Strafrecht overig

De verdachte is met haar voertuigcombinatie tegen het slachtoffer aangereden die op de vluchtstrook van de…

Rechtbank Rotterdam, 17 maart 2026

Zaakgegevens

Op 17 maart 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
17 maart 2026
Datum publicatie
29 juni 2026
Zaaknummer
10-039433-25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:7539
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De verdachte is met haar voertuigcombinatie tegen het slachtoffer aangereden die op de vluchtstrook van de snelweg stond. Als gevolg hiervan is het slachtoffer overleden. De rechtbank acht bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 6 WVW en legt aan haar een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van twaalf maanden met een proeftijd van twee jaar op.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10-039433-25

Datum uitspraak: 17 maart 2026

Datum zitting: 3 maart 2026

Tegenspraak

Verdachte: [verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1998 in [geboorteplaats] ,

ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] ,

Advocaat van de verdachte: mr. F. el Makhtari

Officier van justitie: mr. W.A.J.A. Welten

Benadeelde partij: [benadeelde partij]

Gemachtigde van de benadeelde partij: [gemachtigde]

Kern van het vonnis

De verdachte is met haar voertuigcombinatie tegen het slachtoffer aangereden die op de vluchtstrook van de snelweg stond. Als gevolg hiervan is het slachtoffer overleden. De rechtbank acht bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 6 WVW en legt aan haar een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van twaalf maanden met een proeftijd van twee jaar op.

1 Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat – samengevat – het aan haar schuld te wijten is dat op 16 september 2025 in Ridderkerk een verkeersongeval heeft plaatsgevonden als gevolg waarvan [slachtoffer] is overleden. Subsidiair is dit ten laste gelegd als het veroorzaken van gevaar op de weg.

De volledige tenlastelegging houdt in dat

primair

zij op of omstreeks 16 september 2024 te Ridderkerk als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto/vrachtauto met aanhangwagen), daarmede rijdende over de weg, de autosnelweg A15, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig zeer, althans aanmerkelijk, onoplettend, onvoorzichtig, onachtzaam en/of met aanmerkelijke verwaarlozing van de ten dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op die weg, welk onoplettend, onvoorzichtig, onachtzaam en/of onzorgvuldig rijgedrag hierin heeft bestaan dat verdachte toen daar

- haar snelheid niet zodanig heeft aangepast aan de verkeersomstandigheden dat zij, verdachte, haar motorrijtuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover de weg vrij was en/of zij, verdachte, de weg kon overzien en/of

- heeft gereden met een snelheid van ongeveer 92 kilometer per uur, terwijl de ter plaatse toegestane maximumsnelheid 80 kilometer per uur was, althans met een snelheid die hoger was dan gezien de verkeerssituatie ter plaatse geboden was, en/of

- niet de nodige voorzichtigheid in acht heeft genomen en/of onvoldoende aandacht heeft gehad voor het verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse en/of

- haar motorvoertuig niet of onvoldoende voortdurend onder controle heeft gehouden en/of

- met ongeveer 40 centimeter de aan de rechterkant van haar rijstrook gelegen ononderbroken witte belijning van de vluchtstrook heeft overschreden/overreden en/of

- op de rechts van haar rijstrook gelegen vluchtstrook heeft gereden en/of

- de (grotendeels) op die vluchtstrook staande [slachtoffer] niet tijdig heeft gezien en/of

- ( aldus rijdend) tegen die (grotendeels) op die vluchtstrook staande [slachtoffer] is aangereden / (aan)gebotst, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood;

subsidiair

zij op of omstreeks 16 september 2024 te Ridderkerk als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto/vrachtauto met aanhangwagen), daarmee rijdende op de weg, de autosnelweg A15,

- haar snelheid niet zodanig heeft aangepast aan de verkeersomstandigheden dat zij, verdachte, haar motorrijtuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover de weg vrij was en/of zij, verdachte, de weg kon overzien en/of

- heeft gereden met een snelheid van ongeveer 92 kilometer per uur, terwijl de ter plaatse toegestane maximumsnelheid 80 kilometer per uur was, althans met een snelheid die hoger was dan gezien de verkeerssituatie ter plaatse geboden was, en/of

