Strafrecht overig
Veroordeling voor verboden vuurwapenbezit en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Oplegging…
Rechtbank Rotterdam, 3 april 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:8616 · Rechtbank Rotterdam · 3 april 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbrot-2026-8616
Zaakgegevens
Op 3 april 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 3 april 2026
- Datum publicatie
- 15 juli 2026
- Zaaknummer
- 10/015506-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:8616
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling voor verboden vuurwapenbezit en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Oplegging van een deels voorwaardelijke jeugddetentie met aftrek, met een proeftijd van 2 jaar en met bijzondere voorwaarden. Gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team jeugd
Parketnummer: 10/015506-25
Datum uitspraak: 3 april 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 2007,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres 1] , [postcode] [plaatsnaam] ,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting verblijvend op het adres:
[verblijfadres] ,
raadsman mr. J.E.F.K. Liauw, advocaat te Rotterdam.
1 Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 3 april 2026.
2 Tenlastelegging
Aan de verdachte is – samengevat – verboden vuurwapenbezit en bedreiging met de dood en/of zware mishandeling ten laste gelegd. De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3 Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. C. de Bruijn heeft gevorderd:
-
bewezenverklaring van het ten laste gelegde;
-
veroordeling van de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 179 dagen met aftrek
van voorarrest, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met de voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad van de Kinderbescherming in het rapport van 26 maart 2026 en de voorwaarden geadviseerd door de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering; -
dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht.
4 Waardering van het bewijs
De verdachte heeft de ten laste gelegde feiten bekend. Gelet daarop en de overig bewijsmiddelen uit bijlage II komt de rechtbank tot een bewezenverklaring.
De verdachte heeft de feiten begaan op die wijze dat:
1
hij op of omstreeks 14 januari 2025 te Rotterdam
een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie,
te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een revolver van het merk BBM, type Olympic 38, kaliber 6mm
en/of voor voornoemd vuurwapen geschikte munitie
in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III te weten
3 kogelpatronen van kaliber.22LR
voorhanden heeft gehad
2
hij op of omstreeks 14 januari 2025 te Rotterdam
[slachtoffer 1] en/of (diens moeder) [slachtoffer 2] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door die [slachtoffer 1] en/of (diens moeder) [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen "Ik maak je dood, ik schiet je dood, ik schiet je moeder dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
5 Strafbaarheid feiten
De bewezen feiten leveren op:
Feit 1
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie
Feit 2
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.
6 Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
7 Motivering straf
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Feiten waarop de straf gebaseerd
De verdachte heeft zich op zeventienjarige leeftijd schuldig gemaakt aan bedreiging met de dood en verboden wapenbezit. Verdachte is met een vuurwapen bij zich naar de woning van de slachtoffers gegaan en heeft naast het balkon van de woning meerdere keren geroepen naar de slachtoffers. Verdachte heeft hierbij herhaaldelijk geroepen dat [slachtoffer 1] naar buiten moest komen en met verschillende woorden gezegd dat hij [slachtoffer 1] dood wilde maken. Verdachte heeft zichzelf hierbij op verschillende momenten gefilmd. Verdachte heeft ook gefilmd dat hij een vuurwapen richt op de voordeur van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .
Verdachte heeft met deze handelswijze een zeer beangstigende en stressvolle situatie veroorzaakt, die ook na het voorval nog voortduurt. Namens [slachtoffer 2] is door Slachtofferhulp Nederland ter zitting toegelicht dat zij nog steeds onder behandeling is bij een psycholoog voor de angst- en stressklachten die zij heeft als gevolg van het voorval. Verdachte lijkt ten tijde van het plegen van de feiten op geen enkele wijze te hebben stilgestaan bij de gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers. Bovendien bestond door de aanwezigheid van een wapen het risico dat deze daadwerkelijk zou worden gebruikt en (ernstig) letsel, of erger, zou worden veroorzaakt.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Strafblad
Uit de justitiële documentatie blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Zo is hij veroordeeld voor een straatroof, mishandeling, belediging en bedreiging.
Rapportages en verklaringen van deskundigen op de terechtzitting
In het NIFP-rapport van 18 februari 2026 vermelden de rapporteurs dat er geen psychologisch en psychiatrisch onderzoek heeft kunnen plaatsvinden omdat de verdachte op geen enkele wijze gehoor heeft gegeven aan de uitnodigingen.
Wel merken de NIFP-rapporteurs op dat er vanuit de gerechtelijke stukken een zorgelijk beeld over de verdachte naar voren komt en in 2021 tijdens een psychologisch pro Justitia onderzoek meerdere stoornissen bij verdachte zijn geconstateerd. Vanwege de weigering van de verdachte kon dit beeld niet worden bevestigd of onderzocht. De NIFP-rapporteurs concluderen dat het vooralsnog niet is gelukt om door ambulante hulpverlening het ongewenste gedrag en de leefomstandigheden van de verdachte ten goede te keren en dat dit ongunstig is voor zijn ontwikkeling.
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) schrijft in het rapport van 26 maart 2026 over de verdachte dat de kans op herhaling van nieuw delictgedrag vanuit het algemeen recidive risico hoog wordt ingeschat en vanuit het dynamisch risicoprofiel midden wordt ingeschat. De Raad ziet voornamelijk riscofactoren binnen de domeinen GGZ, school en vaardigheden. Het zou volgens de Raad goed zijn als de verdachte hiervoor behandeling ontvangt en weer met een opleiding start.
De Raad merkt op dat een (voorwaardelijke) PIJ-maatregel niet afgewogen kan worden, omdat er geen recente rapportage en advies vanuit het NIFP beschikbaar is. Gezien zijn leeftijd, de delictgeschiedenis en begeleidingsverleden zou dit volgens de Raad mogelijk wel passend zijn, maar gelet op de tenlastelegging wel een zware maatregel. De Raad ziet voldoende reden om ondanks zijn leeftijd toch opnieuw jeugdreclasseringsbegeleiding te adviseren. De verdachte verblijft nog bij een begeleid wonen plek en wil nog een opleiding gaan doen. De William Schrikker Stichting kan hierin volgens de Raad meer doortastend en outreachend aansluiten bij de verdachte dan dat Reclassering Nederland dit zal doen. De Raad adviseert een deels voorwaardelijke jeugddetentie. Daarbij dient het onvoorwaardelijke deel gelijk te staan aan het voorarrest.
Ter zitting brengt [naam] , werkzaam bij de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: WSS) naar voren dat WSS het belangrijk vindt dat de verdachte blijft meewerken aan begeleid wonen en de daar geldende regels en zich ook blijft richten op dagbesteding. Verdachte heeft sinds kort werk en WSS vindt het belangrijk dat hij daar blijft werken. Bij een voorwaardelijke straf adviseert WSS de volgende bijzondere voorwaarden: meewerken aan begeleid wonen, inspannen voor een vorm van dagbesteding, meewerken aan een behandeling, bijvoorbeeld door De Waag of een soortgelijke instelling, en eventueel aanvullende diagnostiek, begeleiding door een coach via Levvel in plaats van E25 (omdat verdachte nu in Amsterdam woont) en eventueel een contactverbod met slachtoffers.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. De rechtbank overweegt echter ook dat het voorarrest van verdachte al geruime tijd heeft geduurd en oordeelt dat het voor de ontwikkeling van de verdachte niet wenselijk is als hij terug naar de jeugdgevangenis zou moeten. Het deel van de jeugddetentie dat na aftrek overblijft zal de rechtbank voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van twee jaar. Gelet op de rapporten van de deskundigen en hetgeen op zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat verdachte gebaat is bij begeleiding, behandeling en toezicht. Om die reden zullen aan het voorwaardelijke strafdeel voorwaarden worden verbonden die hierna worden genoemd, overeenkomstig de adviezen van de Raad en de WSS. Het voorwaardelijk strafdeel dient er ook toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die zijn gericht tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Gelet op de ernst van de feiten, de rapportages van het NIFP en de Raad en het advies van WSS, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.
