Strafrecht overig

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het vervoeren en verstrekken van een…

Rechtbank Rotterdam, 24 juli 2026

Zaakgegevens

Op 24 juli 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
24 juli 2026
Datum publicatie
10 augustus 2026
Zaaknummer
10-093436-26
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:9788
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het vervoeren en verstrekken van een hoeveelheid cocaïne. Hij heeft dit feit ter zitting bekend. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar met bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10-093436-26

Datum uitspraak: 24 juli 2026

Datum zitting: 10 juli 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1999 in [geboorteplaats] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

Advocaat van de verdachte: mr. O. Saki

Officier van justitie: mr. S. Stein

Kern van het vonnis

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het vervoeren en verstrekken van een hoeveelheid cocaïne. Hij heeft dit feit ter zitting bekend. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar met bijzondere voorwaarden.

1 Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij tezamen en in vereniging met anderen ruim 9 kilo cocaïne heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd.

De volledige tenlastelegging (hierna: beschuldiging) houdt in dat:

hij op of omstreeks 27 maart 2026 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 9232 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2 Bewijs

2.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het verstrekken en vervoeren van (netto) ongeveer 8 kilo cocaïne.

2.2.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft zich met betrekking tot het bewijs gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

2.3.

Oordeel van de rechtbank

2.3.1.

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

Bewezen is dat:

hij op 27 maart 2026 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft verstrekt en vervoerd een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft het feit ter zitting bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.

1. De verklaring van de verdachte

2. Deskundigenverslag

3. Deskundigenverslag

4. Deskundigenverslag

5. Deskundigenverslag

6. Deskundigenverslag

3 Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.

Kwalificatie

Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

3.2.

Strafbaarheid van het feit en van de verdachte

Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

4 Straf

4.1.

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en oplegging van bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met de proceshouding van de verdachte, zijn jonge leeftijd en zijn blanco strafblad voor wat betreft opiumdelicten. De verdachte is gemotiveerd om na een moeilijke periode zijn leven weer op orde te brengen en een constructieve bijdrage te leveren aan de samenleving. De verdediging verzoekt om geen hogere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de duur van het voorarrest en om te volstaan met een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, in combinatie met een taakstraf.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Ernst en omstandigheden van het feit

De verdachte heeft tegen een financiële vergoeding voor een onbekend gebleven opdrachtgever een partij cocaïne vervoerd en verstrekt. De rechtbank kan niet vaststellen wat de exacte hoeveelheid is geweest van de partij cocaïne, maar gaat er op basis van de geteste blokken vanuit dat het om minimaal 5 kilo ging. Het is algemeen bekend dat de handel in cocaïne gepaard gaat met veel andere vormen van (zware) criminaliteit, waaronder het gebruik van geweld en ondermijning. In de wijk waar de verdachte is aangehouden is sprake van toenemende drugsgerelateerde overlast. Harddrugs zijn ook slecht voor de volksgezondheid. De verdachte heeft met zijn handelen bijgedragen aan het in stand houden van die negatieve effecten.

4.3.2.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 30 maart 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.

In het reclasseringsadvies van 24 juni 2026 staat kort gezegd het volgende. Het gevaar op herhaling wordt ingeschat als laag-gemiddeld. De reclassering ziet geen aanwijzingen voor een structureel crimineel patroon. De verdachte geeft aan dat hij dacht dat hij zijn financiële problemen op deze manier kon oplossen. De verdachte heeft enig inzicht getoond in het kwalijke van zijn handelen. Hij is gemotiveerd om zijn leven verder op orde te brengen en herhaling van strafbaar gedrag te voorkomen. De reclassering adviseert om als bijzondere voorwaarden aan een voorwaardelijk strafdeel te verbinden: een meldplicht en een inspanningsverplichting om zijn schulden af te lossen.

Op de zitting heeft de verdachte openheid van zaken gegeven. Anders dan bij de politie heeft hij erkend dat hij wist dat het om cocaïne ging.

4.3.3.

Oplegging straf

Gelet op de ernst van het strafbare feit acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en noodzakelijk. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die eerder door rechtbanken in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Het uitgangspunt bij het vervoeren/verstrekken van een hoeveelheid harddrugs tussen 4 en 5 kilo is een gevangenisstraf van 20 maanden. De rechtbank ziet in de proceshouding van de verdachte en in zijn persoonlijke omstandigheden aanleiding om hier in strafmatigende zin van af te wijken. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest acht de rechtbank echter niet in verhouding tot de ernst van het feit en het gegeven dat met deze straf ook een signaal dient uit te gaan naar de samenleving als geheel en in het bijzonder naar buurtbewoners in verdachtes woonomgeving. De rechtbank acht daarmee onvermijdelijk dat de verdachte opnieuw gedetineerd raakt, maar ziet in de ter zitting besproken persoonlijke omstandigheden wel aanleiding om een fors deel van de voorgenomen gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 16 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, passend en geboden.

De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt. De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd, te weten: een meldplicht bij de reclassering en een inspanningsverplichting om zijn schulden af te lossen. De rechtbank zal hieraan, conform de vordering van de officier van justitie, een proeftijd verbinden van 3 jaar.

De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.

5 Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c en 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

6 Beslissingen

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

Gevangenisstraf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 16 (zestien) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

Voorwaardelijk strafdeel

bepaalt dat 10 (tien) maanden van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 (drie) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde dat:

- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;

stelt als bijzondere voorwaarden dat:

  1. de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;

  2. de verdachte meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van betalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;

geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden genoemd en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:

  • meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;

  • meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

7 Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. H.C. van Vuren, voorzitter,

en mrs. J.M.L. van Mulbregt en M.E. Vos, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. Soeteman, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 24 juli 2026.

Mr. Van Vuren is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal met registratienummer [nummer proces-verbaal] . Verklaard tijdens de zitting van 10 juli 2026. Zaaknummer [dossiernummer] (aanvraag 005). Zaaknummer [dossiernummer] (aanvraag 003). Zaaknummer [dossiernummer] (aanvraag 001). Zaaknummer [dossiernummer] (aanvraag 002). Zaaknummer [dossiernummer] (aanvraag 004).