Bestuursrecht overig

Bouw. Beroepen ongegegrond. Bestemmingsplan staat bouwplan toe. Beperkte toets.

Rechtbank Utrecht, 1 juni 2011

Zaakgegevens

Op 1 juni 2011 heeft de Rechtbank Utrecht in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
1 juni 2011
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
SBR 10/3201 en 10/3202
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBUTR:2011:BR5269
E-mail

Samenvatting

Bouw. Beroepen ongegegrond. Bestemmingsplan staat bouwplan toe. Beperkte toets.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummers: SBR 10/3201 en 10/3202

uitspraak van 1 juni 2011 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

1. [eiser sub 1], wonende te Rhenen,

2. De Stichting Houd Rhenen Laag, statutair gevestigd te Rhenen,

gemachtigden: [eiser sub 1] en [A],

eiseressen,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rhenen, verweerder,

(gemachtigden: mr. E.T. de Jong, advocaat te Arnhem en [B] werkzaam bij de gemeente Rhenen).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Planoform Vastgoedontwikkeling B.V. te Arnhem.

(gemachtigden: mr. F.M.G.M. Leyendeckers en mr. A.J. Koppert, advocaten te Utrecht).

Partijen zullen hierna [eiser sub 1] , de Stichting (eiseres sub 2), eiseressen (eisers sub 1 en sub 2 gezamenlijk), het college (verweerder) en Planoform (derde-partij) worden genoemd.

Procesverloop

Bij besluit van 18 maart 2010 heeft het college binnenplanse ontheffing van het bestemmingsplan en een reguliere bouwvergunning verleend aan Planoform voor de bouw van het project ‘Binnenstad-Oost’ aan de Herenstraat 47 en Nieuwe Veenendaalseweg 19 t/m 23 te Rhenen (hierna: het perceel). Eiseressen hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 17 augustus 2010 (hierna: het bestreden besluit) heeft het college [eiser sub 1] niet-ontvankelijk verklaard. Daarnaast heeft het college de bezwaren van de Stichting ongegrond verklaard. Eiseressen hebben hiertegen beroep ingesteld bij deze rechtbank.

De beroepen zijn op de zitting van 21 april 2011 gevoegd behandeld. [eiser sub 1] is in persoon verschenen. De Stichting is vertegenwoordigd door haar gemachtigden. Het college heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Namens Planoform is verschenen [C], bijgestaan door haar gemachtigden.

Overwegingen

In beide beroepen

1. Planoform en het college stellen zich op het standpunt dat de Crisis- en herstelwet (Chw) op de onderhavige zaak van toepassing is, in het bijzonder afdeling 2 van de Chw. Het bouwplan ziet onder meer op de bouw van ruim 80 woningen en valt daarmee volgens Planoform en het college onder categorie 3.2 van Bijlage I van de Chw.

Nu het bestreden besluit dateert van na 31 maart 2010, de datum van inwerkingtreding van de Chw, is ook voldaan aan het vereiste uit artikel 5.3, eerste lid, van de Chw, zodat de Chw volgens Planoform op deze beroepen van toepassing is. Planoform verzoekt de rechtbank met toepassing van artikel 1.6, eerste lid, van de Chw de beroepen daarom versneld te behandelen.

2.1 Artikel 1.1, eerste lid, van de Chw bepaalt onder a, dat Afdeling 2 ‘Procedures’ van de Chw van toepassing is op alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten dan wel voor de in bijlage II bij deze wet bedoelde ruimtelijke of infrastructurele projecten.

2.2 In bijlage I van de Chw is als categorie 3.1 opgenomen: ‘ontwikkeling en verwezenlijking van werken en gebieden krachtens afdeling 3.1 of afdeling 3.3 van de Wro, ten behoeve van de bouw van meer dan 20 woningen in een aaneengesloten gebied of de herstructurering van woon- en werkgebieden’ en is als categorie 3.2 opgenomen: ‘projecten als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid’.

2.3 In afdeling 6 van de Chw ‘Versnelde uitvoering van bouwprojecten’ is artikel 2.9 opgenomen. Artikel 2.9, eerste lid, van de Chw bepaalt - voor zover hier van belang en kort weergegeven - dat deze afdeling van toepassing is op de uitvoering van:

a. projecten die geheel of hoofdzakelijk voorzien in de bouw van ten minste 12 en ten hoogste 2000, dan wel 1500 nieuwe woningen, alsmede

b. bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën andere projecten van maatschappelijk belang.

2.4 Artikel 2.10, eerste lid, van de Chw bepaalt - voor zover hier relevant - dat de gemeenteraad op verzoek of ambtshalve ten aanzien van een project als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, een projectuitvoeringsbesluit kan vaststellen.

2.5 De rechtbank stelt vast dat het bouwplan, nu het ziet op de oprichting van ruim 80 woningen, past binnen de omschrijving van een project zoals neergelegd in artikel 2.9, eerste lid, onder a van de Chw. De rechtbank stelt verder vast dat de gemeenteraad ten behoeve van dit bouwplan geen projectuitvoeringsbesluit als bedoeld in artikel 2.10 van de Chw heeft genomen en dat het besluit van 18 maart 2010 ook niet als zodanig is aan te merken. Ter zitting heeft de rechtbank ten slotte vastgesteld dat het op deze beroepen van toepassing zijnde bestemmingsplan onder het regime van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) tot stand is gekomen. Dit laatste brengt met zich dat categorie 3.1 van bijlage I van de Chw niet op deze beroepen van toepassing is, nu die categorie ziet op het regime van de Wro. Daarmee is het dus de vraag of categorie 3.2 van bijlage I wel op deze beroepen van toepassing is.

2.6 In lijn met haar uitspraak van 19 april 2011 (LJN BQ2037) is de rechtbank van oordeel dat, nu een projectuitvoeringsbesluit ontbreekt, in het onderhavige geval geen sprake is van een project als bedoeld in bijlage I, categorie 3.2 van de Chw. De rechtbank ziet zich in dit oordeel gesteund door de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de AbRS) van 20 april 2011 (LJN BQ 1875), waarin de AbRS tot eenzelfde oordeel komt.

Weliswaar wordt in categorie 3.2 van bijlage I van de Chw volstaan met een verwijzing naar projecten als bedoeld in artikel 2.9 van de Chw, maar een redelijke uitleg van de beoogde strekking van deze categorie brengt met zich dat deze categorie zich beperkt tot projecten waarvoor een projectuitvoeringsbesluit is genomen, nu artikel 2.9 van de Chw de bevoegdheid om een projectuitvoeringsbesluit te nemen als bedoeld in art. 2.10 van de Chw betreft. Een andere uitleg zou categorie 3.1 betekenisloos maken, terwijl uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Chw (Kamerstukken II 2009/10, 32 127, nr. 5) kan worden afgeleid dat categorie 3.2 alleen de strekking heeft om afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw op projectuitvoeringsbesluiten van toepassing te laten zijn. Dat ook de wetgever dit oordeel is toegedaan blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit wetsvoorstel 32588 ‘Wijziging van de Crisis- en herstelwet en enkele andere wetten (verbeteringen en aanvullingen)’, waarin in artikel I, onder J, wordt voorgesteld om Bijlage I als volgt te wijzigen:

“ In categorie 3.2 wordt na 2.9, eerste lid toegevoegd: , waarvoor een projectuitvoeringsbesluit als bedoeld in artikel 2.10 is vastgesteld.”

De Memorie van Toelichting vermeldt hierbij het volgende:

“Deze voorgestelde wijziging van categorie 3.2 van bijlage I bij de Crisis- en herstelwet beperkt de toepassing van hoofdstuk 1, afdeling 2 (procedures), van de Crisis- en herstelwet ten aanzien van bouwprojecten tot die gevallen waarin voor een bouwproject daadwerkelijk een projectuitvoeringsbesluit is vastgesteld. Door de formulering van categorie 3.2 was die koppeling onbedoeld niet gemaakt.”

2.7 Nu het bouwplan niet is aan te merken als een project als bedoeld in categorie 3.2 van bijlage I van de Chw, noch als een project in de zin van bijlage II van de Chw, is de Chw ook op deze grond niet van toepassing.

Het beroep met nummer SBR 10/3201

3. In dit beroep staat centraal de vraag of het college [eiser sub 1] in het bestreden besluit terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat zij volgens het college in juridisch opzicht niet is aan te merken als belanghebbende bij het besluit van 18 maart 2010.

4.1 Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan een belanghebbende tegen een besluit bezwaar maken. Uit artikel 1:2, eerste lid, van de Awb blijkt dat onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

4.2 Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon volgens vaste rechtspraak van de AbRS een voldoende objectief bepaalbaar, eigen, persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. Blijkens deze rechtspraak heeft de wetgever met het juridische belanghebbendebegrip willen voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en beroep zou kunnen instellen. Dat zou immers leiden tot onaanvaardbare vertragingen van de bezwaar- en beroepsprocedure.

In de rechtspraak van de AbRS is het belanghebbendebegrip in bouwzaken nader ingevuld. Om in bouwzaken als belanghebbende, in de zin van de Awb, te kunnen worden aangemerkt, is volgens deze rechtspraak bepalend of men in de nabijheid van het betreffende bouwperceel woonachtig is of dat men zicht heeft op dat perceel.

De rechtbank overweegt in dit verband dat zowel het afstandscriterium als het zichtcriterium relatief zijn. Er is geen bepaalde afstand die de absolute grens vormt voor de kwalificatie van belanghebbende en iemand met zicht is niet altijd een belanghebbende. Het is een combinatie van zicht en afstand die maakt of iemand belanghebbende is, waarbij de mate van ruimtelijke uitstraling van werken en/of werkzaamheden waar de vergunning op ziet en de aard van de omgeving relevant zijn.

5. [eiser sub 1] voert in beroep aan dat zij het niet-ontvankelijk verklaren van haar bezwaar ervaart als oneerlijk en ondemocratisch. Het louter hanteren van het afstandscriterium vindt [eiser sub 1] een te magere grond om daarmee haar grote belang en betrokkenheid te toetsen of te beoordelen. [eiser sub 1] voelt zich namelijk sterk verbonden met, en betrokken, bij het centrum van Rhenen. Zij vreest dat het bouwplan zal leiden tot een permanente aantasting van het historische centrum van Rhenen en de daarbij behorende kenmerkende waarden als kleinschalig- en kleinstedelijkheid.

Eerst ter zitting heeft [eiser sub 1] nog aangevoerd dat zij een winkel exploiteert in de Herenstraat te Rhenen, de straat waar een deel van het bouwplan gerealiseerd zal worden.

6. Omdat er veel bezwaarschriften tegen het besluit van 18 maart 2010 bij het college

zijn ingediend, heeft het college alle bezwaarmakers die minimaal 200 meter van het perceel woonachtig zijn, waaronder [eiser sub 1], schriftelijk benaderd en de vraag gesteld of zij konden onderbouwen op grond waarvan zij meenden belanghebbende te zijn bij het hiervoor genoemde besluit van 18 maart 2010. Het college is tot de conclusie gekomen dat voor alle bezwaarmakers die woonachtig zijn op meer dan 200 meter van het perceel, waaronder dus [eiser sub 1], en die ook geen zicht op het perceel hebben onvoldoende is gebleken dat zij een eigen voldoende eigen onderscheidend belang hebben bij het betreffende besluit. De aangevoerde bezwaren hebben daarvoor een te globaal en niet onderscheidend karakter, aldus het college.

7.1 De rechtbank stelt voorop dat de door [eiser sub 1] aangevoerde omstandigheid dat zij ook een winkel in de Herenstraat exploiteert, niet in de beoordeling van de rechtbank zal worden meegenomen. De rechtbank moet namelijk toetsen of het college op het moment dat hij het bestreden besluit nam, op basis van de toen beschikbare informatie, [eiser sub 1] terecht niet als belanghebbende heeft aangemerkt. Nu [eiser sub 1] deze omstandigheid eerst ter zitting, en dus niet in de bezwaarfase, heeft aangevoerd, kon het college tijdens het nemen van het bestreden besluit dus niet bekend zijn met deze omstandigheid. Dat het college niet over deze informatie beschikte valt hem overigens ook niet aan te rekenen.

Zoals hiervoor is gebleken heeft het college voor zijn beoordeling van de bezwaren ook [eiser sub 1] nadrukkelijk verzocht om alle mogelijk relevante informatie te verstrekken om te kunnen beoordelen of zij als belanghebbende kon worden aangemerkt. Dat [eiser sub 1] deze informatie in de bezwaarfase niet heeft aangevoerd, komt gelet op het voorgaande dus voor haar procesrisico.

7.2 De rechtbank is verder van oordeel dat, anders dan [eiser sub 1] betoogt, het college

niet alleen het afstands- en zichtscriterium heeft gehanteerd bij het beantwoorden van de

vraag of zij als belanghebbende moest worden aangemerkt. Integendeel. Het college heeft ook [eiser sub 1] in de bezwaarfase nadrukkelijk gevraagd om haar belangen bij het besluit van 18 maart 2010 nader te onderbouwen, nu het college niet alleen op grond van het afstands- en zichtscriterium tot een conclusie over haar belanghebbendeschap wilde komen. De rechtbank is van oordeel dat het college de daarop door [eiser sub 1] aangevoerde belangen terecht als onvoldoende onderscheidend heeft aangemerkt om [eiser sub 1] op grond daarvan, ondanks het feit dat haar woning zich op een op afstand van meer dan 200 meter van het perceel bevindt en zij geen zicht op het perceel heeft, toch als belanghebbende aan te merken. De door [eiser sub 1] aangevoerde belangen zijn naar het oordeel van de rechtbank daarvoor onvoldoende objectief bepaalbaar om haar in voldoende mate te kunnen onderscheiden van de overige inwoners van Rhenen.

De rechtbank wil uiteraard aannemen dat [eiser sub 1] betrokken is bij de ruimtelijke ontwikkeling van het centrum van Rhenen, dat maakt haar echter nog geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

8. Uit het voorgaande volgt dat het college [eiser sub 1] in het bestreden besluit terecht niet als belanghebbende, in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, heeft aangemerkt bij het besluit van 18 maart 2010. Het college heeft haar daarmee terecht niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar tegen dit besluit.

Het beroep van [eiser sub 1] is dus ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Het beroep met nummer SBR 10/3202

9. Het bouwplan ziet op het bouwen van een appartementengebouw, grondgebonden woningen, commerciële ruimten en een parkeergarage (hierna: het bouwplan). De aanvraag voor het bouwplan is op 19 oktober 2009 ingediend, zodat op dit beroep de, op 1 juli 2008 in werking getreden, Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) van toepassing is.

10. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in

werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat die wetswijzigingen niet van toepassing zijn in dit geding.

11.1 Nu de Wabo niet op dit beroep van toepassing is, zijn voor de inhoudelijke beoordeling hiervan de wetten van belang, zoals zij luidden voordat zij bij de invoering van de Wabo werden gewijzigd.

Op grond van artikel 40, eerste lid, van de Woningwet (hierna: Ww) is voor het realiseren van het onderhavige bouwplan een bouwvergunning vereist. In artikel 44, eerste lid, van de Ww staan de gevallen opgesomd waarin de bouwvergunning moet worden geweigerd. Dit is onder meer het geval wanneer het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan of de redelijke eisen van welstand.

Ingevolge artikel 46, derde lid, van de Ww wordt, indien het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, de aanvraag om bouwvergunning - voor zover hier van belang - tevens aangemerkt als een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 3.6, van de Wro.

11.2 Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro, zoals dit luidde ten tijde van belang, kan in een bestemmingsplan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders met inachtneming van de bij het plan te geven regels ontheffing kan verlenen.

12. Op het perceel was ten tijde van de aanvraag het bestemmingsplan “Binnenstad-Oost I” van kracht. Op het perceel rustte, zoals blijkt uit de bij het bestemmingsplan behorende plankaart, de bestemmingen ‘wonen’, ‘detailhandel en wonen’ en ‘gemengde doelen’. Het deel van het perceel op de hoek van de van de Mw. Van de Waalstraat/Plantsoenstraat te Rhenen heeft blijkens de plankaart de bestemming ‘gemengde doelen’. Uit artikel 7, tweede lid onder b, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan volgt dat voor gronden met de bestemming ‘gemengde doelen’ de goothoogte en hoogte van gebouwen niet meer mogen bedragen dan op de plankaart is aangegeven.