- niet de nodige voorzichtigheid in acht heeft genomen en/of onvoldoende aandacht heeft gehad voor het verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse en/of

- haar motorvoertuig niet of onvoldoende voortdurend onder controle heeft gehouden en/of

- met ongeveer 40 centimeter de aan de rechterkant van haar rijstrook gelegen ononderbroken witte belijning van de vluchtstrook heeft overschreden/overreden en/of

- op de rechts van haar rijstrook gelegen vluchtstrook heeft gereden en/of

- de (grotendeels) op die vluchtstrook staande [slachtoffer] niet tijdig heeft gezien en/of

- ( aldus rijdend) tegen die (grotendeels) op die vluchtstrook staande [slachtoffer] is aangereden / (aan)gebotst, waarbij/waardoor die [slachtoffer] is overleden,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

2 Bewijs

2.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het primair tenlastegelegde feit in die zin dat daarbij sprake is van aanmerkelijk onvoorzichtig verkeersgedrag ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

2.2.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het primair tenlastegelegde feit. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

2.3.

Oordeel van de rechtbank

2.3.1.

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

Bewezen is dat een aan de verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden als gevolg waarvan [slachtoffer] is komen te overlijden. De volledige bewezenverklaring is opgenomen in paragraaf 2.3.3.

De bewezenverklaring van het primaire feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.

1. Verklaring van de verdachte

Ik reed op 16 september 2024 in mijn vrachtwagen van het type DAF met aanhangwagen op de A15 en kwam uit Dordrecht. Ik was afgeleid door een groot konvooi op de naastgelegen snelweg. Toen ik weer voor me keek, zag ik het slachtoffer (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] ) op de vluchtstrook staan. Ik probeerde nog uit te wijken, maar het mocht niet baten.

2. Proces-verbaal van de politie
De autosnelweg A15 betreft een zeer drukke autosnelweg met een zeer hoge verkeersintensiteit. Ter plaatse is de A15 parallel gesitueerd aan de autosnelweg A16 en is in een flauwe bocht naar rechts gesitueerd. De rijbaan bestaat vanuit de rijrichting gezien uit een geleiderails uiterst links. Daar rechts van is een smalle redresseerstrook met direct een doorgetrokken streep. Daar rechts van een tweetal rijstroken welke middels een onderbroken deelstreep van elkaar gescheiden zijn en rechts daarvan een doorgetrokken streep welke het begin van de vluchtstrook aangeeft. Rechts van deze doorgetrokken streep is de vluchtstrook gesitueerd. Rechts van de vluchtstrook staat de geleiderails.

3. Proces-verbaal van de politie

Op maandag 16 september 2024 stond het slachtoffer, [slachtoffer] , met zijn vrachtwagen op de vluchtstrook van de A15. Ter hoogte van waar slachtoffer stond te werken reed de bestuurster van de vrachtwagen tegen het slachtoffer aan, waarna deze overleed.

Op maandag 16 september 2024 werd de lijkschouw verricht bij [slachtoffer] . Er werden diverse zware letsels geconstateerd als gevolg van het verkeersongeval.

4. Proces-verbaal, verkeersongevallenanalyse

Onderwerp Onderzoek aanrijding met dodelijke afloop

d.d. 16 september 2024

Locatie Rijksweg A15 Links, 66.4h Ridderkerk

De toegestane maximumsnelheid ter plaatse voor de betrokken voertuigen was 80 km/u.

De Volvo met de aanhanger stond stil op de rechter vluchtstrook van de A15. De DAF (de rechtbank begrijpt: met de verdachte als bestuurder) op de A15 reed uit de richting van Papendrecht en was gaande in de richting van de A16 richting Rotterdam. De DAF had op de A15 ter hoogte van hectometerpaal 70,1 h met 1,25 meter de ononderbroken witte belijning van de vluchtstrook overreden. De DAF had op de A15 ter hoogte van de lichtmast aan de linkerzijde met 40 centimeter de ononderbroken witte belijning van de vluchtstrook overreden.

De voetganger (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] ) stond links naast de aanhangwagen van de Volvo en daarbij deels met de hak van de rechterschoen op de ononderbroken witte belijning.

Uit het tachograafonderzoek is gebleken dat de DAF reed met een snelheid van ongeveer 92 km/h.

5. Proces-verbaal van de politie

Op 22 september 2024 is met de betrokken DAF een reconstructie uitgevoerd op de ongevalslocatie. De DAF was voorzien van een dashcam welke de positie van de DAF voorafgaande en tijdens het ongeval had opgenomen.

Aan de hand van de dashcambeelden was tijdens de reconstructie de DAF op drie posities terug gepositioneerd op rijstrook 2.

De eerste positie was ter hoogte van hectometerpaal A15 Li 70,1 h en daarbij is gebleken dat de DAF rechts 125 centimeter buiten de eigen rijstrook heeft gereden.

(…)

De derde positie was ongeveer 6,5 meter voor de plaats van confrontatie. Gebleken is dat de DAF rechts 40 centimeter buiten de eigen rijstrook heeft gereden.

2.3.2.

Bewijsmotivering

Inleiding

Op 16 september 2025 heeft op de Rijksweg A15 ter hoogte van Ridderkerk een ongeval plaatsgevonden, waarbij de verdachte als bestuurster van een vrachtwagen met aanhanger (hierna: voertuigcombinatie) op de vluchtstrook [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) heeft aangereden, als gevolg waarvan hij is komen te overlijden. Het slachtoffer had voorafgaand aan het ongeval zijn vrachtwagen op de vluchtstrook geparkeerd en was bezig de spanbanden aan de linkerzijde van zijn vrachtwagen te controleren.

Schuld in de zin van artikel 6 WVW

De vraag die beantwoord moet worden is of de verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW. Of sprake is van schuld, hangt af van het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat sprake is van schuld kan niet zonder meer uit de ernst van de gevolgen van een ongeval worden afgeleid. Van schuld in de zin van artikel 6 WVW is pas sprake in het geval van (tenminste) een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.

De verdachte is, terwijl zij met haar voertuigcombinatie de bocht uitkwam en de plek naderde waar het slachtoffer zich met zijn vrachtwagen op de vluchtstrook bevond, afgeleid geraakt door een exceptioneel transport op de andere rijbaan. Hoewel het slachtoffer en zijn vrachtwagen voor haar ruim van tevoren zichtbaar moeten zijn geweest, heeft zij die pas opgemerkt op een moment waarop zij niet meer kon uitwijken.

Daarbij overschreed de verdachte op dat moment de toegestane snelheid, nu zij vlak voor de aanrijding ongeveer 92 km/u reed, terwijl de maximale toegestane snelheid ter plaatse 80 km/u was. Juist voor bestuurders van vrachtwagens is naleving de maximumsnelheid belangrijk omdat die vanwege het gewicht een veel langere remweg hebben dan personenauto’s. Uit het dossier blijkt bovendien dat de verdachte op het moment van de aanrijding met haar voertuigcombinatie zo’n 40 centimeter over de doorgetrokken streep van de vluchtstrook reed. Gebleken is dat zij ongeveer vierhonderd meter vóór de plaats van het ongeval ook al met haar voertuigcombinatie naar rechts was uitgeweken en ongeveer 1,25 meter over de doorgetrokken streep van de vluchtstrook heeft gereden. Gelet op al het bovenstaande is van een kort moment van onoplettendheid dan ook geen sprake geweest.

De rechtbank is van oordeel dat het onvoldoende aandacht hebben voor de verkeerssituatie en het overschrijden van de doorgetrokken streep die de vluchtstrook markeert, in combinatie met het overschrijden van de snelheidslimiet op de snelweg, aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig rijgedrag oplevert. Het ontstane verkeersongeval is daarom aan de schuld van verdachte te wijten. Van een beroepschauffeur mag bovendien worden verwacht dat zij extra voorzichtigheid betracht ten opzichte van het andere verkeer en dat zij zich houdt aan de geldende verkeersregels. Daarin is de verdachte tekort geschoten.

2.3.3.

Volledige bewezenverklaring

Bewezen is dat:

primair

zij op 16 september 2024 te Ridderkerk als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtauto met aanhangwagen), daarmede rijdende over de weg, de autosnelweg A15, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtigte rijden op die weg, welk onoplettend en onvoorzichtig rijgedrag hierin heeft bestaan dat verdachte toen daar

- heeft gereden met een snelheid van ongeveer 92 kilometer per uur, terwijl de ter plaatse toegestane maximumsnelheid 80 kilometer per uur was en

- niet de nodige voorzichtigheid in acht heeft genomen en onvoldoende aandacht heeft gehad voor het verkeer en de verkeerssituatie ter plaatse en

- haar motorvoertuig niet of onvoldoende voortdurend onder controle heeft gehouden en

- met ongeveer 40 centimeter de aan de rechterkant van haar rijstrook gelegen ononderbroken witte belijning van de vluchtstrook heeft overschreden en

- op de rechts van haar rijstrook gelegen vluchtstrook heeft gereden en

- de op die vluchtstrook staande [slachtoffer] niet tijdig heeft gezien en

- aldus rijdend tegen die op die vluchtstrook staande [slachtoffer] is aangereden, waardoor een ander genaamd [slachtoffer] werd gedood.

3 Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.

Kwalificatie

Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

3.2.

Strafbaarheid van het feit en van de verdachte

Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

4 Straffen

4.1.

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet volgens de officier van justitie worden veroordeeld tot 240 uur taakstraf en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden met een proeftijd van twee jaar.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Ernst en omstandigheden van het feit

De verdachte heeft een dodelijk verkeersongeval veroorzaakt. Zij heeft onvoldoende aandacht gehad voor de verkeerssituatie voor haar en is met haar voertuigcombinatie gedeeltelijk over de vluchtstrook gaan rijden. Als gevolg hiervan heeft zij het slachtoffer, dat op de vluchtstrook met zijn vrachtwagen bezig was, niet op tijd gezien en heeft zij hem aangereden. Hij is als gevolg hiervan komen te overlijden.

Hierdoor is diep en onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden van het slachtoffer. De vrouw van het slachtoffer heeft op de zitting een slachtofferverklaring voorgedragen, en heeft daarin het intense verdriet van haar en de familie over het verlies van hun dierbare voelbaar gemaakt.

De verdachte heeft op zitting spijt betuigd over haar handelen en verklaard dat zij dit nooit heeft gewild. Dit is op de rechtbank oprecht overgekomen. De rechtbank heeft met al deze omstandigheden rekening gehouden.

4.3.2.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 14 januari 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.

Overige persoonlijke omstandigheden

De verdachte is in behandeling gegaan bij een psycholoog om de gebeurtenis te kunnen verwerken. Ze werkt nog steeds als vrachtwagenchauffeur.

4.3.3.

Oplegging straffen

De rechtbank is zich er van bewust dat geen enkele straf het verlies van een dierbare kan compenseren. Strafoplegging dient niet alleen te gebeuren met inachtneming van de gevolgen van de gemaakte verkeersfouten, maar moet vooral worden afgezet tegen de ernst van de fout en dus de mate van schuld van de verdachte. De rechtbank acht de minst zware vorm van schuld bewezen en dit dient tot uitdrukking te komen in de strafmaat.

Gelet op de ernst van het strafbare feit is een taakstraf passend. Bij het bepalen van de duur van de taakstraf houdt de rechtbank ook rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Daarom wordt een taakstraf van 240 uur opgelegd.

Ook wordt aan de verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid opgelegd voor de duur van twaalf maanden. Deze ontzegging wordt geheel voorwaardelijk opgelegd, omdat verdachte vrachtwagenchauffeur is en voor haar inkomen daarom afhankelijk is van haar rijbewijs. Deze voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte weer een soortgelijk strafbaar feit pleegt. Hiervoor geldt een proeftijd van twee jaar.

5 Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 WVW.

6 Beslissingen

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straffen

Taakstraf

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 240 uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;

beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;

Ontzegging van de rijbevoegdheid

ontzegt de verdachte voor het feit de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 12 (twaalf) maanden;

bepaalt dat deze ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde dat:

- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt.

De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers van het dossier proces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer 1] . Verklaard tijdens de zitting van 3 maart 2026. Proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 2] , pagina 000016-17. Proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 3] , pagina 00045-46. Proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 4] , pagina 00073-117. Proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 5] , pagina 000069.