Bestuursprocesrecht
Toewijzen verzoek om voorlopige voorziening in een Woo-zaak op grond van belangenafweging.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 10 februari 2025
ECLI:NL:RBZWB:2025:661 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 10 februari 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/bestuursrecht/bestuursprocesrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbzwb-2025-661
Zaakgegevens
Op 10 februari 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 10 februari 2025
- Datum publicatie
- 10 februari 2025
- Zaaknummer
- BRE 24/8033, 24/8262 en 24/8287
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2025:661
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Toewijzen verzoek om voorlopige voorziening in een Woo-zaak op grond van belangenafweging.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 24/8033, 24/8262 en 24/8287
uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 februari 2025 in de zaken tussen
[verzoeker 1] in zaaknummer 24/8033,
[verzoeker 2] in zaaknummer 24/8262,
(gemachtigde: mr. P.J. Hoogendam)
[verzoeker 3] in zaaknummer 24/8287,
tezamen: verzoekers,
en
de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigde: mr. S. van der Waal).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op de drie verzoeken om voorlopige voorziening van verzoekers tegen het besluit van 26 november 2024 (kenmerk 24-0607) waarin de minister een deel van de informatie, waar [naam] (hierna: Woo-verzoeker) in een verzoek op basis van de Wet open overheid (Woo) om heeft gevraagd, openbaar te maken. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en ieder voor zich een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
Omdat de verzoeken kennelijk gegrond zijn doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom de verzoeken kennelijk gegrond zijn.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Het gaat hier om het openbaar maken van gegevens in het kader van de Woo. De voorzieningenprocedure leent zich, zeker in de bezwaarfase, niet goed voor een inhoudelijke beoordeling, die in deze fase in eerste instantie bij de minister ligt. De voorzieningenrechter zal dit verzoek daarom vooral moeten beoordelen aan de hand van een belangenafweging.
Verzoekers vrezen in hun belang geschonden te worden, onder andere met het oog op hun privacy en veiligheid. De Woo-verzoeker heeft zich niet als derde partij in deze drie voorlopige voorzieningprocedures gemeld. Hij heeft aangegeven niet bij de zitting aanwezig te willen zijn en heeft ondanks een daartoe strekkend verzoek niet aangegeven welk belang hij heeft bij het op korte termijn openbaar maken van de door hem gevraagde documenten. Nu het openbaar maken van de documenten onomkeerbaar is en een verdere procedure zinloos zal maken, zijn de belangen bij het uitstellen van de openbaarmaking tot na voltooiing van de bezwaarprocedure groot. Nu met name de Woo-verzoeker belang zou kunnen hebben bij het op korte termijn openbaar maken van de gevraagde documenten, maar hij dit belang niet heeft toegelicht, kan de voorzieningenrechter zijn belang niet meewegen in haar beslissing. Het belang van verzoekers weegt daarom op dit moment zwaarder.
Om diezelfde reden heeft de voorzieningenrechter besloten om met toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht de namen van verzoekers niet te vermelden in de kop van de uitspraak.
Conclusie en gevolgen
3. De verzoeken zijn kennelijk gegrond. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken daarom toe en zal het besluit van 26 november 2024 schorsen. Dit betekent dat de openbaarmaking van de documenten is opgeschort tot 6 weken na de beslissing op bezwaar.
De minister moet de betaalde griffierechten van € 187,- aan [verzoeker 1] en van € 371,- aan [verzoeker 2] en [verzoeker 3] vergoeden. Verzoekers hebben niet verzocht om een vergoeding van proceskosten in verband met het verzoek om voorlopige voorziening. Voor een proceskostenveroordeling bestaat daarom geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter
-
wijst de verzoeken om voorlopige voorziening toe;
-
schorst het besluit van 26 november 2024 tot 6 weken na de beslissing op bezwaar;
-
bepaalt dat de minister het betaalde griffierecht moet vergoeden ter hoogte van € 187,- aan [verzoeker 1] en ter hoogte van € 371,- aan [verzoeker 2] en [verzoeker 3].
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Hertsig, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel griffier op 10 februari 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: