Civiel recht overig
Rechtbank 's-Hertogenbosch · Bodemzaak · Civiel recht overig
Rechtbank 's-Hertogenbosch, 13 december 2005
ECLI:NL:RBSHE:2005:709 · Rechtbank 's-Hertogenbosch · 13 december 2005
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-s-hertogenbosch/civiel-recht/civiel-recht-overig/bodemzaak/ecli-nl-rbshe-2005-709
Zaakgegevens
Op 13 december 2005 heeft de Rechtbank 's-Hertogenbosch in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank 's-HertogenboschRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 13 december 2005
- Datum publicatie
- 29 april 2013
- Zaaknummer
- 126862 - HA ZA 05-1191
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBSHE:2005:709
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Voor deze uitspraak is nog geen samenvatting beschikbaar.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK 's -Hertogenbosch
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 126862 / HA ZA 05-1191
Vonnis van 14 december 2005
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eiseres,
procureur mr. C.C.E. Wilschut,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
procureur mr. P.C.M. van der Ven.
Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
het tussenvonnis van 12 oktober 2005
-
het proces-verbaal van comparitie van 28 november 2005.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De vordering
[eiseres] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van EUR 18.864,- , vermeerderd met rente en kosten
3 Het geschil en de beoordeling
[eiseres] heeft het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd.
[eiseres] heeft in de jaren 1997/1998 voor een bedrag van EUR 18.864,-- werkzaamheden verricht en materialen geleverd ten behoeve van een verbouwing van de destijds aan [gedaagde] voor 99% in eigendom toebehorende woning aan [adres 1] te [plaats] .
[eiseres] heeft diverse malen met [A] , met wie [gedaagde] destijds samenwoonde, afspraken gemaakt over de betaling van genoemde EUR 18.864,-- doch deze zijn nooit nagekomen. Nu [eiseres] niet voor haar werkzaamheden en materialen is betaald vordert zij betaling van [gedaagde] omdat [gedaagde] , zo stelt [eiseres] , voor het bedrag van EUR 18.864,--, ongerechtvaardigd is verrijkt. [eiseres] heeft materialen geleverd en werkzaamheden verricht die bestanddelen zijn geworden van en door natrekking duurzaam verenigd zijn met de woning van [gedaagde] . [gedaagde] is als eigenaar van deze woning door natrekking ook eigenaar geworden van al hetgeen daar duurzaam mee is verenigd.
[gedaagde] heeft gesteld dat, nu de materialen en de werkzaamheden dateren van 1997 en 1998, de vordering is verjaard. Pas op 3 december 2004 heeft [gedaagde] , zo stelt zij, voor het eerst van [eiseres] het verzoek gehad om haar facturen te voldoen.
[eiseres] heeft tegen deze laatste stelling aangevoerd dat zij op 3 oktober 2001 een brief heeft gezonden aan [A] , waarmee de verjaring is gestuit. Hoewel deze brief - blijkens een door [eiseres] als afschrift van deze brief overgelegde niet ondertekende tekst - niet gericht kan zijn geweest aan [gedaagde] heeft zij deze, aldus [eiseres] , wel gezien en ook beroept [eiseres] zich in dit verband op een notariële volmacht uit 1996 waarmee [gedaagde] [A] machtigt -samengevat- een scala aan rechtshandelingen te verrichten met betrekking tot onder meer het pand aan [adres 1] te [plaats] . Gelet op deze volmacht heeft [A] , aldus [eiseres] , deze brief in zijn hoedanigheid van gemachtigde van [gedaagde] ontvangen en daarmee is de verjaring toen gestuit.
Als deze volmacht al toereikend geacht mag worden, in die zin dat een stuitinghandeling gericht aan deze gevolmachtigde de verjaring van deze vordering uit ongerechtvaardigde verrijking kan stuiten, komt de vraag aan de orde of met een brief met de inhoud zoals gesteld - zo al vast zou komen te staan dat deze destijds aan [A] is verstuurd, hetgeen [gedaagde] betwist - de verjaring kan zijn gestuit.
Hiervoor is vereist dat [gedaagde] uit deze brief had moeten kunnen begrijpen dat [eiseres] zich ondubbelzinnig haar recht op vergoeding van haar schade door [gedaagde] voorbehoudt.
De rechtbank is van oordeel dat aan dit vereiste niet is voldaan, omdat op grond van de bewoordingen van deze brief niet duidelijk is hoe [gedaagde] - of [A] als haar gevolmachtigde - hieruit had moeten begrijpen dat het betalingsverzoek in deze brief gericht is aan [gedaagde] en niet aan [A] , handelende voor zichzelf. De rechtbank heeft daarbij het volgende in aanmerking genomen.
[eiseres] heeft uiteengezet dat aanvankelijk was afgesproken dat betaling voor de door haar gefactureerde werkzaamheden en leveranties plaats zou vinden door een verrekening in het kader van de verkoop van onroerend goed dat [eiseres] samen met [A] in eigendom had. Toen deze verkoop niet door ging zijn daarna tot tweemaal toe nieuwe betalingsafspraken gemaakt, maar of dat met [gedaagde] was of met haar toenmalige partner de heer [A] weet haar bestuurder, de heer [eiseres] , niet.
Uit de correspondentie die in deze procedure is overgelegd komt niets anders naar voren dan (niet nagekomen of gewijzigde) betalingsafspraken tussen [eiseres] en [A] , waarbij [A] in ieder geval voor een deel uitsluitend optrad voor zichzelf en niet als gevolmachtigde van [gedaagde] . Immers, volgens de eerste afspraak zou betaling plaatsvinden door een verrekening in het kader van de verkoop van een aan [eiseres] en [A] gezamenlijk toebehorend onroerend goed en ook bij de afspraak daarna, dat de facturen voor de woning aan de [adres 1] “verrekend” zouden worden met een verbouwing door [eiseres] van een pand aan het [adres 2] te [plaats] , is niet anders gesteld of gebleken dan dat [A] voor zichzelf heeft gehandeld nu de volmacht waar [eiseres] zich nu op beroept geen betrekking heeft op dit onroerend goed.
Ook uit de brief van [A] aan [eiseres] van 27 oktober 2004 blijkt niet anders dan dat [A] deze zich tot dat moment tegenover [eiseres] op het standpunt heeft gesteld dat hijzelf degene was die [eiseres] moest betalen en dat hij eerst op dat moment - kennelijk omdat “ [gedaagde] pretendeert voor 99% eigenaresse van de woning te zijn (geweest).” - aan [eiseres] laat weten “Het lijkt mij dan ook juist dat [gedaagde] jouw rekening voldoet. Ik doe dat in ieder geval niet”.
De brief van 3 oktober 2001 kan, mede bezien tegen deze achtergrond en nog daargelaten wat er voor het overige van (de inhoud ervan) zij, niet beschouwd worden als een mededeling waarbij [eiseres] zich ondubbelzinnig haar recht op vergoeding van haar schade door [gedaagde] voorbehoudt.
Uit het voorgaande vloeit voort dat de vordering is verjaard en dat zij dient te worden afgewezen.
[eiseres] B.V. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:
-
explootkosten EUR 0,00
-
vast recht 440,00
-
getuigenkosten 0,00
-
deskundigen 0,00
-
overige kosten 0,00
-
salaris procureur 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)
Totaal EUR 1.344,00