De rechtbank stelt, op grond van de bij dit bestemmingplan behorende plankaart, vast dat op de hoek van de van de Mw. Van de Waalstraat/Plantsoenstraat een maximale bouwhoogte is toegestaan van 14,5 meter.

Op grond van artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro is in artikel 11, onder c, van de hiervoor genoemde planvoorschriften opgenomen dat het college bevoegd is ontheffing te verlenen van de bepalingen van het bestemmingsplan voor het overschrijden van de bepalingen inzake goothoogte, hoogte en oppervlakte van bebouwing met niet meer dan 10%.

13. Vast staat dat het bouwplan - met uitzondering van de bouwhoogte op de hoek van de van de Mw. Van de Waalstraat/Plantsoenstraat - met het bestemmingsplan en de bijbehorende planvoorschriften in overeenstemming is. De strijdigheid met het bestemmingsplan bestaat slechts daaruit dat het bouwplan op de hoek van de van

de Mw. Van de Waalstraat/Plantsoenstraat voorziet in een bouwhoogte van maximaal 15,13 meter, een overschrijding van de toegestane hoogte van 14,5 meter met 4,3%.

Bij het thans bestreden besluit heeft het college de hiervoor genoemde strijdigheid met het bestemmingsplan opgeheven door op grond van artikel 11, onder c, van de planvoorschriften hiervoor binnenplanse ontheffing te verlenen.

14. Aangezien de overschrijding van de bouwhoogte 4,3 % bedraagt, is de rechtbank van oordeel dat voldaan wordt aan de, in artikel 11, onder c, van de planvoorschriften gestelde grens voor het verlenen van ontheffing. Het college was dus bevoegd om ingevolge dit artikel ontheffing te verlenen van de overschrijding van de maximale bouwhoogte.

15. Ten aanzien van de overschrijding van de bouwhoogte met 0,63 meter waarvoor het college ontheffing heeft verleend, dient de vraag te worden beantwoord of het college bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen.

De rechtbank stelt daarbij voorop dat het toetsingskader voor de bestuursrechter in dit soort gevallen beperkt is, nu de bevoegdheid om op ondergeschikte delen van het plan ontheffing te verlenen al in het bestemmingplan zelf is opgenomen. Binnen dit beperkte kader wordt de uitkomst van de door het college verrichte belangenafweging, gelet op de beleidsvrijheid die in het bestemmingsplan aan het college is toegekend, terughoudend door de bestuursrechter beoordeeld.

16. De Stichting voert als eerste beroepsgrond aan dat het college ten onrechte de bouwvergunning heeft verleend, nu de in het bouwplan voorziene bouwmogelijkheden wat

betreft schaal, maat en massa niet passen bij de omvang en het, in haar ogen, karakter van de reeds bestaande bebouwing in het aangrenzende deel van het karakteristieke centrum van Rhenen. In relatie tot die omgeving is dus geen afdoende afweging gemaakt, aldus de Stichting. Ter zitting hebben de gemachtigden van de Stichting verklaard dat deze beroepsgrond niet moet worden aangemerkt als een beroep op strijd met de redelijke eisen van welstand, één van de in artikel 44, eerste lid, van de Ww genoemde weigeringsgronden voor de bouwvergunning.

17.1 De rechtbank overweegt als volgt. De Stichting komt met deze beroepsgrond in feite op tegen de bebouwings- en gebruiksmogelijkheden die het bestemmingsplan ‘Binnenstad-Oost I’ biedt. Een bestemmingsplan is het wettelijk instrument waarmee, in dit geval nog langs de in de WRO aangegeven en met bijzondere waarborgen omklede weg, niet alleen aan gronden een bestemming wordt gegeven, maar ook de daarbij behorende bebouwings- en gebruiksmogelijkheden worden bepaald. De aangewezen weg om tegen deze mogelijkheden op te komen, is door de vaststelling en goedkeuring van het betreffende bestemmingsplan in rechte aan te vechten.

17.2 In het procesdossier bevindt zich de uitspraak van 29 september 2010 (met zaaknummer 200905528/1/R2) van de Ab in het beroep dat onder meer door de Stichting was ingesteld tegen het besluit van het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Utrecht van 19 mei 2009, waarin dit college, na eerdere vaststelling door de gemeenteraad, het bestemmingsplan ‘Binnenstad-Oost I’ heeft goedgekeurd. De rechtbank stelt vast dat de Stichting dus op de juiste wijze is opgekomen tegen de door het bestemmingsplan geboden bebouwings- en gebruiksmogelijkheden. Uit de uitspraak van de AbRS blijkt echter dat het beroep van de Stichting ongegrond is verklaard. Ook de overige ingestelde beroepen tegen dit besluit zijn door de AbRS in deze uitspraak ongegrond verklaard. Nu de hoogste bestuursrechter deze beroepen ongegrond heeft verklaard, is het besluit tot goedkeuring van het bestemmingsplan onherroepelijk geworden. Daarmee staan ook de bebouwings- en gebruiksmogelijkheden vast die door het bestemmingsplan worden geboden.

Gelet op het feit dat het bestemmingsplan niet aan de schaal, maat en massa van het bouwplan in de weg staat, dient de gekozen maatvoering van het bouwplan ook door de rechtbank te worden gerespecteerd en kan deze grond daarom niet slagen.

Volledigheidshalve overweegt de rechtbank nog dat, hoewel de Stichting zich niet op strijd met de welstandsaspecten heeft beroepen, er zich in het procesdossier wel een door de commissie Welstand en Monumenten Midden Nederland, op 13 maart 2009, afgegeven positief welstandsadvies bevindt. Van strijd met de redelijke eisen van welstand is dus geen sprake. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de voorziene bebouwingsmogelijkheden dus ook hierom in redelijkheid passend kunnen achten in het omringende stedelijke gebied van Rhenen.

18. De Stichting betoogt verder dat de met het bouwplan voorziene uitbreiding van de detailhandel zal leiden tot leegstand elders in het centrum door zogenaamde ‘verplaatsingseffecten’. De Stichting vreest dat de leefbaarheid van het centrum hierdoor zal worden aangetast. Een groot risico voor leegstand geld eveneens voor de woningen in het plan, nu de Stichting heeft vernomen dat de verkoop van de te realiseren koopwoningen tegenvalt.

19. Deze grond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat zich in het procesdossier een in 2005 door Adviesbureau Kardol voor het bouwplan uitgevoerd distributie-planologisch onderzoek bevindt. Hieruit blijkt dat er voldoende ruimte en behoefte bestaat aan een uitbreiding van het winkeloppervlak en dat voor leegstand niet gevreesd behoeft te worden.

Daarbij komt dat Planoform ter zitting onweersproken heeft gesteld dat het voorverhuurpercentage, respectievelijk voorverkooppercentage voor de te realiseren huur- en koopwoningen 62% bedraagt. Van de te realiseren commerciële ruimten is volgens Planoform ook al 73% verkocht. Daar staat tegenover dat de Stichting haar stelling slechts heeft gebaseerd op vermoedens en geruchten en dat zij verder geen feitelijke onderbouwing van haar stelling heeft gegeven.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan niet tot leegstand zal leiden, noch dat de leefbaarheid van het centrum hierdoor zal worden aangetast.

20. Volgens de Stichting voorziet het bouwplan ook in te weinig parkeerplaatsen. De Stichting heeft berekend dat er na realisatie van het bouwplan een tekort van circa 100 parkeerplaatsen zal ontstaan. Ook deze grond slaagt niet.

Het is de rechtbank niet gebleken dat er ondanks de bouw van een parkeergarage voor ruim 200 parkeerplaatsen door het bouwplan alsnog een tekort van 100 parkeerplaatsen zal ontstaan. Ook hier geldt dat de Stichting geen onderbouwing voor haar stelling heeft gegeven. Dit had wel op haar weg gelegen, temeer daar er een positieve parkeerbalans in de plantoelichting is opgenomen, die de stelling van de Stichting weerspreekt. Hoe de Stichting ondanks deze positieve parkeerbalans tot haar berekening van het gestelde parkeerplaatsentekort is gekomen, is de rechtbank niet gebleken. Uit het procesdossier blijkt dat de Stichting dit punt ook in de bezwaarfase niet had onderbouwd, zodat ook het college, gelet op de positieve parkeerbalans, naar het oordeel van de rechtbank geen grote betekenis aan dit bezwaar van de Stichting behoefde toe te kennen en hij in redelijkheid tot de conclusie kon komen dat het bouwplan niet zal leiden tot een parkeerplaatsentekort.

21. De Stichting is ten slotte van mening dat het bouwplan tot aantasting

van het groene karakter van het plangebied zal leiden, nu door de voorziene ontwikkelingen

veel van de aanwezige (middel)grote en oude bomen zullen verdwijnen. Ook deze grond

slaat niet. Ter zitting is door het college verklaard dat er voor de kap van de bomen op en bij

het perceel kapvergunningen zijn afgegeven en dat de kapwerkzaamheden inmiddels hebben plaatsgevonden. De rechtbank is van oordeel dat met het verdwijnen van de bomen ook het belang bij een oordeel over deze grond is komen te vervallen. Daarbij komt dat de Stichting haar bezwaren over het verdwijnen van de aanwezige bomen eigenlijk tegen de, los van het bouwplan, verleende kapvergunningen had moeten aanvoeren. Het college heeft in dat verband onweersproken gesteld dat de Stichting dit niet heeft gedaan.

22. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het college na afweging van alle in aanmerking komende belangen in redelijkheid de binnenplanse ontheffing uit artikel 11, onder c, van de planregels heeft kunnen verlenen.

Nu gesteld, noch gebleken is dat zich een van de in artikel 44, eerste lid, van de Ww genoemde weigeringsgronden voordoet en de strijdigheid met het bestemmingsplan door de ontheffing is opgeheven, heeft het college vervolgens ook de bouwvergunning moeten verlenen.

23. Ten slotte overweegt de rechtbank nog het volgende. Door het college is, eerst ter zitting, nog aangevoerd dat bij het verlenen van de bouwvergunning abusievelijk niet de ontheffing op grond van artikel 10, derde lid, van de planregels is verleend. Deze ontheffing heft het verbod uit artikel 10, eerste en tweede lid, van de planregels op, waarin is bepaald dat bebouwing op gronden met de bestemming ‘Archeologisch waardevol gebied’, zoals hier ten dele het geval is, niet is toegestaan. Volgens het college kon hij deze ontheffing wel verlenen, nu er op 13 januari 2010 een positief advies van de regionaal archeoloog is gegeven. Het college heeft hier echter mee gewacht, teneinde de rechtbank tijdens de behandeling van dit beroep te kunnen verzoeken een bestuurlijke lus toe te passen. Ter zitting heeft het college dit verzoek ook ingediend.

De rechtbank wijst dit verzoek echter af. Ingevolge artikel 8:69, eerste lid, van de Awb doet de rechtbank uitspraak op de grondslag van het beroepschrift. Vaststaat dat de Stichting dit punt niet als beroepsgrond in haar beroepschrift heeft aangevoerd.

Omdat de rechtbank ook niet ambtshalve aan een bestemmingsplan mag toetsen, zou de rechtbank buiten de grondslag van het beroepschrift treden door alsnog op dit, door het college aangevoerde punt, te oordelen.

Het staat het college uiteraard vrij om, buiten dit beroep om, alsnog de betreffende ontheffing te verlenen, waartegen voor de Stichting desgewenst bezwaar en beroep openstaat.

24. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

in het beroep met nummer SBR 10/3201:

- verklaart het beroep ongegrond,

in het beroep met nummer SBR 10/3202:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M.M. van Amstel, voorzitter, en mr. P.K. Nihot en

mr. B.J. van Ettekoven, leden, in aanwezigheid van mr. J.R.F. Esbir Wildeman, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2011.

griffier rechter/voorzitter