Bestuursprocesrecht
Wht vovo hangende bezwaar. Geen materiële connexiteit bij verzoek om gehoord te worden door de BAC
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 4 augustus 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:7211 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 4 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/bestuursrecht/bestuursprocesrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbzwb-2026-7211
Zaakgegevens
Op 4 augustus 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 4 augustus 2026
- Datum publicatie
- 4 augustus 2026
- Zaaknummer
- BRE 26/4174
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7211
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Wht vovo hangende bezwaar. Geen materiële connexiteit bij verzoek om gehoord te worden door de BAC
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/4174
uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 augustus 2026 in de zaak tussen
[verzoekster], uit [plaats], verzoekster
(gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak),
en
de Dienst Toeslagen.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen inzake een bestreden besluit indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Gelet op dit artikel moet een verzoek om voorlopige voorziening voldoen aan de vereisten van formele en materiële connexiteit. De formele connexiteit houdt in dat er sprake moet zijn van een besluit en dat tegen dat besluit ook bezwaar of beroep is ingesteld. De materiële connexiteit houdt in dat wat iemand met een verzoek wil bereiken ook betrekking moet hebben op de inhoud van het bestreden besluit.
Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Dienst Toeslagen van 2 oktober 2024. Met dit besluit is geweigerd een vergoeding toe te kennen op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Omdat er sprake is van een besluit en een bezwaar tegen dat besluit, is voldaan aan de eis van formele connexiteit.
Verzoekster heeft de voorzieningenrechter gevraagd om te bepalen dat zij in de bezwaarprocedure gehoord moet worden door de Bezwaar Advies Commissie (BAC). De Dienst Toeslagen heeft namelijk aan verzoekster meegedeeld dat geen advies zal worden gevraagd aan de BAC. Verzoekster is van mening dat daarmee haar het recht wordt ontnomen op advisering van haar bezwaar door een onafhankelijke adviescommissie. Dit gebrek is volgens verzoekster niet of slechts zeer moeilijk te herstellen. Een latere vernietiging van de beslissing op bezwaar biedt onvoldoende compensatie.
Met de brief van 28 juli 2026 heeft de griffier aan verzoekster gevraagd om toe te lichten in hoeverre haar verzoek volgens haar voldoet aan de eis van materiële connexiteit. Verzoekster heeft op 31 juli 2026 gereageerd op dit verzoek
Verzoekster heeft zich, zakelijk weergegeven, op het standpunt gesteld dat haar verzoek ziet op het op rechtmatige wijze tot stand komen van de beslissing op bezwaar. Met haar verzoek wil ze voorkomen dat de Dienst Toeslagen een beslissing op bezwaar neemt in strijd met de procedurele waarborgen die de instellingsregeling BAC aan de bezwaarprocedure verbindt. Zij heeft daarbij toegelicht dat het geschil (wel of niet horen door de BAC) rechtstreeks raakt aan de beslissing op bezwaar. Omdat het verzoek feitelijk is gericht op het voorkomen van een onbevoegd genomen beslissing op bezwaar, raakt dit volgens verzoekster ook het bestreden besluit. Hiermee is er volgens verzoekster een onlosmakelijk verband met het bestreden besluit gegeven en daarmee is er sprake van materiële connexiteit.
De voorzieningenrechter kan verzoekster volgen in haar stelling dat de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de hoorplicht, in relatie staat tot de nog te nemen beslissing op bezwaar en dus ook betrekking heeft op de inhoud van die beslissing. Daarmee is echter niet gegeven dat er ook sprake is van materiële connexiteit met het door verzoekster bestreden besluit. Het bestreden besluit gaat immers over het weigeren een vergoeding toe te kennen en niet over de heroverweging in bezwaar van die weigering. Het al dan niet horen door de BAC in de bezwaarprocedure raakt ook niet aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit, maar kan, zoals verzoekster zelf ook stelt, wel betrokken worden bij de vraag of er een gebrek kleeft aan de beslissing op bezwaar. Die beslissing op bezwaar is echter nog niet genomen en de vraag of verzoekster wel of niet gehoord moet worden door de BAC heeft geen betrekking op de inhoud van het bestreden besluit. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat de voorziening waarom verzoekster vraagt buiten de omvang en de strekking van het bestreden besluit valt.
Daarbij merkt de voorzieningenrechter nog op dat de manier waarop de bezwaarprocedure wordt ingericht, waaronder ook de vraag op welke wijze wordt gehoord, (proces)beslissingen van de Dienst Toeslagen betreft, die niet voor afzonderlijk bezwaar of beroep vatbaar zijn. De manier waarop invulling is gegeven aan de hoorplicht kan pas aan de orde komen in een eventuele beroepsprocedure tegen de nog te nemen beslissing op bezwaar. In het kader van die beroepsprocedure zal daarover dan een oordeel kunnen worden gegeven.
Omdat verzoekster met haar verzoek wil bereiken dat een voorlopige voorziening wordt getroffen voor een (toekomstige) gebeurtenis na het bestreden besluit die geen betrekking heeft op dat bestreden besluit zelf is er geen sprake van materiële connexiteit. Het verzoek wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat het verzoek niet inhoudelijk wordt beoordeeld.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier op 4 augustus 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: