Bestuursprocesrecht

Afgewezen. Geen spoedeisend belang meer nu DUO heeft toegezegd invordering op te schorten zolang procedure loopt.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 6 maart 2026

Zaakgegevens

Op 6 maart 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
6 maart 2026
Datum publicatie
13 maart 2026
Zaaknummer
26/759 VV
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:1769
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Afgewezen. Geen spoedeisend belang meer nu DUO heeft toegezegd invordering op te schorten zolang procedure loopt.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 26/759


uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 maart 2026 in de zaak tussen


[verzoekster], uit [plaats], verzoekster


en

Dienst Toeslagen, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster inzake een herzieningsverzoek met betrekking tot het recht op kindgebonden budget over 2024.

1.1.

De Dienst Toeslagen heeft een bedrag aan kindgebonden budget over 2024 van verzoekster teruggevorderd. Op 10 maart 2025 heeft verzoekster de Dienst Toeslagen gevraagd om de berekening van haar kindgebonden budget over 2024 te herzien. Met het besluit van 19 maart 2025 heeft Dienst Toeslagen dit verzoek afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met de beslissing op bezwaar van 12 juni 2025 heeft de Dienst Toeslagen dit bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft verzoekster beroep ingesteld. Tevens heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

1.2.

Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.

2.1.

Verzoekster heeft in haar verzoekschrift aangegeven geconfronteerd te worden met invorderingsmaatregelen. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om te bepalen dat alle invorderingsmaatregelen, waaronder dwangbevelen, verhogingen en executiemaatregelen met betrekking tot het kindgebonden budget over de jaren 2023 en 2024 worden geschorst.

2.2.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de Dienst Toeslagen op 11 februari 2026 heeft gemeld dat ten onrechte geen uitstel van betaling is verleend tegen de terugvorderingen kindgebonden budget 2023 en 2024 en dat alsnog uitstel van betaling wordt verleend. Dit uitstel geldt voor de duur van de beroepsfase en een eventueel hoger beroep. De kosten van aanmaningen en dwangbevelen zijn vervallen en invorderingsmaatregelen zullen zo nodig pas worden hervat na afloop van het (hoger) beroep.

2.3.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster gelet op de mededeling van de Dienst Toeslagen geen spoedeisend belang meer heeft bij de door haar gevraagde voorziening.

Conclusie en gevolgen

2. Het verzoek om voorlopige voorziening is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst dit verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 6 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.