Strafrecht overig

De verdachte wordt veroordeeld wegens het opzettelijk voorhanden hebben van harddrugs, het eenmalig verkopen…

Rechtbank Rotterdam, 6 mei 2026

Zaakgegevens

Op 6 mei 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
6 mei 2026
Datum publicatie
26 juni 2026
Zaaknummer
10-021874-26
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:7430
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De verdachte wordt veroordeeld wegens het opzettelijk voorhanden hebben van harddrugs, het eenmalig verkopen van harddrugs en het voorbereiden van de handel in harddrugs vanuit zijn woning. Daarnaast heeft de verdachte een vuurwapen voorhanden gehad in zijn woning. De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 6 maanden, waarvan 143 dagen voorwaardelijk, met daaraan verbonden bijzondere voorwaarden. Daarnaast wordt aan de verdachte een onvoorwaardelijke taakstraf opgelegd van 60 uren.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10-021874-26

Datum zitting en uitspraak: 6 mei 2026

Verdachte:

[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1997 in [geboorteplaats],
ingeschreven op het adres [adres], [postcode] [plaatsnaam].
Advocaat van de verdachte: mr. M.F.A. van Pelt
Officier van justitie: mr. M.J.W. van Breukelen

1 Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - harddrugs heeft gedeald, harddrugs voorhanden heeft gehad en een en ander ook heeft voorbereid. Verder zou de verdachte een vuurwapen voorhanden hebben gehad.

De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat

1.

hij op of omstreeks 20 januari 2026 te Capelle aan den IJssel, opzettelijk heeft bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een of meer gebruikershoeveelheden cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2.

hij op of omstreeks 20 januari 2026 te Capelle aan den IJssel, al dan niet opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten een hoeveelheid cocaïne, aanwezig heeft gehad.

3.

hij op of omstreeks 20 januari 2026 te Capelle aan den IJssel, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten

  • het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,

  • het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of het opzettelijk vervaardigen

van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, te weten een hoeveelheid cocaïne,

  • een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,

  • zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,

  • voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, te weten:

  • een sealapparaat,

  • een weegschaal,

  • geld,

  • een of meer gripzakjes en/of

  • een hoeveelheid acetaminophen (paracetamol).

4.

hij op of omstreeks 20 januari 2026 te Capelle aan den IJssel,

  • een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool, merk Walther, model 9, kaliber 6.35 mm en/of

  • munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III te weten één of meer kogelpatronen, kaliber 6.35 mm,

voorhanden heeft gehad.

2 Bewijs

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor alle ten laste gelegde feiten.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van de feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Bewezenverklaring

Bewezen is dat:

1.

hij 20 januari 2026 te Capelle aan den IJssel, opzettelijk aanwezig heeft gehad, gebruikershoeveelheden cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

2.

hij op 20 januari 2026 te Capelle aan den IJssel, opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, te weten een hoeveelheid cocaïne, aanwezig heeft gehad.

3.

hij op 20 januari 2026 te Capelle aan den IJssel, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden te weten het opzettelijk bewerken, verkopen, van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, te weten een hoeveelheid cocaïne,

  • voorwerpen en stoffen, voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, te weten:

  • een sealapparaat,

  • een weegschaal,

  • geld,

  • een of meer gripzakjes en

  • een hoeveelheid acetaminophen (paracetamol).

4.

hij op 20 januari 2026 te Capelle aan den IJssel,

- een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool, merk Walther, model 9, kaliber 6.35 mm en

munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III te weten één of meer kogelpatronen, kaliber 6.35 mm, voorhanden heeft gehad.

Bewijsmiddelen

De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft de feiten bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor deze feiten de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.

1. Verklaring van de verdachte

2. Proces-verbaal van de politie

3. Proces-verbaal van de politie

4. Proces-verbaal van de politie

5. Proces-verbaal van de politie

6. Schriftelijk stuk, NFI rapportage

3 Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

Het bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

  1. opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

  2. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

3. handelen in strijd met het in artikel 10a lid 1 ahf onder sub 3 van de Opiumwet gegeven verbod;

4. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en bijbehorende munitie.

Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4 Straf

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet voor alle feiten worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 200 uren met aftrek van voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de reclassering.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gepleit voor een volledig voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden en een taakstraf, of in ieder geval voor een straf waarbij de verdachte niet meer terug hoeft naar de gevangenis.

Oordeel van de rechtbank

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft harddrugs voorhanden gehad en verkocht en de handel van harddrugs in zijn woning voorbereid. Ook heeft de verdachte een vuurwapen in zijn woning voorhanden gehad. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens, zeker in combinatie met de handel in verdovende middelen, vormt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 7 april 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.

In het rapport van de reclassering van 21 april 2026 wordt vermeld dat de leefsituatie van de verdachte na schorsing van de voorlopige hechtenis is verbeterd ten opzichte van zijn situatie voor de voorlopige hechtenis. Hij is werkzaam in het café van zijn vriendin en heeft hierdoor een inkomen. Daarnaast heeft hij goede afspraken met zowel de moeder van zijn dochter als met zijn eigen moeder over de omgang en opvoeding van zijn dochter. Deze ontwikkelingen zijn goed, maar nog pril. Het advies van de reclassering is daarom bij oplegging van een straf, een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden op te leggen. De verdachte heeft zowel bij de reclassering als ter terechtzitting aangegeven zich aan de voorwaarden van de reclassering te zullen houden.

Straf

Gelet op de ernst van de stafbare feiten is een gevangenisstraf passend. Daarbij wordt bij het bepalen van de strafsoort en de duur van de straf rekening gehouden met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Ook zijn de persoonlijke omstandigheden van de verdachte van belang alsook het feit dat verdachte vanaf het begin openheid van zaken heeft gegeven.

Het is passend om is een gevangenisstraf op te leggen, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Dat betekent dat een gevangenisstraf van zes maanden wordt opgelegd, waarvan 143 dagen voorwaardelijk. De verdachte hoeft dan niet terug naar de gevangenis.

De voorwaardelijke straf heeft tot doel te bevorderen dat hij in de toekomst kiest voor een legale inkomstenbron en te voorkomen dat hij opnieuw een strafbaar feit pleegt.

Aan de voorwaardelijke straf worden de bijzondere voorwaarden gekoppeld die de reclassering heeft geadviseerd. Deze bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen strafbare feiten door verdachte te verkleinen. Het gaat om:

  • een meldplicht bij de reclassering;

  • het volgen van een CoVa-training;

  • het geven van inzage in zijn financiën.

Verder zal ook een taakstraf van 60 uur worden opgelegd. Bij het bepalen van de duur van de taakstraf is rekening gehouden met het feit dat de taakstraf de werkzaamheden van de verdachte niet onnodig mag belemmeren.

5 In beslag genomen voorwerpen

Standpunt van de officier van justitie en verdediging

De officier van justitie heeft gevorderd dat het in beslag genomen geldbedrag wordt verbeurd verklaard. De verdediging heeft verzocht tot teruggave van het geldbedrag aan de verdachte.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank beslist tot de teruggave van het in beslag genomen geldbedrag van in totaal €864,30. Dit bestaat uit €710,00 respectievelijk €154,30 aan de verdachte. Het geldbedrag is niet met de strafbare feiten in direct verband te brengen.

6 Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 en 10a van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie.

7 Beslissingen

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte alle feiten, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

Gevangenisstraf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 180 dagen;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

Taakstraf

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 60 uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;

beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen;

Voorwaardelijk strafdeel

bepaalt dat 143 dagen, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte één van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde dat:

- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;

stelt als bijzondere voorwaarden dat:

  1. de verdachte binnen de zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

  2. de verdachte binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer;

  3. de verdachte de inspanningsverplichting heeft om de reclassering inzage te geven in zijn financiën;

geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden genoemd onder nummers 1 tot en met 3 en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:

  • meewerkt aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om zijn identiteit vast te stellen;

  • meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

In beslag genomen voorwerpen

- beveelt de teruggave van inbeslaggenomen geldbedrag (€864,30) aan de verdachte;

Voorlopige hechtenis

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst.

8 Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H. Janssen, voorzitter,

en mrs. N.M. Ketelaar en J.C. Rous, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. C.D. van der Veeke en P.A.J. van der Hart, griffiers,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 6 mei 2026.

Mrs. N.M. Ketelaar en P.A.J. van der Hart zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier Kieviet met nummer [nummer 1]. Verklaard tijdens de zitting van 6 mei 2026. Het proces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer 1]. Het proces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer 2]. Het aanvullend proces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer 3]. Het proces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer 4]. Rapport NFI [nummer 2] (aanvragen 001, 002, 003, 004, 005, 006). Goednummer: 7088892. Goednummer: 7088926.