Strafrecht overig
Veroordeling voor het voorhanden hebben van een grote hoeveelheid heroïne in een woning tot een…
Rechtbank Rotterdam, 1 juli 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:9951 · Rechtbank Rotterdam · 1 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbrot-2026-9951
Zaakgegevens
Op 1 juli 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 1 juli 2026
- Datum publicatie
- 12 augustus 2026
- Zaaknummer
- 10-083110-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:9951
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling voor het voorhanden hebben van een grote hoeveelheid heroïne in een woning tot een gevangenisstraf van 36 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-083110-26
Datum uitspraak: 1 juli 2026
Datum zitting: 1 juli 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1973 in [geboorteplaats] , [geboorteland] ,
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] ,
gedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam PI] in [locatie] .
Advocaat van de verdachte: mr. Ö. Saki.
Officier van justitie: mr. J. du Chatinier.
1 Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan - samengevat - dat hij op 19 maart 2026 een grote hoeveelheid heroïne in de door hem bewoonde woning had liggen.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
hij op of omstreeks 19 maart 2026 te [plaats] al dan niet opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten heroïne, aanwezig heeft gehad.
2 Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van het feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Het feit is bewezen. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.2.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft het feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden de bewijsmiddelen hieronder opgesomd en niet uitgeschreven.
1. De bekennende verklaring van de verdachte op de zitting.
2. Het proces-verbaal van de politie, onderzoek woning en aantreffen goederen, vermoedelijk verdovende middelen.
3. Het proces-verbaal van Team Bijzondere Bijstand Douane, overname en bemonstering inbeslaggenomen voorwerpen.
4. Het deskundigenverslag van het NFI.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
hij op 19 maart 2026 te [plaats] opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten heroïne, aanwezig heeft gehad.
3 Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit:
Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4 Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met de bijzondere voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd.
Standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt bij de straftoemeting niet alleen acht te slaan op de ernst van het feit, maar ook op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte die beschreven zijn in het reclasseringsrapport, de open en bekennende houding van de verdachte, de beperkte rol en het feit dat hij niet eerder voor een Opiumwet feit is veroordeeld.
Ook verzoekt de verdediging bij de oplegging van de straf rekening te houden met de jarenlange financiële problemen en de druk die de verdachte ervoer door zijn schulden.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft opzettelijk ruim 69 kilo heroïne aanwezig gehad in de woning waar hij op dat moment verbleef. Een dergelijk hoeveelheid is onmiskenbaar bedoeld voor de handel en daar gaat zeer veel geld in om. Heroïne is een verslavende en voor de gezondheid van de gebruiker zeer schadelijke stof. De handel in heroïne is bovendien bezwarend voor de samenleving omdat dit, direct of indirect, leidt tot ernstige vormen van geweld en criminaliteit. De verdachte heeft door zijn handelen een wezenlijke bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 29 mei 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Rapport van de reclassering
In het rapport van de reclassering van 4 juni 2026 staat onder meer het volgende. De verdachte heeft het delict gepleegd met financieel motief. Hij heeft bewust een criminele oplossing gekozen voor zijn financiële problemen. De verdachte heeft geen eigen woning en geen zinvolle dagbesteding, waardoor hij stabiliteit mist en inkomsten misloopt. Het sociale netwerk en het psychosociaal functioneren van verdachte wordt gezien als mogelijk delict gerelateerd en als risicofactor. Het is onduidelijk van wie de drugs waren en in welk netwerk de verdachte zich bevindt. Positief is wel dat hij, ondanks het drugsfeit, geen drugs meer gebruikt en hier ook geen behoefte meer aan heeft.
Het recidive risico wordt ingeschat als gemiddeld.
De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden op te leggen, bestaande uit een meldplicht, ambulante behandeling, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, dagbesteding en aflossing van schulden.
De verdachte geeft aan bereid te zijn om mee te werken en weer grip op zijn leven te willen krijgen.
Oplegging straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf.
Het uitgangspunt voor het aanwezig hebben van de hoeveelheid verdovende middelen die bij de verdachte is aangetroffen, is een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden. De eis van de officier van justitie doet, gelet op de genoemde oriëntatiepunten en de omstandigheden van het geval, geen recht aan de ernst van het feit. Ook omdat de rechtbank in het dossier aanwijzingen ziet dat de verdachte meer handelingen heeft verricht met de verdovende middelen dan het alleen maar bewaren ervan. In de persoonlijke omstandigheden van de verdachte ziet de rechtbank echter aanleiding om geen langere gevangenisstraf op te leggen dan 36 maanden.
Van deze gevangenisstraf wordt 12 maanden voorwaardelijk opgelegd. De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.
5 Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b en 14c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
6 Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 36 (zesendertig) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat van deze gevangenisstraf 12 (twaalf) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op twee jaren, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
1. Meldplicht bij reclassering
de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij het kantoor van Reclassering Nederland op het adres Marconistraat 2, 3029 AK Rotterdam;
2. Ambulante behandeling
de verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op verslavingsproblematiek en cognitieve vaardigheden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
3. Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
de verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een nader te bepalen instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
4. Dagbesteding
de verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald of onbetaald werk, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
5. Aflossing schulden
de verdachte zich inspant voor het verkrijgen en behouden van een vast inkomen en meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
-
meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
-
meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
7 Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.C. Oord, voorzitter,
en mrs. M.J.C. Spoormaker en G.C. Bos, rechters,
in tegenwoordigheid van M.J. Grootendorst, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 1 juli 2026.