Bestuursprocesrecht

Voorlopige voorziening, niet ontvankelijk, geen connexiteit.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 28 mei 2026

Zaakgegevens

Op 28 mei 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
28 mei 2026
Datum publicatie
28 mei 2026
Zaaknummer
BRE 26/2778
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:4690
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Voorlopige voorziening, niet ontvankelijk, geen connexiteit.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 26/2778


uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 mei 2026 in de zaak van


[verzoeker], uit [plaats], verzoeker.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker.

1.1

Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wanneer kan de bestuursrechter een inhoudelijk oordeel geven over een verzoek?

2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen inzake een bestreden besluit indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3. Gelet op dit artikel moet er sprake zijn van een besluit en een bezwaar of beroep tegen dat besluit voordat een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening inhoudelijk kan worden behandeld. Dit is het zogenaamde connexiteitsvereiste. Ook als er sprake is van een ingediend verzetschrift tegen een uitspraak van de rechtbank is er, zolang de verzetprocedure duurt, sprake van connexiteit.

Is voldaan aan het connexiteitsvereiste?

4. Op 4 november 2025 heeft deze rechtbank uitspraak gedaan op het beroep van eiser (kenmerk BRE25/3860). Onder de uitspraak is vermeld dat als verzoeker het niet eens is met de uitspraak hij een verzetschrift kan indienen bij de rechtbank. Verzoeker heeft echter op 7 november 2025 bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak. De Afdeling heeft dit beroepschrift pas op 22 april 2026 ter verdere behandeling doorgestuurd aan deze rechtbank. De rechtbank heeft het hoger beroepschrift vervolgens aangemerkt als verzetschrift.

5. Op 27 mei 2026 heeft deze rechtbank uitspraak op het verzet gedaan en is het verzet ongegrond verklaard (kenmerk BRE 25/3860). Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Dit betekent dat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet (meer) connex is aan de verzetprocedure en er dus niet is voldaan aan het connexiteitsvereiste. Het verzoek zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk zal behandelen.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.J.M. van Hees, griffier, op 28 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.