8 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde partij] , ter zake van het tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 149,65 aan materiële schade en een bedrag van € 850,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
Standpunt verdediging
De raadsman bepleit dat de vordering ter hoogte van € 850,00 aan immateriële schade aan de hoge kant is, gelet op de bedreigingen heen en weer tussen verdachte en [slachtoffer 1] , en verzoekt de rechtbank het bedrag te matigen. Na een opmerking van de rechtbank dat de vordering is ingesteld door [benadeelde partij] en zij geen bedreigingen heeft geuit richting de verdachte, merkt de raadsman op dat hij zich verder refereert aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling
Vast is komen te staan dat aan de [benadeelde partij] door de bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht. De gevorderde schadevergoeding is voldoende onderbouwd, door de verdachte niet betwist en komt de rechtbank redelijk en gegrond voor. De rechtbank zal de vordering daarom toewijzen.
De [benadeelde partij] heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 14 januari 2025.
Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Conclusie
De verdachte moet de [benadeelde partij] een schadevergoeding betalen van € 999,65, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.
Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
9 Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa en 285 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 1, 2 en 26 van de Wet wapens en munitie.
10 Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
11 Beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 178 (honderdachtenzeventig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie groot 30 (dertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op een twee jaren;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;
stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
1. zich gedurende een door de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting,
Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam te bepalen periode (die
loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) zal melden bij de jeugdreclassering
wanneer en zo vaak als deze instelling dat nodig vindt;
2. zal meewerken aan psychologisch (aanvullend) onderzoek en daaruit voortvloeiende
behandeling;
3. zal meewerken aan behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling, indien en zo
lang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
4. zal meewerken aan begeleiding van een (jongeren)coach, van bijvoorbeeld Intensieve
Forensische aanpak (IFA) of een vergelijkbare instelling;
5. zich zal inspannen een zinvolle dagbesteding te hebben en te behouden en/of zich zal inspannen om werk en/of een school te vinden en zal hier volgens
(werk)rooster naartoe gaan en zal zich houden aan de regels en afspraken van werk en/of
school;
6. zal meewerken aan een verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke
opvang, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
7. op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met
[slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2006 in [geboorteplaats 2] en (diens
moeder) [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 3] 1974 te [geboorteland] ;
8. zich niet zal bevinden bij de woning aan de [adres 2] zo lang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht.
verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:
- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;
- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting, Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam tot toezicht op de naleving van deze voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
beveelt dat de gestelde voorwaarden en het aan genoemde jeugdreclasseringsinstelling opgedragen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij, te betalen een bedrag van € 999,65 (zegge: negenhonderdnegenennegentig euro en vijfenzestig cent), bestaande uit € 149,65 aan materiële schade en € 850 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 14 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € € 999,65 (hoofdsom, zegge: negenhonderdnegenennegentig euro en vijfenzestig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
Dit vonnis is gewezen door:
mr. N. Doorduijn, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. W.M. Stolk en S. Putting, kinderrechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.M. Borges Dias, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 april 2025.
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 14 januari 2025 te Rotterdam
een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie,
te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een revolver van het merk BBM, type Olympic 38, kaliber 6mm
en/of voor voornoemd vuurwapen geschikte munitie
in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III te weten
3 kogelpatronen van kaliber.22LR
voorhanden heeft gehad
2
hij op of omstreeks 14 januari 2025 te Rotterdam
[slachtoffer 1] en/of (diens moeder) [slachtoffer 2] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door die [slachtoffer 1] en/of (diens moeder) [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen "Ik maak je dood, ik schiet je dood, ik schiet je moeder dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;