Strafrecht overig

De verdachte heeft een vuurwapen en verschillende soorten (hard)drugs voorhanden gehad. De rechtbank…

Rechtbank Rotterdam, 15 april 2026

Zaakgegevens

Op 15 april 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Dordrecht
Datum uitspraak
15 april 2026
Datum publicatie
27 juli 2026
Zaaknummer
10-321686-25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:9081
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De verdachte heeft een vuurwapen en verschillende soorten (hard)drugs voorhanden gehad. De rechtbank veroordeelt hem tot een gevangenisstraf voor de duur van 270 dagen met aftrek van voorarrest op, waarvan 226 dagen voorwaardelijk met daaraan gekoppeld een proeftijd van 2 jaren en enkele bijzondere voorwaarden. Ook legt de rechtbank een taakstraf op voor de duur van 180 uren.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats Dordrecht

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10-321686-25

Datum uitspraak: 15 april 2026

Datum zitting: 15 april 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1999 in [geboorteplaats] ,

ingeschreven op het adres:

[adres] , [postcode] [woonplaats] .

Advocaat van de verdachte: mr. O.J. Much

Officier van justitie: mr. I. Barendregt

Kern van het vonnis

De verdachte heeft een vuurwapen en verschillende soorten (hard)drugs voorhanden gehad. De rechtbank veroordeelt hem tot een gevangenisstraf voor de duur van 270 dagen met aftrek van voorarrest op, waarvan 226 dagen voorwaardelijk met daaraan gekoppeld een proeftijd van 2 jaren en enkele bijzondere voorwaarden. Ook legt de rechtbank een taakstraf op voor de duur van 180 uren.

1 Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte onder feit 1 ervan dat hij een vuurwapen voorhanden heeft gehad. Hiernaast beschuldigt hij de verdachte ervan dat hij MDMA en cocaïne (feit 2) en hasjiesj aanwezig heeft gehad (feit 3).

De volledige tenlastelegging houdt in dat:

1
hij op of omstreeks 25 november 2025 te Rotterdam,
een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie II, onder 4 van de Wet wapens en
munitie,
te weten
een vuurwapen in de zin van artikel 1, lid 1 onder 3 van die wet, dat uiterlijk geleek
op een ander voorwerp dan een wapen, namelijk een schietpen van het kaliber
8mm, en/of
munitie in de zin van art. 1 onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten
munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III,
te weten
een kogelpatroon, kaliber 7,65mm en/of zes kogelpatronen, kaliber .22,
voorhanden heeft gehad;

2
hij op of omstreeks 25 november 2025 te Rotterdam,
opzettelijk
aanwezig heeft gehad
ongeveer 1777,5 gram MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal
bevattende MDMA en/of ongeveer 4,7 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid
van
een materiaal bevattende cocaïne,
zijnde MDMA en/of cocaïne
(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3
hij op of omstreeks 25 november 2025 te Rotterdam,
opzettelijk
aanwezig heeft gehad
ongeveer 50,5 gram hasjiesj, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van
een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen
van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj),
zijnde hasjiesj
een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2 Bewijs

2.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de ten laste gelegde feiten.

2.2.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

2.3.

Oordeel van de rechtbank

2.3.1.

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

Bewezen is dat de verdachte een vuurwapen voorhanden heeft gehad en hiernaast MDMA, cocaïne en hasjiesj aanwezig heeft gehad. De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. Dit verkorte vonnis bevat geen bewijsmiddelen. Als hoger beroep wordt ingesteld, zal het vonnis worden aangevuld met een bijlage met daarin de opsomming dan wel de inhoud van de bewijsmiddelen.

2.3.2.

Volledige bewezenverklaring

Bewezen is dat:

1
hij op 25 november 2025 te Rotterdam,
een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie II, onder 4 van de Wet wapens en
munitie,
te weten
een vuurwapen in de zin van artikel 1, lid 1 onder 3 van die wet, dat uiterlijk geleek
op een ander voorwerp dan een wapen, namelijk een schietpen van het kaliber
8mm, en
munitie in de zin van art. 1 onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten
munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III,
te weten
een kogelpatroon, kaliber 7,65mm en zes kogelpatronen, kaliber .22,
voorhanden heeft gehad;

2
hij op 25 november 2025 te Rotterdam,
opzettelijk
aanwezig heeft gehad
1755,8 gram van een materiaal bevattende MDMA en 4,7 gram van een materiaal bevattende cocaïne,
zijnde MDMA en cocaïne
telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3
hij op 25 november 2025 te Rotterdam,
opzettelijk
aanwezig heeft gehad
ongeveer 50,5 gram hasjiesj, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van
een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen
van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj),
zijnde hasjiesj
een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3 Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

Feit 1

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

Feit 2

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Feit 3

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

3.2.

Strafbaarheid van het feit en van de verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4 Straf

4.1.

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 270 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 226 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering in het over de verdachte opgemaakte rapport van 23 februari 2026. De verdachte moet daarnaast worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft een omgebouwd vuurwapen en munitie voorhanden gehad. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens zorgt voor gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Dit levert ook een onaanvaardbaar risico op, omdat het bezit van een vuurwapen maar al te gemakkelijk leidt tot het gebruik ervan. Vooral vanuit het oogpunt van generale preventie moet tegen dergelijke feiten streng worden opgetreden. Daarnaast heeft de verdachte verschillende vormen van (hard)drugs aanwezig gehad. MDMA en cocaïne vormen een gevaar voor de volksgezondheid en leiden, direct en indirect, tot vele vormen van (ernstige) criminaliteit en milieuschade. Ook hiertegen moet daarom streng worden opgetreden.

4.3.2.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 6 maart 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte werkt daarom strafverhogend.

Reclasseringsadvies

In het advies van Reclassering Nederland (hierna: de reclassering) van 23 februari 2026 staat het volgende.

Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog. Er lijkt sinds vier jaar sprake van instabiliteit op verschillende leefgebieden. De verdachte heeft een tekort aan oplossingsvaardigheden laten zien, maar er is geen diagnostiek. Het is de verdachte niet gelukt om stabiliteit in zijn leven te creëren. De instabiliteit op nagenoeg alle leefgebieden leidt tot een risico op delictgedrag. Tevens ontbreekt het de verdachte aan perspectief en/of een oplossing. Hij lijkt weinig lijdensdruk te ervaren, hetgeen als een mogelijk signaal van een pro- criminele en/of een antisociale houding wordt gezien. Indien de verdachte schuldig wordt bevonden, adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen. Als bijzondere voorwaarden adviseert zij begeleiding door Humanitas Homerun, het meewerken aan schuldhulpverlening en aan het afnemen van een intelligentieonderzoek, inspanning voor een zinvolle dagbesteding en begeleid wonen.

4.3.3.

Oplegging straf

De ernst van het feit rechtvaardigt, mede gelet op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Echter, nu de reclassering oplegging van bijzondere voorwaarden adviseert en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte hier aanleiding toe geven, ziet de rechtbank aanleiding om een groot deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen, met daaraan gekoppeld een proeftijd van 2 jaren. De rechtbank verbindt hieraan de hierna te noemen voorwaarden, die ertoe dienen de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal daarnaast, om de ernst van de feiten tot uitdrukking te brengen, de verdachte ook veroordelen tot een onvoorwaardelijke taakstraf. Deze taakstraf is hoger dan de officier van justitie heeft geëist, nu deze eis onvoldoende recht doet aan de ernst van het feit en het strafrechtelijk verleden van de verdachte.

5 In beslag genomen voorwerpen

5.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het (namaak) Cartier Horloge ( [voorwerpnummer 1] ) wordt teruggegeven aan de verdachte. Het (namaak) Rolex Horloge ( [voorwerpnummer 2] ) en het geldbedrag ter hoogte van € 800,- ( [voorwerpnummer 3] ) moeten worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.

5.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

5.3.

Oordeel van de rechtbank

5.3.1.

Teruggave

De rechtbank beslist tot de teruggave van de in beslag genomen Cartier Horloge ( [voorwerpnummer 1] ) aan de verdachte.

5.3.2.

Bewaring

De rechtbank beslist tot de bewaring van de in beslag genomen Rolex Horloge ( [voorwerpnummer 2] ) en het geldbedrag ter hoogte van € 800,- ( [voorwerpnummer 3] ) ten behoeve van de rechthebbende.

6 Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

7 Beslissingen

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 en 3, zoals onder 2 is omschreven, heeft gepleegd;

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de onder 3 vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 270 (tweehonderdzeventig) dagen;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

bepaalt dat 226 dagen van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde dat:

- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;

stelt als bijzondere voorwaarden:

1. Meldplicht bij reclassering

Dat de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak.

2. Begeleiding door Humanitas Homerun

Dat de verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, meewerkt aan begeleiding door Humanitas Homerun of soortgelijke instelling, te bepalen door de reclassering.

3. Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang

Dat de verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.

4. Dagbesteding

Dat de verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.

5. Aflossen van schulden

Dat de verdachte meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen of samenwerken met een bewindvoerder. De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.

6. Meewerken aan een intelligentieonderzoek

Dat de verdachte meewerkt aan de afname van een intelligentieonderzoek.

geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarden genoemd onder 1-6 en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:

  • meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;

  • meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 180 (honderdtachtig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;

beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 dagen;

beveelt de teruggave van [voorwerpnummer 1] aan de verdachte;

beveelt de bewaring van [voorwerpnummer 2] en [voorwerpnummer 3] ten behoeve van de rechthebbende.

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst.

8 Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. D.F. Smulders, voorzitter,

en mrs. W.J.M. Diekman en J. Langeveld, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.P. de Jong, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 15 april 2026.

Mrs. D.F. Smulders en E.P. de Jong zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.