Strafrecht overig

De verdachte heeft een nitraat op de ruit van het Antes gebouw geplakt en tot ontploffing gebracht. Hierbij…

Rechtbank Rotterdam, 18 juni 2026

Zaakgegevens

Op 18 juni 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
18 juni 2026
Datum publicatie
3 augustus 2026
Zaaknummer
10-347242-25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:9461
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De verdachte heeft een nitraat op de ruit van het Antes gebouw geplakt en tot ontploffing gebracht. Hierbij zijn ruiten van het gebouw vernield. Gevangenisstraf 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk proeftijd 3 jaren + bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10-347242-25

Datum uitspraak: 18 juni 2026

Datum zitting: 4 juni 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1989 in [geboorteplaats]

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres 1] , [postcode] [woonplaats] ,

preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [locatie] .

Advocaat van de verdachte: mr. M. Schmit

Officier van justitie: mr. M. van Breukelen.

1 Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – opzettelijk brand heeft gesticht met (levens-)gevaar voor goederen en personen. Subsidiair is dit als een vernieling van een gebouw ten laste gelegd. Tot slot wordt de verdachte ervan beschuldigd verbalisanten te hebben beledigd tijdens zijn aanhouding.

De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:

1

hij op of omstreeks 19 december 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een nitraat, althans zwaar/illegaal vuurwerk, te plakken/plaatsen op een ruit/raam van het gebouw van Antes (aan [adres 2] ) en/of vervolgens voornoemde nitraat aan te steken terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten het gebouw van Antes en/of één of meer aangrenzende panden te duchten was en/of

- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten één of meer personen welke zich bevonden in die voornoemde panden te duchten was;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 december 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een gebouw, te weten het pand van Antes gelegen aan [adres 2] , dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan Antes en/of de pandeigenaar, toebehoorde, heeft vernield en/of beschadigd;

2

hij op of omstreeks 19 december 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant 1] , agent van politie eenheid Rotterdam en/of [verbalisant 2] , hoofdagent van politie eenheid Rotterdam, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, in zijn/hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/hun de woorden toe te voegen: "kankerlijers" en/of "kankerflikkers", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

2 Bewijs

2.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de feiten 1 primair en 2. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

2.2.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor feit 1 primair. De verdediging heeft zich ten aanzien van de feiten 1 subsidiair en 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

2.3.

Oordeel van de rechtbank

2.3.1.

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het teweeg brengen van een explosie waarbij gemeen gevaar voor goederen is ontstaan. Daarnaast heeft hij meerdere verbalisanten beledigd tijdens zijn aanhouding. De volledige bewezenverklaring is vermeld in de volgende paragraaf.

De bewezenverklaring van feit 1 primair is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en bewijsmotivering.

1. Verklaring van de verdachte

Op 19 december 2025 heb ik een nitraat op het raam van het washok van het gebouw van Antes aan [adres 2] te Rotterdam geplakt en aangestoken. Vervolgens volgde een explosie.

2. Proces-verbaal van de politie

Op 19 december 2025 kwamen wij ter plaatse aan [adres 2] te Rotterdam. Wij zagen dat de ruiten, waarbij het raamkozijn voorzien was van dubbel glas, vernield waren. Wij zagen dat er zich een groot gat bevond in beide ruiten. Wij zagen dat er zowel in het pand als buiten naast het pand veel glasscherven op de grond lagen. In de ruiten die nog in het raamkozijn bevonden, zagen wij meerdere barsten.

Bewijsmotivering

Anders dan door de verdediging is betoogd, is de rechtbank van oordeel dat bij deze explosie gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Dat het pand van Antes en de aangrenzende panden bij de ontploffing gevaar liepen was naar algemene ervaringsregels voorzienbaar, nu door de explosie op zichzelf maar ook door rondslingerend glas als gevolg daarvan schade kan ontstaan. De officier van justitie heeft gerekwireerd dat ook levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel van een ander te duchten was. De verdachte heeft echter steeds verklaard dat hij vooraf heeft gecontroleerd dat zich geen personen in het washok (waar hij de nitraat tegen de ruit had geplakt) bevonden en ook uit het dossier volgt niet dat hier personen waren. Nu het dossier daarnaast geen informatie bevat over het type vuurwerk, de kracht en de gevaren hiervan voor personen, is niet vast komen te staan dat naar algemene ervaringsregels levensgevaar of gevaar voor zwaar letsel voorzienbaar was.

Het ten laste gelegde te duchten levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen is dan ook niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte zal van dit bestanddeel worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring van het tweede feit is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft dit feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.

1. Verklaring van de verdachte

2. Proces-verbaal van de politie

2.3.2.

Volledige bewezenverklaring

Bewezen is dat:

1

hij op of omstreeks 19 december 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een nitraat, althans zwaar/illegaal vuurwerk, te plakken/plaatsen op een ruit/raam van het gebouw van Antes (aan [adres 2] ) en/of vervolgens voornoemde nitraat aan te steken terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten het gebouw van Antes en/of één of meer aangrenzende panden te duchten was en/of

- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten één of meer personen welke zich bevonden in die voornoemde panden te duchten was;

2

hij op of omstreeks 19 december 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant 1] , agent van politie eenheid Rotterdam en/of [verbalisant 2] , hoofdagent van politie eenheid Rotterdam, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, in zijn/hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/hun de woorden toe te voegen: "kankerlijers" en/of "kankerflikkers", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;.

3 Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

Feit 1 primair

opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

Feit 2

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.

3.2.

Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4 Straf

4.1.

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet voor de feiten 1 primair en 2 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en bijzondere voorwaarden.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging meent dat een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest passend is, met nog een voorwaardelijk deel. Daarnaast is de verdachte bereid om een taakstraf uit te voeren.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft een nitraat op de ruit van het Antes gebouw geplakt en tot ontploffing gebracht. Hierbij zijn ruiten van het gebouw vernield. Ter zitting heeft de verdachte aangegeven dat wat hij heeft gedaan, een egoïstische daad was en een schreeuw om hulp. Hij wilde juist worden opgenomen en van de drugs afgeholpen worden, maar in plaats van hulp te krijgen, is de verdachte meermalen afgewezen door Antes. De verdachte heeft door zijn handelen voor veel angst gezorgd bij bewoners en de medewerkers van Antes. Vervolgens heeft de verdachte op diezelfde datum twee verbalisanten beledigd bij de aanhouding die hierop volgde. De verbalisanten hebben zich hierdoor in hun goede naam aangetast gevoeld. Door zo te handelen heeft verdachte laten zien geen respect te hebben voor het openbaar gezag en voor het publieke belang dat door opsporingsambtenaren wordt gediend.

4.3.2.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad van 23 december 2025 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.

Rapporten van deskundigen en de reclassering

In de rapporten van J. van der Meer, psychiater, en M. Hulshof, gz-psycholoog, opgemaakt op respectievelijk 16 en 17 april 2026 staat het volgende.

Bij de verdachte is sprake van een chronisch psychotisch beeld en stoornissen in het gebruik van cocaïne (ernstig), heroïne (matig), cannabis (matig) en alcohol (matig). Er was sprake van schizofrenie, ook ten tijde van het plegen van de feiten. Er wordt geadviseerd deze in mindere mate toe te rekenen. Het risico op recidive wordt in de huidige situatie ingeschat als matig, maar als de medicatie wordt gestaakt en/of de drugs worden hervat zal het risico hoog worden. Met een adequate behandeling, het gebruik van medicatie en het gestaakt houden van het middelengebruik zal het de verdachte lukken om zich maatschappelijk te handhaven. Omdat het de verdachte niet zelfstandig lukt om abstinent te blijven van middelen, wordt geadviseerd om hem op te laten nemen in een verslavingskliniek. Van belang is dat naast een detox en behandeling, ook ambulante vervolgbehandeling en terugvalpreventie wordt geboden. Beide onderzoekers adviseren om bovenstaande behandeling en begeleiding op te leggen in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel en daarnaast de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna GVM) op te leggen.

Op basis van de rapporten van de psychiater en psycholoog, stelt de rechtbank vast dat bij de verdachte een psychische stoornis bestond en dat deze het gedrag van de verdachte tijdens het begaan van de strafbare feiten beïnvloedde. De feiten worden daarom in verminderde mate aan de verdachte toegerekend.

In het rapport van Verslavingsreclassering GGZ van 29 mei 2026 staat het volgende.

Als risicofactoren zien zij het middelengebruik, psychosociale problematiek, het sociale netwerk en instabiliteit op de praktische leefgebieden. Binnen detentie is de verdachte gestabiliseerd, is hij ingesteld op medicatie en zijn gedragsproblemen naar de achtergrond verdwenen. Hij toont zich gemotiveerd voor abstinentie van harddrugs en voor hulpverlening. Hoewel de verdachte zelf geen noodzaak ziet voor een (korte) klinische opname, geeft hij desalniettemin aan alle hulp te zullen accepteren. Ter zitting heeft de verdachte dit nog eens bevestigd. De reclassering schat het risico in op gemiddeld. Bij een veroordeling adviseren zij een voorwaardelijke straf met de volgende voorwaarden:

• Meldplicht bij reclassering

• Opneming in een zorginstelling

• Ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname

• Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang

• Beheersing middelengebruik

Oplegging van een GVM vindt de reclassering niet opportuun.

4.3.3.

Oplegging straf

Straf

Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De rechtbank komt echter tot oplegging van een aanzienlijk lagere gevangenisstraf dan door de officier van justitie is geëist. Dit komt omdat zij tot een andere (minder zware) bewezenverklaring komt dan de officier van justitie, maar ook omdat het een atypische zaak is, waarbij de verdachte door middel van het plegen van een strafbaar feit om hulp schreeuwde. Ook is nadrukkelijk meegewogen dat de feiten in verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend en dat hij een langdurige en intensieve behandeling zal moeten ondergaan.

De rechtbank veroordeelt de verdachte alles afwegend tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaren met de bijzondere voorwaarden zoals hierboven genoemd. Het voorwaardelijke strafdeel dient ertoe om de verdachte de noodzakelijke behandeling en begeleiding te kunnen geven en heeft daarnaast als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.

5 Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 157, 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht.

6 Beslissingen

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 primair en 2, zoals in hoofdstuk 2.3.2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3.1 vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

Gevangenisstraf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

Voorwaardelijk strafdeel

bepaalt dat 4 (vier) maanden van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 (drie) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde dat:

- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;

stelt als bijzondere voorwaarden dat:

1. de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak;

2. de verdachte zich voor maximaal een jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door een zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start aansluitend aan detentie. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De opname is gericht op stabilisatie en observatie. De verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;

3. de verdachte zich laat behandelen door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op middelengebruik, praktische zaken en psychische problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van de verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurend klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat de verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;

4. de verdachte aansluitend aan detentie gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start zo snel mogelijk. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;

5. de gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik van alcohol en verdovende middelen. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek en een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de genoemde voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:

  • meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;

  • meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

Voorlopige hechtenis

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis gelijk is aan die van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf.

7 Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R.H. Kroon, voorzitter,

en mrs. E. IJspeerd en Y. Peters, rechters,

in tegenwoordigheid van C.A. van den Houwen, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 18 juni 2026.

C.A. van den Houwen is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het ‘Pv voorgeleiding op eind-pv' met nummer [proces-verbaalnummer 1] . Verklaard tijdens de zitting van 4 juni 2026. Pagina 13 van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 2] . Verklaard tijdens de zitting van 4 juni 2026. Pagina 10 van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 3] .