Strafrecht overig

Jeugdstrafrecht. Vernietigen strafbeschikking. Veroordeling van aanwezig hebben lachgas, steekwapenbezit, een…

Rechtbank Rotterdam, 4 juni 2026

Zaakgegevens

Op 4 juni 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
4 juni 2026
Datum publicatie
5 augustus 2026
Zaaknummer
10-143701-24, 10-170901-24 en 10-010708-25 (gevoeg
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:9596
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Jeugdstrafrecht. Vernietigen strafbeschikking. Veroordeling van aanwezig hebben lachgas, steekwapenbezit, een straatroof, voorhanden hebben vals geld en een belediging van ambtenaren in functie. Oplegging van een jeugddetentie groot deel voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar en een werkstraf. Gedeeltelijke toewijzing van de schadevordering.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd

Parketnummers: 10-143701-24, 10-170901-24 en 10-010708-25 (gevoegd ttz)

Datum uitspraak: 4 juni 2026

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2007,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] , [postcode] in [woonplaats] ,

raadsman: mr. R.I. van Haneghem, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 21 mei 2026.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. H.J. du Croix heeft gevorderd:

  • vernietiging van de strafbeschikking van 27 juni 2024 met parketnummer 10-143701-24;

  • bewezenverklaring van het onder parketnummer: 10-143701-24 ten laste gelegde feit, de onder parketnummer: 10-170901-24 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten en het onder parketnummer: 10-010708-25 ten laste gelegde feit;

  • veroordeling van de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 87 dagen, met aftrek
    van het voorarrest, waarvan 80 dagenvoorwaardelijk en met een proeftijd van twee jaren;

  • veroordeling van de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen vervangende jeugddetentie.

4 De strafbeschikking

Aan verdachte is eerder een strafbeschikking uitgevaardigd ter zake het onder parketnummer 10-143701-24 ten laste gelegde feit. Nu de rechtbank tot een inhoudelijke beoordeling komt, zal zij de strafbeschikking vernietigen. Indien en voor zover de strafbeschikking reeds (deels) ten uitvoer is gelegd, houdt de rechtbank daarmee rekening bij de strafoplegging.

5 Waardering van het bewijs

5.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering

Het onder parketnummer: 10-143701-24 ten laste gelegde feit (aanwezig hebben lachgas) en het onder parketnummer: 10-170901-24 onder 3 ten laste gelegde feit (bezit van een mes) is door de verdachte bekend. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

5.2.

Bewijswaardering parketnummer: 10-170901-24, feit 1 (straatroof)

5.2.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de ten laste gelegde straatroof, omdat sprake is van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.

5.2.2.

Beoordeling

Op grond van de inhoud van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich samen met de medeverdachte schuldig heeft gemaakt een straatroof.

Uit de verklaring van aangever blijkt dat hij op 19 mei 2024 omstreeks 23:04 uur onder bedreiging van een mes en een vuurwapen en met geweld door twee jongens is beroofd. De aangever verklaart dat de jongens toen onder andere een bigshopper van de Plus en van de Gamma met daarin testers parfum hebben weggenomen. De verbalisant heeft de camerabeelden van de Cordell Hullplaats van 19 mei 2024 bekeken. Op deze beelden zijn zeer kort na de straatroof, te weten om 23:11 uur, drie jongens te zien en een van hen (verdachte 2) draagt een blauwe tas met witte opdruk (mogelijk: Gamma) en een groene tas met witte opdruk. Hoewel de verdachte zichzelf niet herkent op dat beeld, herkent hij zichzelf ter terechtzitting wel op een beeld van de Cordell Hullplaats kort daarna, te weten om 00:25 uur. De verbalisant heeft de verdachte herkend op beide tijdstippen. De rechtbank heeft gezien het korte tijdsverloop geen reden om te twijfelen aan deze herkenning. De rechtbank is daarom van oordeel dat de verdachte, verdachte 2 is op de beelden. Verder zijn op de telefoon die in beslag is genomen onder de verdachte meerdere gegevens aangetroffen waaruit de betrokkenheid van de verdachte bij de straatroof blijkt.

Gelet op al deze omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, wordt bewezen geacht dat de verdachte tezamen en in vereniging de straatroof heeft gepleegd.

5.2.3.

Conclusie

De rechtbank acht het onder parketnummer: 10-170901-24 onder 1 laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

5.3.

Bewijswaardering parketnummer: 10-170901-24, feit 2 (vals geld)

5.3.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van het ten laste gelegde voorhanden hebben van vals geld op het standpunt gesteld dat de verdachte niet voornemens was het vals geld uit te geven.

5.3.2.

Beoordeling

Vast staat dat bij de fouillering van de verdachte valse bankbiljetten opgerold in zijn onderbroek zijn aangetroffen. Bij de gelijktijdig aangehouden medeverdachte zijn eveneens valse bankbiljetten aangetroffen. Deze bankbiljetten dragen dezelfde serienummers. De verdachte heeft verklaard dat hij wist dat het om vals geld ging. De verklaring van de verdachte dat hij het geld boven zijn bed wilde ophangen, acht de rechtbank onaannemelijk nu deze niet strookt met de wijze van aantreffen van de bankbiljetten.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander de valse bankbiljetten in voorraad heeft gehad met het oogmerk deze als echt en onvervalst te doen uitgeven.

5.3.3.

Conclusie

De rechtbank acht het onder parketnummer: 10-170901-24 onder 2 laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

5.4.

Bewijswaardering parketnummer: 10-010708-25 (belediging)

5.4.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de ten laste gelegde belediging van een ambtenaar, omdat sprake is van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. De verdediging voert daartoe aan dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat het de verdachte is die de belediging heeft uitgesproken.

5.4.2.

Beoordeling

De rechtbank is op grond van de bewijsmiddelen, zoals die in bijlage II zijn uitgewerkt, van oordeel dat de ten laste gelegde belediging wettig en overtuigend bewezen kan worden. De verklaringen van de verbalisanten over de verdachte zijn voldoende consistent en sluiten aan bij de beelden.

5.4.3.

Conclusie

De rechtbank acht het onder parketnummer: 10-010708-25 laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

5.5.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder parketnummer: 10-170901-24 onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten en het onder parketnummer: 10-010708-25 ten laste gelegde feit heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummer: 10-143701-24 ten laste gelegde en het onder parketnummer: 10-170901-24 onder 3 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

Ten aanzien van de zaak met parketnummer: 10-143701-24


hij op of omstreeks 28 april 2024 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van twee cilinders distikstofmonoxide
(lachgas), althans een hoeveelheid distikstofmonoxide (lachgas), een middel als
bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Ten aanzien van de zaak met parketnummer: 10-170901-24

Feit 1
hij op of omstreeks 19 mei 2024 te Rotterdam
op of aan de openbare weg, te weten de Eliotplaats,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een of meerdere stuks parfum, testers en/of flacons, een jas, een of meerdere pasjes en/of
een of meer sleutels, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1]
[slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)
toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk
toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van
geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het
oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij
betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij
de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te richten op,
althans te tonen aan, die [slachtoffer 1] en/of
- dat vuurwapen op/tegen de buik en/of de kin van die [slachtoffer 1] te zetten en/of
- (meermalen) met dat vuurwapen en/of met dat een mes op het hoofd en/of het
lichaam van die [slachtoffer 1] te slaan en/of
- de zakken van die [slachtoffer 1] te doorzoeken en/of
- de jas van die [slachtoffer 1] van hem af te trekken;

Feit 2
hij op of omstreeks 23 mei 2024 te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk
een of meerdere bankbiljetten van 50 euro, dat/die hij, verdachte, en/of zijn
mededader(s) zelf heeft/hebben nagemaakt en/of vervalst en/of waarvan de
valsheid en/of vervalsing hem/hen, toen hij/zij deze ontving(en) bekend was,
met het oogmerk om deze als echt en onvervalst uit te geven en/of te doen uitgeven,
in voorraad heeft/hebben gehad;

Feit 3
hij op of omstreeks 23 mei 2024 te Rotterdam,
terwijl hij de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,
een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een
(survival) mes,
voorhanden heeft gehad.

Ten aanzien van de zaak met parketnummer: 10-010708-25

hij op of omstreeks 10 januari 2025 te Rotterdam,
opzettelijk
een ambtenaar, te weten [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of
[slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] (werkzaam als aspirant en/of brigadier en/of
hoofdagent bij de Politie Eenheid Rotterdam), gedurende of ter zake van de
rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening,
in zijn/haar tegenwoordigheid,
mondeling
heeft beledigd,
door hem/haar de woorden toe te voegen:
- "doei, sukkels" en/of
- "Ik ga je kontje geven", althans woorden van
gelijke beledigende aard en/of strekking.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken.

6 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

Ten aanzien van de zaak met parketnummer: 10-143701-24

medeplegen van het handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

Ten aanzien van de zaak met parketnummer: 10-170901-24

Feit 1

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen

personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal

gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde

personen

Feit 2

medeplegen van bankbiljetten waarvan de valsheid hem, toen hij ze ontving, bekend

was, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven ofte doen uitgeven, in

voorraad hebben

Feit 3

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie


Ten aanzien van de zaak met parketnummer: 10-010708-25

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

7 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

8 Motivering straf

8.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

8.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich allereerst op zestienjarige leeftijd samen met een ander schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van in totaal 2111 gram lachgas. De laatste jaren is sprake van toenemende problemen op allerlei terreinen (onder meer de gezondheidszorg, criminaliteit en het milieu) als gevolg van het gebruik van lachgas als recreatief roesmiddel, vooral door jongeren. Om die reden is lachgas (distikstofmonoxide) sinds 1 januari 2023 opgenomen in lijst II van de Opiumwet. Door lachgas aanwezig te hebben – en naar eigen zeggen toen te gebruiken – heeft de verdachte bijgedragen aan de destructieve cyclus van criminaliteit, gezondheidsschade en maatschappelijke ontwrichting.

De verdachte heeft zich korte tijd daarna samen met twee anderen op de openbare weg schuldig gemaakt aan een listige en gewelddadige straatroof. Nadat met het slachtoffer een afspraak was gemaakt voor het kopen van parfums, hebben de verdachte en de medeverdachten het slachtoffer met een mes en een vuurwapen bedreigd en hiermee tegen zijn hoofd geslagen en zijn bezittingen afgenomen. Zij hebben met hun handelen een voor het slachtoffer zeer bedreigende en beangstigende situatie gecreëerd. De wijze waarop de verdachte en de medeverdachten hebben gehandeld getuigt van een volledig gebrek aan respect voor de bezittingen en de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Zij hadden enkel oog voor eigen financieel gewin. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van feiten zoals deze ook na langere tijd nog veel last kunnen hebben van wat hen is overkomen. Daarnaast leveren dit soort feiten gevoelens van onveiligheid op in de maatschappij.

Toen de verdachte voor genoemde straatroof werd aangehouden werden bij hem vijf valse bankbiljetten van 50 euro in zijn onderbroek aangetroffen. Het in voorraad hebben van valse bankbiljetten om deze als echt en onvervalst te gebruiken maakt inbreuk op het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer in de echtheid van betaalmiddelen moet kunnen worden gesteld en is duperend voor de ontvanger daarvan. De verdachte had kennelijk ook hier alleen oog voor eigen financieel gewin en heeft zich niet bekommerd om de gevolgen voor de maatschappij.

Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een steekwapen. Dat is een ernstig feit. Het voorhanden hebben van een dergelijk wapen is verboden, omdat dit voor bedreiging of afdreiging geschikt is en het gevoel van onveiligheid vergroot.

Tot slot heeft de verdachte zich op zeventienjarige leeftijd schuldig gemaakt aan belediging van ambtenaren in functie. Door het publiekelijk beledigen van meerdere politieagenten tijdens hun werkzaamheden, heeft de verdachte hen in hun eer en goede naam aangetast. Personen met een publieke taak, zoals deze politieagenten, moeten in het belang van de openbare orde en de veiligheid kunnen functioneren zonder daarbij geconfronteerd te worden met dergelijke beledigingen.

8.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

8.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 30 mei 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

8.3.2.

Rapportage

De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: De Raad) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 2 februari 2026. Vanwege het ontbreken van informatie over de persoon en de omstandigheden van de jeugdige verdachte, heeft de Raad afgezien van het geven van een advies in de strafzaak

8.4.

Conclusies van de rechtbank

Gezien de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de straffen die daarvoor doorgaans worden opgelegd, kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. De rechtbank zal overeenkomstig de eis van de officier van justitie een deels voorwaardelijke jeugddetentie opleggen, waarbij het onvoorwaardelijk strafdeel gelijk is aan de tijd die door de verdachte reeds in voorarrest is doorgebracht. Dit betekent dat de verdachte nu niet terug naar de justitiële jeugdinrichting hoeft. Het voorwaardelijk deel van de straf dient er ook toe de verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Daarnaast is de rechtbank gezien de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten van oordeel dat de verdachte een onvoorwaardelijke taakstraf, bestaande uit een werkstraf moet verrichten, zodat hij ook nu nog de consequenties van zijn gedrag zal ervaren. De rechtbank heeft bij het bepalen van de duur van de straf rekening gehouden de overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en komt daarom tot een lagere straf dan geëist door de officier van justitie.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

9 Vordering benadeelde partij/ schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd, [slachtoffer 1] , ter zake van het onder parketnummer: 10-170901-24 onder 1 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 700,00 aan materiële schade en een bedrag van € 2500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, hoofdelijkheid en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering ten aanzien van de materiële schade en heeft ten aanzien van de immateriële schade verzocht een bedrag van € 2.000.- toe te wijzen, conform het vonnis van mededader [medeverdachte] .

9.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn

vordering ten aanzien van de materiële schade en heeft zich ten aanzien van de immateriële

schade gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

9.3.

Beoordeling

Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op de materiële schade, is onvoldoende onderbouwd en nader onderzoek daarnaar levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Hij heeft immers door de gewelddadige beroving een hoofdwond opgelopen. Ook heeft de benadeelde partij aangegeven dat hij door wat er is gebeurd ook psychisch nadeel heeft geleden. De rechtbank begroot de immateriële schadevergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid op een bedrag van € 2.000,-.

De benadeelde partij [slachtoffer 1] zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. Hij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend

samen met anderen heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien

en voor zover een mededader de benadeelde partij betaalt, is de verdachte in zoverre jegens

de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met

wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt

met wettelijke rente vanaf 19 mei 2024.

Nu de vordering van de benadeelde partij deels zal worden toegewezen, zal de verdachte

worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot

op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

9.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij [slachtoffer 1] een schadevergoeding betalen van

€ 2.000.-, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing

vermeld. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 209, 266 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie en artikel 3 en 11 van de Opiumwet.

11 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12 Beslissing

De rechtbank:

vernietigt de strafbeschikking van 27 juni 2024 met parketnummer 10-143701-24;

verklaart bewezen dat de verdachte het onder parketnummer: 10-143701-24 ten laste gelegde feit, de onder parketnummer: 10-170901-24 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten en het onder parketnummer: 10-010708-25 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 87 (zevenentachtig) dagen;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

bepaalt dat van deze jeugddetentie 80 (tachtig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op 1 (één) jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uren;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 30 (dertig) dagen;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader(s), om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], te betalen een bedrag van € 2.000,00 (zegge: tweeduizend euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 19 mei 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader(s) van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op nihil en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededader(s) de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] te betalen € 2.000,00 (hoofdsom, zegge: tweeduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] , waaronder begrepen betaling door zijn mededader(s), tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. S. Riege, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. H. Wielhouwer en P.A. Ellenbroek, (kinder)rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V. Lankhaar, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 juni 2026.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

Ten aanzien van de zaak met parketnummer: 10-143701-24


hij op of omstreeks 28 april 2024 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van twee cilinders distikstofmonoxide
(lachgas), althans een hoeveelheid distikstofmonoxide (lachgas), een middel als
bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Ten aanzien van de zaak met parketnummer: 10-170901-24

feit 1
hij op of omstreeks 19 mei 2024 te Rotterdam
op of aan de openbare weg, te weten de Eliotplaats,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een of meerdere stuks parfum, testers en/of flacons, een jas, een of meerdere pasjes en/of
een of meer sleutels, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1]
[slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)
toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk
toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van
geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het
oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij
betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij
de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te richten op,
althans te tonen aan, die [slachtoffer 1] en/of
- dat vuurwapen op/tegen de buik en/of de kin van die [slachtoffer 1] te zetten en/of
- (meermalen) met dat vuurwapen en/of met dat een mes op het hoofd en/of het
lichaam van die [slachtoffer 1] te slaan en/of
- de zakken van die [slachtoffer 1] te doorzoeken en/of
- de jas van die [slachtoffer 1] van hem af te trekken;

feit 2
hij op of omstreeks 23 mei 2024 te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk
een of meerdere bankbiljetten van 50 euro, dat/die hij, verdachte, en/of zijn
mededader(s) zelf heeft/hebben nagemaakt en/of vervalst en/of waarvan de
valsheid en/of vervalsing hem/hen, toen hij/zij deze ontving(en) bekend was,
met het oogmerk om deze als echt en onvervalst uit te geven en/of te doen uitgeven,
in voorraad heeft/hebben gehad;

feit 3
hij op of omstreeks 23 mei 2024 te Rotterdam,
terwijl hij de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,
een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een
(survival) mes,
voorhanden heeft gehad.

Ten aanzien van de zaak met parketnummer: 10-010708-25

hij op of omstreeks 10 januari 2025 te Rotterdam,
opzettelijk
een ambtenaar, te weten [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of
[slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] (werkzaam als aspirant en/of brigadier en/of
hoofdagent bij de Politie Eenheid Rotterdam), gedurende of ter zake van de
rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening,
in zijn/haar tegenwoordigheid,
mondeling
heeft beledigd,
door hem/haar de woorden toe te voegen:
- "doei, sukkels" en/of
- "Ik ga je kontje geven", althans woorden van
gelijke beledigende aard en/of strekking.