Bestuursrecht overig

Voornemen. Kennelijk onbevoegd.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 27 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 27 oktober 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
27 oktober 2026
Datum publicatie
27 oktober 2026
Zaaknummer
BRE 26/5465 BRP VV
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:10416
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Voornemen. Kennelijk onbevoegd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 26/5465


uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 oktober 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats], verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (college).

Inleiding

1.1.

In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het voornemen tot opname van gegevens over zijn vertrek in de Basisregistratie Personen (BRP).

1.2.

Omdat de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is om op het verzoek te beslissen, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom hij kennelijk onbevoegd is.

1.3.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

Overwegingen

2. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter bij brief van 17 september 2026 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen om te voorkomen dat hij zijn inschrijfadres in de BRP verliest en dakloos wordt na zijn detentie. Bij zijn verzoek heeft verzoeker een kopie overgelegd van de brief van 9 september 2026 van het college. In die brief meldt het college voornemens te zijn gegevens over verzoekers vertrek op te nemen in de BRP.

3. De voorzieningenrechter stelt vast dat geen sprake is van een besluit. Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Met het begrip rechtshandeling wordt bedoeld een handeling gericht op rechtsgevolg.

4. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ziet op een voornemen tot uitschrijving uit de BRP. De voorzieningenrechter overweegt dat een dergelijk voornemen niet gericht is op rechtsgevolg. Verzoeker wordt namelijk nog niet uitgeschreven uit de BRP. Er wordt alleen kenbaar gemaakt dat het college voornemens is om dat te doen. Daarom wordt een voornemen niet aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Dit betekent dat er ook geen voorlopige voorziening kan worden aangevraagd. Dat kan pas als er een besluit wordt genomen waarbij verzoeker daadwerkelijk wordt uitgeschreven uit de BRP en hij daartegen bezwaar maakt.

5. De voorzieningenrechter is daarom kennelijk niet bevoegd om te beslissen op het verzoek om een voorlopige voorziening. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Omdat er nog geen griffierecht is betaald, is er ook geen aanleiding te bepalen dat dat wordt terugbetaald

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek om voorlopige voorziening.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 27 oktober 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.