Strafrecht overig

Veroordeling voor een poging tot afpersing tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere…

Rechtbank Rotterdam, 1 juli 2026

Zaakgegevens

Op 1 juli 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
1 juli 2026
Datum publicatie
12 augustus 2026
Zaaknummer
10-085763-26
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:9952
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Veroordeling voor een poging tot afpersing tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden en een taakstraf.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10-085763-26

Datum uitspraak: 1 juli 2026

Datum zitting: 1 juli 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1995 in [geboorteplaats] ,

ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] .

Advocaat van de verdachte: mr. R.J. Balkenende namens mr. S.M. Hoogenraad.

Officier van justitie: mr. J. du Chatinier.

1 Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan - samengevat - dat hij op 22 maart 2026 door te dreigen met geweld heeft geprobeerd zijn ouders geld afhandig te maken, dan wel dat hij heeft gedreigd zijn ouders te doden of te mishandelen.

De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat

hij op of omstreeks 22 maart 2026 te [plaats] , [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag en/of (een) goed/goederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander en/of anderen toebehoorde(n) immers is en/of heeft verdachte

- ( dreigend) met een glas (met daarin een kaars) richting die [slachtoffer 1] gelopen en/of

- ( vervolgens) (dreigend) voor die [slachtoffer 1] gaan staan en/of

- ( daarbij) (dreigend) de woorden uitgesproken: "Jij gaat ervoor zorgen dat het geld van de stoel waar je in zit en het geld van de bank van mijn schuld wordt afgetrokken anders ga ik jullie vermoorden. Jij hebt hier tot 10 voor 12 de tijd voor anders haal ik jou uit jouw kankerstoel, sla ik je in elkaar en plant ik een mes tussen je ribben! Dit geldt ook voor als jullie de politie bellen. Als de politie komt dan steek ik jullie dood en steek ik jullie huis in brand. Als ik de politie zie dan sterven jullie gelijk!" althans van woorden van gelijke strekking terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair

dat hij op of omstreeks 22 maart 2026 te [plaats] , [gemeente] [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen "Jij gaat ervoor zorgen dat het geld van de stoel waar je in zit en het geld van de bank van mijn schuld wordt afgetrokken anders ga ik jullie vermoorden. Jij hebt hier tot 10 voor 12 de tijd voor anders haal ik jou uit jouw kankerstoel, sla ik je in elkaar en plant ik een mes tussen je ribben! Dit geldt ook voor als jullie de politie bellen. Als de politie komt dan steek ik jullie dood en steek ik jullie huis in brand. Als ik de politie zie dan sterven jullie gelijk!" en/of "Ik trek je uit je stoel en sla je in elkaar, steek je dood en snij je slagaders door", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

2 Bewijs

2.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het primair ten laste gelegde feit. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

2.2.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van de primair en subsidiair tenlastegelegde feiten vrijspraak bepleit. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

2.3.

Oordeel van de rechtbank

2.3.1.

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

Het primair ten laste gelegde feit is bewezen. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.

De bewezenverklaring is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de bewijsmotivering.

1. Verklaring van de verdachte

Op 22 maart 2026 had ik in de woning van mijn ouders [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in [plaats] een verhitte discussie met mijn vader. Ik heb hem bedreigd en gezegd dat ik hem uit zijn stoel zou trekken en dat ik hem zou gaan slaan. Er was een conflict over meubels. Hij zat in de stoel die mijn eigendom is en mijn ouders hebben zich die stoel toegeëigend. Ik vond dat de waarde van die stoel moest worden afgetrokken van een schuld die ik bij mijn ouders heb. Dat van tien voor twaalf (11:50 uur) heb ik gezegd, omdat ik de bus moest halen. Ik heb gezegd dat ik voor die tijd mijn geld wilde hebben, anders zou ik gaan slaan.

2. Proces-verbaal van de politie
Op 22 maart 2026 om 10.45 uur werd er een incident gemeld door [melder] . Hij verklaarde dat hij vandaag telefonisch contact had gehad met zijn zwager [slachtoffer 1] , wonende te [plaats] . [melder] verklaarde ons dat hij tijdens het telefoongesprek had gehoord dat zijn zwager woordelijk werd bedreigd door zijn zoon [verdachte] . De bedreigingen zouden zijn geweest dat [verdachte] zijn vader neer zou steken en het huis in de brand zou steken. Tevens zou [verdachte] zijn vader hebben bedreigd iets aan te doen met een mes als hij niet binnen de door hem gestelde termijn, die zou 11.50 uur zijn, geld zou krijgen.

3. Proces-verbaal van de politie
Op 22 maart 2026 om 11.17 uur belde ik naar vader [slachtoffer 1] . Hij sprak op een fluisterende toon met mij. Hij verklaarde dat het met zijn zoon [verdachte] de afgelopen weken niet goed gaat. [verdachte] zou aan het afglijden zijn en hun beiden, hij en zijn vrouw, de afgelopen weken aan het terroriseren zijn. [slachtoffer 1] gaf aan dat hij niet vrijuit kon spreken omdat als zijn zoon hier achter zou komen, dan zouden hij en zijn vrouw door hem doodgestoken worden en dat als hij politie zou zien, dat hij en zijn vrouw ook doodgestoken gingen worden. Verder gaf vader aan dat [verdachte] van hem eiste dat hij (vader) voor 11:50 uur dingen voor [verdachte] geregeld moest hebben anders zouden hij en zijn vrouw dood gestoken worden. Hij verklaarde dat zijn zoon niet mocht merken dat hij ons aan de telefoon had anders werden hij en zijn vrouw op zeker door zoon dood gemaakt. Vervolgens werd de verdachte aangehouden en hierna was ik om

11.55

uur ik in de woning. Vader verklaarde: “Vanochtend zat ik in mijn stoel en kwam [verdachte] met opgeheven arm naar mij toe en bleef voor mij staan. Toen hij dit deed had hij een glas met daarin een kaars in zijn hand. [verdachte] zei toen tegen mij: "Jij gaat ervoor zorgen dat het geld van de stoel waar je in zit en het geld van de bank van mijn schuld wordt afgetrokken anders ga ik jullie vermoorden. Jij hebt hier tot 10 voor 12 (11:50 uur) de tijd voor anders haal ik jou uit jouw kankerstoel, sla ik je in elkaar en plant ik een mes tussen je ribben! Dit geldt ook voor als jullie de politie bellen. Als de politie komt dan steek ik een mes in jullie slagader! Jullie hebben tot 10 voor 12 de tijd anders steek ik jullie dood en steek ik jullie huis in brand. Als ik de politie zie dan sterven jullie gelijk!”

2.3.2.

Bewijsmotivering

De verdediging heeft vrijspraak bepleit en gesteld dat het anders is gegaan dan door vader is verklaard. De verdachte ontkent dat hij zijn vader heeft gedreigd te vermoorden of iets anders aan te doen als het niet om 11.50 uur geregeld zou zijn. De melder kan dit ook niet door de telefoon hebben gehoord. Verder stelt de verdediging dat het vragen om duidelijkheid over (de verrekening van) een schuld in deze context niet gekwalificeerd kan worden als een poging tot afpersing, in ieder geval niet op de manier zoals het ten laste is gelegd. Niet elke (verhitte) discussie over geldzaken levert een afpersing op. Daarnaast is ook vrijspraak van het subsidiair tenlastegelegde bepleit, omdat de verdachte zegt slechts te hebben gedreigd om zijn vader te slaan en uit zijn stoel te trekken en dit niet kan worden gekwalificeerd als dreigen met een tegen het leven gericht misdrijf of met zware mishandeling.

De rechtbank is van oordeel dat het door de verdediging gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde, wordt weersproken door de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die verklaringen.

De verdachte heeft een geldschuld bij zijn ouders. Hij heeft hen onder druk gezet en geëist om de waarde van meubilair af te trekken van die schuld. Hij dreigde zwaar geweld te gaan gebruiken, hen te doden of het huis in de brand te steken als zij niet voor een bepaald tijdstip aan die eis zouden voldoen. Het creëren van deze dreigende sfeer diende maar één doel, namelijk zijn ouders proberen te bewegen tot afgifte van een geldbedrag. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte heeft geprobeerd om zijn ouders af te persen door bedreiging met geweld.

2.3.3.

Volledige bewezenverklaring

Bewezen is:

dat hij op 22 maart 2026 te [plaats] , [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag dat aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] toebehoorde immers is en heeft verdachte

- dreigend met een glas (met daarin een kaars) richting die [slachtoffer 1] gelopen en

- vervolgens dreigend voor die [slachtoffer 1] gaan staan en

- daarbij dreigend de woorden uitgesproken: "Jij gaat ervoor zorgen dat het geld van de stoel waar je in zit en het geld van de bank van mijn schuld wordt afgetrokken anders ga ik jullie vermoorden. Jij hebt hier tot 10 voor 12 de tijd voor anders haal ik jou uit jouw kankerstoel, sla ik je in elkaar en plant ik een mes tussen je ribben! Dit geldt ook voor als jullie de politie bellen. Als de politie komt dan steek ik jullie dood en steek ik jullie huis in brand. Als ik de politie zie dan sterven jullie gelijk!" althans van woorden van gelijke strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3 Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.

Kwalificatie

Het primair bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:

poging tot afpersing.

3.2.

Strafbaarheid van het feit en van de verdachte

Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

4 Straffen

4.1.

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet voor het primair ten laste gelegde feit worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 79 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met bijzondere voorwaarden en veroordeling tot het verrichten van een taakstraf voor de duur van 60 uur, subsidiair 30 dagen hechtenis.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan het voorarrest van 41 dagen, in combinatie met een voorwaardelijk strafdeel met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Mocht de rechtbank toch een hogere gevangenisstraf opleggen, dan wordt daarnaast verzocht de voorlopige hechtenis die tot de einduitspraak is geschorst, op te heffen en de verdachte opnieuw te schorsen.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Ernst en omstandigheden van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot afpersing van zijn ouders. Na een periode van stress en spanningen heeft hij op 22 maart 2026 bedreigende en intimiderende verbale uitingen gedaan. Zij moesten voor 11.50 uur bevestigen dat zij de waarde van een stoel en een bank in mindering zouden brengen op de schuld die de verdachte bij hen had, anders zou hij hen vermoorden of het huis in brand steken. De verdachte heeft hiermee een beangstigende situatie gecreëerd en zijn ouders gevoelens van grote angst en onveiligheid bezorgd.

4.3.2.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 9 juni 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Rapporten van de psycholoog en de reclassering

In het rapport van GZ psycholoog dr. M. ter Berge van 8 mei 2026 staat onder meer het volgende.

Het gedrag van de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde kan verklaard en begrepen worden vanuit de bij verdachte geconstateerde disruptieve impulsbeheersingsstoornis; hij kan snel getriggerd raken en verliest dan de controle, waardoor er forse verbale acting out kan plaatsvinden. Hoewel de verdachte achteraf spijt kan hebben schieten op dergelijke momenten de coping- en zelfcontrole mechanismen ernstig tekort. In dit licht bezien adviseert de psycholoog de verdachte het ten laste gelegde in (enigszins) verminderde mate toe te rekenen. Op basis van de risicotaxatie instrumenten in combinatie met de klinische indrukken kan gesteld worden dat de kans op (verbale) acting out bij onbehandelde problematiek als matig tot hoog wordt ingeschat. De verdachte kan baat hebben bij behandeling en begeleiding gericht op de impulsbeheersingsproblematiek en dit is ook geïndiceerd. Deze behandeling zal in ambulante vorm kunnen plaatsvinden, waarbij het van belang is dat een en ander laagdrempelig en frequent zal worden aangeboden. Begeleiding en toezicht is daarnaast geïndiceerd om de verdachte te ondersteunen in het dagelijkse leven en vooral ook om hem te helpen het geleerde in de praktijk te brengen en dit te doen beklijven. Dit zou vorm kunnen krijgen via verblijf binnen een begeleid wonen traject in combinatie met reclasseringstoezicht. Deze behandeling en begeleiding in het kader van bijzondere voorwaarden wordt geadviseerd om de kans op recidive zo veel mogelijk te beperken.

Op basis van het rapport van de psycholoog stelt de rechtbank vast dat bij de verdachte een psychische stoornis bestond en dat deze het gedrag van de verdachte tijdens het begaan van het feit beïnvloedde. Het feit wordt daarom in verminderde mate aan de verdachte toegerekend.

In het adviesrapport van de reclassering van 25 juni 2026 staat onder meer het volgende.

De reclassering schat de kans op recidive in als gemiddeld tot hoog, nu sprake lijkt te zijn van onvoldoende ontwikkelde vaardigheden om spanning, frustratie en belastende omstandigheden op adequate wijze te reguleren. Zonder gerichte behandeling bestaat het risico dat de verdachte in vergelijkbare situaties opnieuw terugvalt in disfunctionele coping strategieën en gedragskeuzes. Het verdient aanbeveling dat de verdachte meer uitgebreide ambulante (outreachende) behandeling ontvangt gericht op het vergroten van zijn inzicht in de invloed van zijn stoornis op zijn gedrag, alsmede op het versterken van zijn probleemoplossende vaardigheden en het verminderen van acting out gedrag. De reclassering adviseert de verdachte bij veroordeling een deels voorwaardelijke straf op te leggen en daaraan bijzondere voorwaarden te verbinden: een meldplicht bij de reclassering, het volgen van een Gedragsinterventie Cognitieve Vaardigheden, ambulante behandeling gericht op agressiebeheersing, cognitieve en sociale vaardigheden, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, inspannen voor het vinden en behouden van een dagbesteding met vaste structuur en controles van middelengebruik.

4.3.3.

Oplegging straffen

Gelet op de ernst van het strafbare feit is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel passend. In de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn persoonlijkheid en de noodzaak van begeleiding en hulpverlening, ziet de rechtbank aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. De rechtbank zal een groot deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest. Dat betekent dat de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis. De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd. Deze voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen, om de verdachte op het rechte pad te houden en om hem verder te ondersteunen in zijn persoonlijke ontwikkeling. Het resterende deel van de door de rechtbank voorgenomen straf wordt opgelegd in de vorm van een taakstraf voor de duur van 60 uur.

5 Voorlopige hechtenis

De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van 1 mei 2026 geschorst tot aan de einduitspraak.

De verdediging heeft verzocht de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen, dan wel opnieuw te schorsen.

De rechtbank zal het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opheffen, nu de totale duur van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis gelijk is aan die van het onvoorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf.

6 Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straffen zijn gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

7 Beslissingen

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte het primaire feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straffen

Gevangenisstraf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 120 (honderdtwintig) dagen;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

Voorwaardelijk strafdeel

bepaalt dat van deze gevangenisstraf 79 (negenenzeventig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op twee jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde dat:

- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;

stelt als bijzondere voorwaarden dat:

1. Meldplicht bij reclassering

de verdachte zich meldt gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak;

2. Gedragsinterventie cognitieve vaardigheden

de verdachte binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer;

3. Ambulante behandeling

de verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start nadat de proeftijd is ingegaan. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden en sociale vaardigheden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven

medicatie zal gebruiken;

4. Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang

de verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een nog nader te bepalen instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Hij houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;

5. Dagbesteding

de verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van dagbesteding met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;

6. Beheersing middelengebruik

de verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van verdovende middelen, genoemd in lijst II (softdrugs) in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:

  • meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;

  • meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

Taakstraf

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 60 (zestig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;

beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 30 (dertig) dagen;

Voorlopige hechtenis

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van heden.

8 Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.J.C. Spoormaker, voorzitter,

en mrs. J.C. Oord en G.C. Bos, rechters,

in tegenwoordigheid van M.J. Grootendorst, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 1 juli 2026.

De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Verklaard tijdens de zitting van 1 juli 2026. Het proces-verbaal bevindingen nummer [proces-verbaalnummer 1] . Het proces-verbaal nummer [proces-verbaalnummer 2] .