Bestuursprocesrecht
vovo, afwijzing, geen spoed
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 13 mei 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:4062 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 13 mei 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/bestuursrecht/bestuursprocesrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbzwb-2026-4062
Zaakgegevens
Op 13 mei 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 13 mei 2026
- Datum publicatie
- 13 mei 2026
- Zaaknummer
- BRE 26/2429
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:4062
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
vovo, afwijzing, geen spoed
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/2429
uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 mei 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Inleiding
-
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster.
-
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Daarom speelt bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening de spoedeisendheid een belangrijke rol.
5. De griffier heeft aan verzoekster gevraagd om het spoedeisend belang nader toe te lichten. Verzoekster heeft op 6 mei 2026 een schriftelijke onderbouwing gegeven waarom zij van mening is dat er sprake is van spoed. Zij heeft gesteld dat zij op dit moment niet beschikt over een (standaard/vast) inkomen. Ze heeft spaargeld en daarom ook geen recht op een bijstandsuitkering. Door haar vaste lasten neemt haar spaargeld snel af, waardoor zij binnen afzienbare tijd naar verwachting wel in aanmerking zal komen voor bijstand.
6. Uit de door verzoekster gegeven toelichting blijkt dat zij ruim € 10.000 spaargeld heeft. Verder blijkt uit haar toelichting dat haar vaste lasten per maand € 818,01 bedragen. Daar komen dan nog kosten voor haar paard en hond bij (elke 8 weken € 60,--). Gelet hierop kan verzoekster met haar spaargeld een periode van ruim 10 maanden overbruggen. Dat betekent dat er op dit moment geen sprake is van een spoedeisend belang. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.J.M. van Hees, griffier, op 13 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: