever zou komen te overlijden.

Daarbij stelt de rechtbank voorop dat naar algemene ervaringsregels niet kan worden gesteld dat het geven van één of meerdere schoppen tegen het hoofd (eventueel in combinatie met slaan tegen het hoofd) altijd, of in veel gevallen, leidt tot de dood van het slachtoffer. Onder bepaalde omstandigheden kan het schoppen tegen iemands hoofd echter wel de aanmerkelijke kans in het leven roepen dat het slachtoffer als gevolg daarvan komt te overlijden. Deze omstandigheden kunnen onder meer gelegen zijn in de kracht waarmee wordt geschopt, de plek waar het hoofd wordt geraakt, het aantal schoppen, het schoeisel van de verdachte, alsmede de staat en de positie waarin het slachtoffer zich op dat moment bevindt.

De rechtbank stelt vast dat de verdachte het slachtoffer één maal heeft geschopt, van onderaf tegen het hoofd. De verdachte droeg daarbij gympen (vergelijkbaar met Nikes). Op basis van de FARR-verklaring en het overige bewijs kan niet worden vastgesteld dat deze schop of de eerder gegeven klappen van een zodanige kracht waren dat sprake was van een naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans op de dood. Ook verder volgt uit de FARR-verklaring niet dat het letsel van de aangever potentieel dodelijk was. Dit alles maakt dat niet met voldoende zekerheid valt vast te stellen of de verdachte met zijn handelen de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat de aangever zou komen te overlijden. Het feit dat de verdachte de kickboks-sport beoefent, maakt dat niet anders. De verdachte zal worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde.

Poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel

Op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting kan evenmin worden vastgesteld dat de verdachte vol opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij de aangever. Wel kan worden vastgesteld dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op dit gevolg.

Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte meerdere keren tegen het hoofd en lichaam heeft geslagen en één maal tegen het hoofd heeft geschopt. Hoewel de precieze kracht van de gegeven klappen en schop niet kunnen worden vastgesteld, blijkt uit het letsel dat aangever heeft opgelopen (waaronder een gebroken neus) dat dit met enige kracht moet zijn gebeurd. Het hoofd is een kwetsbaar onderdeel van het lichaam. Dergelijk handelen levert naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel (hersenletsel of blijvend aangezichtsletsel) op. De gedragingen van de verdachte kunnen bovendien worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg ook bewust heeft aanvaard. Gelet hierop is bewezen dat de verdachte feit 1 zoals subsidiair ten laste is gelegd heeft begaan. De rechtbank acht de poging tot mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg dan ook bewezen.

2.3.3.

Volledige bewezenverklaring

Bewezen is dat:

1.
subsidiair

hij op 21 juni 2025 te Gorinchem,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan een ander, te weten [slachtoffer 1]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft getrapt en
- meermalen tegen het gezicht of het hoofd en het lichaam van
die [slachtoffer 1] heeft geslagen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.3.4.

Vrijspraak van openlijk geweld gepleegd tegen [slachtoffer 2] (feit 2)

Het feit waarvan de verdachte wordt beschuldigd is niet bewezen.

Hij heeft verklaard dat hij zich in het eerste gevecht alleen tussen een groep en [slachtoffer 1] heeft gemengd met de bedoeling te de-escaleren. Hij heeft geen geweld gebruikt tegen het slachtoffer [slachtoffer 2] , aldus de verdachte.

Op de camerabeelden is te zien dat door meerdere personen geweld wordt uitgeoefend op [slachtoffer 1] . De verdachte maakt geen onderdeel uit van deze groep en is in eerste instantie ook nog niet in beeld. Vervolgens is te zien dat [slachtoffer 2] zich in de situatie mengt en een man in een zwarte trui met embleem op de rug vastpakt, optilt en uit de groep haalt die geweld uitoefent op [slachtoffer 1] . Zij vallen vervolgens samen op de grond en er ontstaat een schermutseling die zich los van het gevecht tussen de groep en [slachtoffer 1] afspeelt. Uit de verklaringen noch de camerabeelden blijkt dat verdachte op enig moment geweldshandelingen heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] .

Op de beelden is wel te zien dat de verdachte zich daarna op enig moment in het gevecht tussen de groep en [slachtoffer 1] mengt door met een hoge schop in de lucht de groep binnen te komen. Direct daarna duwt hij een man met een wit T-shirt en zwarte korte broek weg. Deze man heeft kort daarvoor en daarna geweld uitgeoefend tegen [slachtoffer 1] . De gedragingen van de verdachte lijken dus gericht tegen de personen die op dat moment geweld uitoefenen op [slachtoffer 1] , en niet tegen [slachtoffer 2] .

Deze beelden ondersteunen de verklaring van de verdachte dat hij zich in het gevecht heeft gemengd met als doel te de-escaleren. Deze verklaring wordt verder ondersteund door de getuigenverklaring van [getuige] , die de verklaring van verdachte bevestigt dat hij nadat dit gevecht was gestopt de telefoons van de aangevers heeft opgeraapt en aan hen heeft teruggegeven.

Nu uit de camerabeelden verder niet blijkt dat het geweld van de groep vanaf het begin ook tegen [slachtoffer 2] was gericht, er tegen [slachtoffer 2] pas geweld werd gepleegd nadat hij zich in het gevecht had gemengd, de daaropvolgende schermutseling zich los van het gevecht met [slachtoffer 1] afspeelt, en de verdachte in deze schermutseling geen aandeel heeft gehad komt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte geen bijdrage heeft geleverd aan en geen opzet heeft gehad op het geweld gepleegd jegens [slachtoffer 2] . De verdachte wordt vrijgesproken van feit 2.

3 Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.

Kwalificatie

Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:

Feit 1 subsidiair

poging tot zware mishandeling;

3.2.

Strafbaarheid van het feit en van de verdachte

Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

4 Straffen

4.1.

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 120 dagen met aftrek, waarvan 55 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar, en tot een taakstraf van 240 uur.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat aan de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf moet worden opgelegd die langer is dan de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Voor het overige heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Ernst en omstandigheden van het feit

De verdachte heeft zich onder invloed van alcohol schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door de aangever meerdere keren te slaan en een schop tegen zijn hoofd te geven. De aangever heeft hierdoor letsel, waaronder een gebroken neus en afgebroken tand, opgelopen en is zelfs buiten bewustzijn geraakt. De verdachte heeft door zijn handelen de grenzen van het acceptabele ver overschreden en een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangever. Dat dit bij de aangever gevoelens van angst en onveiligheid heeft teweeggebracht, naast het aanzienlijke lichamelijke letsel, blijkt wel uit de slachtofferverklaring die ter terechtzitting is voorgelezen. De mishandeling vond bovendien plaats op de openbare weg in een uitgaansgebied . Dergelijk nodeloos geweld leidt tot onrust en gevoelens van onveiligheid geleid bij buurtbewoners en omstanders.

Hoewel de verdachte zich niet zelf heeft gemeld bij de politie, weegt de rechtbank in zijn voordeel mee dat hij na zijn aanhouding volledige verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen en ook spijt heeft betuigd.

4.3.2.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 11 februari 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.

Rapport van de reclassering

In het rapport van Reclassering Nederland van 10 maart 2026 staat - voor zover hier relevant - het volgende.

Er is geen sprake van een delictpatroon. Op basis van het ten laste gelegde lijkt destijds sprake te zijn geweest van onvoldoende zelfbeheersing. Mogelijk werd dit versterkt door alcoholgebruik. De reclassering krijgt op basis van referenteninformatie niet de indruk dat sprake is van structurele problematiek op het gebied van agressie, middelengebruik of sociaal netwerk. Positieve factoren zijn de goede familiebanden van de verdachte, zijn partner en stabiliteit op praktische zaken (huisvesting, dagbesteding en financiën). De reclassering acht de actieve participatie van verdachte aan de gedragstraining tijdens het schorsingstoezicht als mogelijk beschermend. De reclassering krijgt de indruk dat de verdachte meer inzicht heeft gekregen in zijn emoties en de invloed van alcohol. Het risico op recidive, het risico op letsel en het risico op onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als laag.

Bij een veroordeling adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden. Er zijn geen belemmeringen voor het opleggen van een taakstraf.

4.3.3.

Oplegging straffen

Straffen

Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Alles overziend wordt een gevangenisstraf van 120 (honderdtwintig) dagen opgelegd. Van deze gevangenisstraf worden 55 (vijfenvijftig) dagen voorwaardelijk opgelegd.


Het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf is gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Dat betekent dat de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis. De rest van de gevangenisstraf wordt voorwaardelijk opgelegd. De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.

Daarnaast acht de rechtbank een taakstraf passend. Bij het bepalen van de duur van de taakstraf houdt de rechtbank ook rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. In lijn daarmee wordt een taakstraf van 100 (honderd) uur opgelegd.

5 Vordering van de benadeelde partijen

5.1.

Vordering [benadeelde 1]

heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 1.172,93 als vergoeding voor materiële schade en € 3.000,00 als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

5.2.

Standpunt van de officier van justitie

De vordering van de benadeelde partij kan in zijn geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

5.3.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich niet uitgelaten over de vordering.

5.4.

Oordeel van de rechtbank

5.4.1.

Materiële schade

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 subsidiair gepleegde strafbare feit. De verdediging heeft de vordering niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering wordt daarom toegewezen. Dit betekent dat de verdachte € 1.172,93 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.

5.4.2.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit onder 1 subsidiair rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen, te weten een gebroken neus, een afgebroken tand, blauwe plekken en krassen. De verdediging heeft ook dit deel van de vordering niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering wordt daarom toegewezen. Dit betekent dat de verdachte € 3.000,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.

5.4.3.

Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 21 juni 2025.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,00.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij.

Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 41 (eenenveertig) dagen. Toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

5.5.

Vordering [benadeelde 2]

heeft als benadeelde partij voor feit 2 € 455,87 als vergoeding voor materiële schade en € 1.500,00 als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

5.6.

Standpunt van de officier van justitie

De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 1.179,87, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij kan voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering, omdat de ziekenhuis daggeldvergoeding onvoldoende is onderbouwd en de gevorderde immateriële schade moet worden gematigd.

5.7.

Standpunt van de verdediging

De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering, omdat de verdediging voor dit feit vrijspraak heeft bepleit.

5.8.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering, omdat de verdachte wordt vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten die de verdachte heeft gemaakt bij de verdediging van de vordering, omdat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,00.

6 Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straffen zijn gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

7 Beslissingen

De rechtbank:

Vrijspraak

verklaart niet bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde feiten heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straffen

Gevangenisstraf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 120 (honderdtwintig) dagen;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

Taakstraf

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 100 (honderd) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;

Voorwaardelijk strafdeel

bepaalt dat de 55 (vijfenvijftig) dagen van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 (drie) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde dat:

- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;

Voorlopige hechtenis

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst;

Vordering benadeelde partij [benadeelde 1]

veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 1] (feit 1 subsidiair), te betalen een bedrag van € 4.172,93, bestaande uit € 1.172,93 als vergoeding van materiële schade en € 3.000,00 als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 21 juni 2025 tot de dag van volledige betaling.

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,00 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte voor feit 1 subsidiair de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 1] aan de staat € 4.172,93 te betalen, en de wettelijke rente vanaf 21 juni 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 41 (eenenveertig) dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.

Vordering benadeelde partij [benadeelde 2]

verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering (feit 2);

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering, en begroot deze kosten op € 0,00.

8 Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.P Hameete, voorzitter,

en mrs. D.M. Douwes en T. Urbanus, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. Loggen, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 31 maart 2026.

De voorzitter, de jongste rechter en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met nummer [dossiernaam] . Waargenomen tijdens de zitting van 17 maart 2026. Verklaard tijdens de zitting van 17 maart 2026. FARR-verklaring, pagina 12 van het zaaksdossier. Pagina 1 e.v. van het proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal] .