Strafrecht overig

Onderzoek Blusboot. Veroordeling voor het samen met anderen vervaardigen en in bezit hebben van harddrugs tot…

Rechtbank Rotterdam, 8 juli 2026

Zaakgegevens

Op 8 juli 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
8 juli 2026
Datum publicatie
3 augustus 2026
Zaaknummer
10.234809.25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:9481
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Onderzoek Blusboot. Veroordeling voor het samen met anderen vervaardigen en in bezit hebben van harddrugs tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar, een taakstraf van 240 uur met aftrek en een geldboete van € 25.000,-. De rechtbank volgt de procesafspraken die het Openbaar Ministerie, de verdediging en de verdachte met elkaar hebben gemaakt.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10.234809.25

Datum uitspraak: 8 juli 2026

Datum zitting: 24 juni 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1964 in [geboorteplaats]

ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] in [woonplaats] .

Advocaat van de verdachte: mr. Y.L. Zandbergen

Officier van justitie: mr. N.J. Jacobs

1 Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte van – samengevat – het in de periode van 19 september 2024 tot 5 juni 2025 medeplegen van vervaardigen en in de handel brengen van MDMA-pillen en het op 5 juni 2025 medeplegen van het voorhanden hebben van ruim 140 kilogram harddrugs.

De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat

1
hij in of omstreeks de periode 19 september 2024 tot en met 05 juni 2025 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2
hij op of omstreeks 5 juni 2025 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad
- ongeveer 130.698 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende

MDMA en/of
- ongeveer 4.515 gram, in elk een hoeveelheid van een materiaal bevattende PMMA
en/of
- ongeveer 4.436 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 2C-B en/of
- ongeveer 179 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevatten amfetamine,
zijnde MDMA en/of PMMA en/of 2C-B en/of amfetamine (telkens) een middel als
bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het
vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2 Bewijs

2.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft overeenkomstig de procesafspraken gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de feiten 1 en 2.

2.2.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft overeenkomstig de procesafspraken geen bewijsverweren gevoerd.

2.3.

Oordeel van de rechtbank

Bewezen is dat:

1
hij in de periode 19 september 2024 tot en met 05 juni 2025 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of vervoerd en/of vervaardigd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2
hij op 5 juni 2025 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad
- ongeveer 130.698 gram MDMA en
- ongeveer 4.515 gram PMMA en
- ongeveer 4.436 gram 2C-B en
- ongeveer 179 gram amfetamine,
zijnde MDMA en PMMA en 2C-B en amfetamine telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. Dit verkorte vonnis bevat geen bewijsmiddelen.

3 Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

Feit 1:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder D van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Feit 2:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

3.2.

Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4 Straffen

4.1.

Procesafspraken

De verdachte en het Openbaar Ministerie hebben procesafspraken gemaakt. De rechtbank is niet betrokken geweest bij de totstandkoming hiervan.

De rechtbank heeft de officier van justitie op voorhand per e-mail verzocht om tijdens de zitting op 24 juni 2024 een toelichting te geven waarom in deze zaak is gekozen voor procesafspraken met daarbij specifieke aandacht voor de omstandigheid dat het hier niet om een zogenaamde ‘plankzaak’ gaat. De verdediging is in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. De officier van justitie heeft toegelicht dat in deze zaak voor procesafspraken is gekozen, niet zozeer omdat het een oude zaak betrof, maar juist met het oog op een voortvarende en efficiënte afdoening. Daarmee is beoogd de strafrechtketen in zijn algemeenheid zo min mogelijk te belasten en de verdachten zo snel mogelijk duidelijkheid te bieden, mede gelet op de impact van de strafzaak op hun maatschappelijke positie en persoonlijk welzijn.

Tijdens de zitting zijn de gemaakte afspraken met de verdachte en zijn raadsvrouw besproken. Daarbij zijn de vrijwilligheid van de procesafspraken, de bewustheid van de verdachte ten aanzien van de (inhoud van de) procesafspraken en de (mogelijke) gevolgen van de procesafspraken aan de orde gesteld.

Volgens beide partijen heeft ten behoeve van het opstellen van de procesafspraken uitvoerig overleg plaatsgevonden. De rechtbank heeft tijdens de bespreking benadrukt dat de rechtbank niet is gebonden aan die afspraken en dat de verdachte jegens de rechtbank dus niet is gehouden tot naleving van de gemaakte overeenkomst met het Openbaar Ministerie.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte weloverwogen en vrijwillig ingestemd met de procesafspraken en is hij zich bewust van de inhoud van de gemaakte afspraken, de procedure en de (mogelijke) gevolgen daarvan. Ook overigens is sprake van een eerlijk proces en voldaan aan de eisen die artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) stelt.

4.2.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft overeenkomstig de gemaakte procesafspraken gevorderd dat aan de verdachte wordt opgelegd een taakstraf van 240 uur met aftrek van 4 dagen voorarrest, een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar en een geldboete van € 25.000,-.

4.3.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft naar voren gebracht dat de gemaakte procesafspraken recht doen aan de omstandigheden van het geval en heeft bepleit dat de rechtbank zal beslissen overeenkomstig de gemaakte procesafspraken.

4.4.

Oordeel van de rechtbank

4.4.1.

Ernst en omstandigheden van de feiten

Op 5 juni 2025 is in een ruimte in een pand aan de Laagjesweg in Rotterdam een productielocatie voor XTC-pillen ontdekt en opgerold. In het pand is een grote hoeveelheid harddrugs aangetroffen. Uit onderzoek is gebleken dat op deze locatie in een periode van bijna één jaar grote hoeveelheden XTC-pillen zijn geproduceerd. De verdachte heeft in en rond het pand diverse klus- en reparatiewerkzaamheden verricht om diezelfde ruimte voor te bereiden of geschikt te maken voor de productie. De verdachte heeft daarnaast diverse goederen die gebruikt zijn voor de productie van de pillen op locatie gebracht. De verdachte is daarmee een schakel geweest in dit illegale productieproces. De door de verdachte gepleegde feiten zijn ernstig. Het is algemeen bekend dat de illegale handel in verdovende middelen gepaard gaat met andere vormen van criminaliteit, waaronder geweld en ondermijning van de bovenwereld. Daarnaast is het (ongecontroleerde) gebruik van verdovende middelen schadelijk voor de volksgezondheid en kan het zowel direct als indirect in verband worden gebracht met overlast en (zware) criminaliteit.

4.4.2.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 2 juni 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.

De persoon van de verdachte, zijn gezinsomstandigheden, wonen en werken zijn ter zitting aan de orde gekomen.

4.4.3.

Oplegging straf

Gezien de ernst van de feiten acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel passend. Het gaat in deze zaak gaat om grote hoeveelheden harddrugs. De rechtbank weegt evenwel in het voordeel van de verdachte mee dat niet is bewezen dat de rol van de verdachte groter was dan die van klusjesman. Bovendien wordt rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Nu ook geldt dat de gemaakte procesafspraken een efficiënte afdoening en voortvarende behandeling van de zaak dienen, staan de overeengekomen straffen in een redelijke verhouding tot de ernst van de verdenking, zoals ook door de officier van justitie is toegelicht. De rechtbank zal daarom een taakstraf opleggen van 240 uur in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden en een geldboete van € 25.000,-.

Alles afwegend acht de rechtbank de door partijen overeengekomen straffen in dit geval passend en geboden.

5 Voorlopige hechtenis

De rechter-commissaris van de rechtbank heeft de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van 31 oktober 2024 geschorst. Het bevel tot voorlopige hechtenis wordt conform de procesafspraken door de rechtbank opgeheven.

6 In beslag genomen voorwerpen

Met de verdachte is overeengekomen dat hij afstand zal doen van de inbeslaggenomen geldbedragen, te weten € 79.100,- en € 24.620,-. Nu de rechtbank de procesafspraken volgt, zal zij inhoudelijk geen beslissingen nemen over het beslag.

7 Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straffen is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

8 Beslissingen

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten, zoals in hoofdstuk 3 zijn omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 4 vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straffen

Gevangenisstraf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) maanden;

bepaalt dat deze gevangenisstraf van 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde dat:

- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;

Taakstraf

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de taakstraf volgens de maatstaf van twee uur per dag, zodat 232 (tweehonderdtweeëndertig) uur taakstraf moet worden verricht;

beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 116(vul duur in cijfers in) (honderdzestien) dagen(maak een keuze);

Geldboete

veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 25.000,- (vijfentwintigduizend);

beveelt dat, voor het geval de geldboete niet wordt betaald en geen verhaal mogelijk is, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 141 (honderdeenenveertig) dagen;

Voorlopige hechtenis

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst.

9 Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.M. Derijks, voorzitter,

en mrs. J.J. Bade en A.C.M. Klaasse, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.A. Wolterink, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 8 juli 2026.

Mr. A.C.M. Klaasse is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.