Strafrecht overig
Rechtbank Utrecht · Eerste aanleg - meervoudig · Strafrecht overig
Rechtbank Utrecht, 19 december 2000
ECLI:NL:RBUTR:2000:AA9509 · Rechtbank Utrecht · 19 december 2000
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-utrecht/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbutr-2000-aa9509
Zaakgegevens
Op 19 december 2000 heeft de Rechtbank Utrecht in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank UtrechtRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 19 december 2000
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 10/031470-00
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBUTR:2000:AA9509
Samenvatting
Voor deze uitspraak is nog geen samenvatting beschikbaar.
Uitspraak
Parketnummer van de berechte zaak: 10/031470-00
Datum uitspraak: 19 december 2000
Tegenspraak
VONNIS
van de ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM, meervoudige kamer voor
strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte 1],
geboren te [geboorteplaats] op 21 mei 1969,
wonende te [adres],
ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting gedetineerd in de penitentiaire
inrichting Oosterhoek, Huis van Bewaring Grave te Grave.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting
van 18 december 2000.
TENLASTELEGGING
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende
dagvaarding onder parketnummer 10/031470-00. Van deze dagvaarding is een
kopie in dit vonnis gevoegd (bladzijden genummerd 1A en 1B).
DE EIS VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE
De officier van justitie mr. De Kimpe heeft gerekwireerd, zakelijk weergegeven,
de bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde. Zij vordert primair
aanhouding van de zaak, teneinde verdachte te kunnen laten opnemen in het
Pieter Baan Centrum om te onderzoeken of de maatregel van terbeschikkingstelling
een passende reactie is, en subsidiair de veroordeling van de verdachte tot een
gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met aftrek van de tijd die
verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan vijf maanden voorwaardelijk
met een proeftijd van drie jaren, onder de bijzondere voorwaarde dat verdachte
zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering en wordt opgenomen in een dubbele
diagnosekliniek.
NIET BEWEZEN
Het primair en subsidiair ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend
bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.
MOTIVERING
De rechtbank acht het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen
daar zij van oordeel is dat in het dossier wettige bewijsmiddelen ontbreken
waaruit zou kunnen blijken dat het slachtoffer tengevolge van het handelen
van verdachte letsel, al dan niet aan te merken als zwaar lichamelijk
letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.
Zij overweegt in dit verband dat de zich in het dossier bevindende verklaring
van de hoofdverpleegkundige van de penitentiaire inrichting tot zulk
bewijs niet gebruikt kan worden. Het benaderen en verhoren van bedoelde
verpleegkundige, nadat de behandelend arts eerder op uitdrukkelijk verzoek
van het slachtoffer had geweigerd om over deze medische informatie te
verstrekken, is geschied met de kennelijke bedoeling het beroepsgeheim van
de behandelend arts te omzeilen. Met de raadsman is de rechtbank van mening
dat het maatschappelijk belang dat gediend is met de eerbiediging van dit
beroepsgeheim zo zwaar moet wegen dat schending daarvan tot gevolg heeft
dat het aldus vergaarde bewijs onrechtmatig is verkregen.
Nu er geen andere wettige bewijsmiddelen zijn waaruit het tenlastegelegde
letsel en/of de tenlastegelegde pijn kan blijken, dient de verdachte te
worden vrijgesproken.
BESLISSING
De rechtbank:
- verklaart niet bewezen, dat de verdachte het primair of subsidiair ten
laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang
van heden en beveelt de onmiddellijke invrijheidstelling.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. Den Os-Brand, voorzitter,
en mrs. Hofmeijer-Rutten en Van Breevoort-de Bruin, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Graumans, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op
19 december 2000.