Strafrecht overig
Wettig en overtuigend bewezen diefstal gevolgd van geweld. De verdachte heeft een chocoladereep en een blikje…
Rechtbank Rotterdam, 23 juli 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:9482 · Rechtbank Rotterdam · 23 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbrot-2026-9482
Zaakgegevens
Op 23 juli 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 23 juli 2026
- Datum publicatie
- 3 augustus 2026
- Zaaknummer
- 10-221753-25 en 10-065652-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:9482
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Wettig en overtuigend bewezen diefstal gevolgd van geweld. De verdachte heeft een chocoladereep en een blikje in de Albert Heijn in zijn zakken gedaan en is zonder te betalen de winkel uitgelopen. Toen hij door een beveiliger werd aangesproken heeft hij hem twee keer met een mes in zijn bovenlichaam geprikt. Jeugddetentie 30 dagen ma.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team Jeugd
Parketnummer: 10-221753-25
Parketnummer vordering TUL VV: 10-065652-25
Datum uitspraak: 23 juli 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2007,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] , [postcode] [woonplaats] ,
raadsman mr. E.B. Jobse, advocaat te Rotterdam.
1 Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 9 juli 2026.
2 Tenlastelegging
Aan de verdachte is een diefstal met geweld ten laste gelegd, zoals vermeld in de tenlastelegging die op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3 Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. W.A.J.A. Welten heeft gevorderd:
-
bewezenverklaring van het ten laste gelegde;
-
toepassing van het jeugdstrafrecht;
-
veroordeling van de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 120 dagen met aftrek
van voorarrest, waarvan 50 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar; -
veroordeling van de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende jeugddetentie;
-
toewijzing vordering tenuitvoerlegging.
4 Waardering van het bewijs
Bewijswaardering
Standpunt verdediging
De verdediging heeft vrijspraak van het ten laste gelegde feit bepleit.
Conclusie
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
hij op 7 augustus 2025 te Rotterdam een reep chocolade en/of een blikje Red bull, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de Albert Heijn, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [slachtoffer] vast te pakken en/of meermalen, althans eenmaal, met een mes in de linkerzijde van de borstkas en/of de linker oksel (achter okselplooi lijn, posterieure axillair lijn) en/of rug te steken.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
5 Strafbaarheid feit
Het bewezen feit levert op:
diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
Het feit is dus strafbaar.
6 Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.
7 Motivering straffen
Algemene overweging
De straffen die aan de verdachte wordt opgelegd, is gebaseerd op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Feiten waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft een chocoladereep en een blikje in de Albert Heijn in zijn zakken gedaan en is zonder te betalen de winkel uitgelopen. Toen hij door een beveiliger werd aangesproken heeft hij hem twee keer met een mes in zijn bovenlichaam geprikt. De beveiliger had twee steekverwondingen die beide met een hechting zijn gesloten.
Het lichamelijk letsel van de beveiliger is beperkt gebleven. Kennelijk heeft verdachte niet stil gestaan bij de vervelende gevolgen hiervan voor de beveiliger, maar alleen oog gehad voor zijn eigen behoeften. Dit soort strafbare feiten is in zijn algemeenheid schokkend voor de samenleving en zorgt voor gevoelens van angst en onveiligheid.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van
18 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor een straatroof
Rapportages en verklaringen van de deskundige op de terechtzitting
Het Leger des Heils en Reclassering heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 7 juli 2026. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.
De reclassering maakte zich in eerste instantie zorgen om het psychosociaal functioneren van de verdachte en in gesprekken was het moeilijk contact maken. De verdachte heeft hiervoor behandeling gevolgd bij Fivoor en deze behandeling is positief afgerond. Het risico op recidive wordt ingeschat als laag en er wordt geen aanleiding gezien om het reclasseringstoezicht voort te zetten. De reclassering adviseert het jeugdstrafrecht toe te passen.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte het bewezenverklaarde feit heeft gepleegd toen hij de leeftijd van 18 jaren had bereikt. Gelet op het advies van de reclassering zal de rechtbank het jeugdstrafrecht ten aanzien van de verdachte toepassen.
De rechtbank houdt rekening met de eerdere veroordeling van de verdachte en met het feit dat de verdachte nadat hij het mes had getrokken door de beveiliger en twee collega’s is geslagen, ook toen hij op de grond lag en toen hij zich niet meer verzette.
Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Hoewel het hier om een ernstig feit gaat en de rechtbank de verdachte dit stevig aanrekent, verliest zij bij de straftoemeting niet uit het oog dat de verdachte zelf ook letsel opgelopen heeft door toedoen van de beveiliger en zijn collega’s.
Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank het opleggen van een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 30 dagen met aftrek van voorarrest een passende straf
8 Vordering benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd, [slachtoffer] , ter zake van het tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 2.718,67, bestaande uit
€ 468,67 (eigen risico en kleding) aan materiële schade en een bedrag van € 2.250,- aan immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het deel dat op de verzochte materiële schade ziet voor toewijzing vatbaar is. De immateriële schadevergoeding dient wat de officier van justitie betreft te worden gematigd tot een bedrag van € 1.300,-, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige deel van de vordering dient de benadeelde partij niet -ontvankelijk te worden verklaard.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de materiële schade. Wat betreft de immateriële schadevergoeding verzoekt de verdediging deze te matigen tot een bedrag van maximaal € 400,00, omdat deze schade niet is onderbouwd met objectieve medische informatie.
Beoordeling
Materiële schade
Aan de benadeelde partij is door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade toegebracht. De vordering is genoegzaam en zal worden toegewezen, tot een bedrag van € 448,67. De rechtbank matigt de vergoeding voor kledingschade tot € 20,00 omdat uit de onderbouwing van het verzoek om schadevergoeding is gebleken dat de nieuwwaarde is gevorderd terwijl niet blijkt dat de kleding nieuw was.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De vordering van de benadeelde partij is gebaseerd op het lichamelijk letsel dat hij heeft opgelopen en omdat hij op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ onder meer sprake kan zijn als wordt gekeken naar de aard en ernst van de normschending en de aard en ernst van de nadelige gevolgen voor het slachtoffer. De benadeelde partij heeft onderbouwd dat hiervan sprake is. Er is geen sprake van een situatie waarin de aard en de ernst van de normschending zodanig zijn dat de gevolgen voor het slachtoffer evident zijn en geen nadere onderbouwing behoeven. Uit de vordering blijkt dat het slachtoffer zich tijdens zijn werk minder veilig heeft gevoeld en dat hij buiten alerter was. Ook heeft hij een tijd slecht geslapen.
Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’ en vergelijkbare uitspraken. Aan de hand daarvan wordt de immateriële schade naar redelijkheid en billijkheid vastgesteld op € 1.000,00.
Voor het overige deel van de immateriële vordering zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.
Wettelijke rente
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 7 augustus 2025.
Proceskosten
Omdat de vordering van de benadeelde partij in overwegende mate zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Conclusie
De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 1.428,67, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 augustus 2025. Ook wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
Voor het overige deel van de immateriële vordering zal de benadeelde partij niet ontvankelijk worden verklaard. Dit betekent dat over een deel van de verzochte schadevergoeding in deze procedure geen inhoudelijke beslissing wordt genomen.
9 Vordering tenuitvoerlegging
Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd
Bij vonnis van 15 juli 2025 van de kinderrechter in deze rechtbank is de verdachte ter zake van een straatroof veroordeeld voor zover van belang – tot een taakstaf bestaande uit een werkstraf van 100 uren, waarvan een gedeelte groot 40 uren, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. De proeftijd is ingegaan op 31 juli 2025.
Standpunt verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de vordering dient te worden afgewezen vanwege de bepleite vrijspraak dan wel verzoekt de verdediging de proeftijd te verlengen of slechts een deel van de werkstraf ten uitvoer te leggen.
Beoordeling
Het bewezenverklaarde feit is na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van dit feit heeft de verdachte de aan dit vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.
Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van het voorwaardelijk gedeelte van de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde straf. Dit betekent dat de verdachte een werkstraf van 40 uren dient uit te voeren.
10 Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 36f, 77c, 77g, 77i, en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
11 Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
12 Beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 30 (dertig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst;
veroordeelt de verdachte, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer] , te betalen een bedrag van € 1.448,67 (zegge: éénduizend vierhonderdachtenveertig euro en zevenenzestig cent), bestaande uit € 448,67 aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 7 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 1.448,67 (hoofdsom, zegge: éénduizend vierhonderdachtenveertig euro en zevenenzestig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 augustus 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen vervangende jeugddetentie, opgelegd bij vonnis van 25 juli 2025 in de zaak met parketnummer 10-065652-25.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. D.C.J. Peeck, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. K.T.F. Chocolaad - de Bos en L.W.M. Hendriks, rechters,
in tegenwoordigheid van C.A. van den Houwen, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 juli 2026.
De voorzitter en jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst gewijzigde tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
hij op 7 augustus 2025 te Rotterdam een reep chocolade en/of een blikje Red bull, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de Albert Heijn, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [slachtoffer] vast te pakken en/of meermalen, althans eenmaal, met een mes in de linkerzijde van de borstkas en/of de linker oksel (achter okselplooi lijn, posterieure axillair lijn) en/of rug te steken;