Verbintenissenrecht
ondertekening conceptovereenkomsten met betrekking tot beheer panden die in gezamenlijk eigendom zijn
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 29 april 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:6395 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 29 april 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/civiel-recht/verbintenissenrecht/kort-geding/ecli-nl-rbzwb-2026-6395
Zaakgegevens
Op 29 april 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 29 april 2026
- Datum publicatie
- 14 juli 2026
- Zaaknummer
- C/02/445535 / KG ZA 26-102
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- Kort gedingKort gedingEen snelle procedure bij de voorzieningenrechter voor spoedeisende zaken, met een voorlopig oordeel.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. T.G.G. Raijmakers.
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:6395
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
ondertekening conceptovereenkomsten met betrekking tot beheer panden die in gezamenlijk eigendom zijn
Uitspraak
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/445535 / KG ZA 26-102
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding van 29 april 2026
in de zaak van
1 [eiser 1] ,
te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen [eiser 1] ,
2. [eiseres 2],
te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen [eiseres 2] ,
3. [eiser 3],
te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen [eiser 3] ,
eisers,
gezamenlijk te noemen: [eisers] ,
advocaten: mr. T.M. Schraven en mr. P. van Kuijk,
tegen
[verweerder] ,
te [woonplaats 3] ,
verweerder,
hierna te noemen: [verweerder] ,
advocaat: mr. T.G.G. Raijmakers.
Het kort geding wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Breda.
De zaak wordt behandeld door mr. Van der Weide, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. Van de Kar als griffier.
Aanwezig zijn:
- [eiser 1] , [eiseres 2] en [eiser 3] , bijgestaan door mr. Van Kuijk,
- [verweerder] , bijgestaan door mr. Raijmakers.
Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de voorzieningenrechter op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de als conclusie van eis overgelegde conceptdagvaarding met producties 1 t/m 20,
- de akten overlegging productie 21 en 23,
- de akte wijziging eis,
- de brief van mr. van Kuijk van 23 april 2026 met 2 bijlagen,
- de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 45,
- de mondelinge behandeling van 29 april 2026,
- de pleitnota van [eisers]
De voorzieningenrechter heeft de akte overlegging productie 22 buiten beschouwing gelaten en bepaald dat deze productie niet tot het procesdossier behoort, nadat [verweerder] tegen het overleggen van deze productie bezwaar heeft gemaakt en dit bezwaar tegen het late tijdstip waarop dit zeer omvangrijke document is overgelegd, gehonoreerd is. De wijziging van eis is toegelaten.
2 Waar gaat de zaak over?
Partijen hebben vanaf 2014 een groot aantal onroerende zaken in [woonplaats 3] aangekocht. De meeste van deze onroerende zaken behoren in gemeenschap toe aan [eiser 3] en [verweerder] (de [panden 1]), enkele onroerende zaken behoren in gemeenschap toe aan [eiser 1] , [eiseres 2] , [eiser 3] en [verweerder] (de [panden 2]). In de leveringsakten van de panden is een beheerregeling opgenomen, inhoudende dat [verweerder] is aangewezen als de beheerder met betrekking tot de administratie van het verkochte. Tussen partijen is een geschil ontstaan over het door [verweerder] gevoerde beheer. [eisers] verwijten [verweerder] dat hij in de nakoming van de beheerregeling jegens hen is tekortgeschoten en/of onrechtmatig en/of frauduleus heeft gehandeld. Ook verwijten zij [verweerder] dat hij geen, althans onvoldoende, rekening en verantwoording heeft afgelegd. Het geschil heeft geleid tot een procedure bij de kantonrechter. Deze heeft een drietal beschikkingen gewezen. Bij beschikking van 12 juni 2025 heeft de kantonrechter [bedrijf] aangesteld om [verweerder] tijdelijk -voor de duur van het geding- te vervangen wat betreft het beheer van de administratie en alle andere (beheer)taken die [verweerder] heeft en uitvoert in het kader van de beheerregeling tussen partijen. [verweerder] is van die beschikkingen in hoger beroep gekomen. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep op 29 oktober 2025 zijn partijen een minnelijke regeling overeengekomen die in een proces-verbaal is vastgelegd. Daarin zijn zij onder meer overeengekomen dat het volledige beheer over de [panden 1] en [panden 2] zal worden overgedragen aan [bedrijf] per 1 februari 2026.
Daarnaast is in het proces-verbaal opgenomen dat partijen ernaar streven te komen tot ontvlechting per 1 juli 2026 en dat eisers in dit kort geding hun rechten voorbehouden ten aanzien van de beheerovereenkomsten.
Door [bedrijf] zijn een aantal concept beheerovereenkomsten opgesteld die verschillende keren zijn aangepast nadat partijen op bepaalde punten wijzigingen hebben voorgesteld. Op 3 februari 2026 heeft [bedrijf] de laatste concept overeenkomsten aan partijen toegestuurd, waarbij hij naar aanleiding van de emails van de advocaten van partijen heeft aangegeven dat hij als onpartijdig beheerder geen speelbal wenst te worden en of onderdeel wil uitmaken van verdere verschillende juridische discussies tussen partijen onderling. [eisers] hebben bij email van hun advocaat van 4 februari 2026 aan [bedrijf] bericht dat zij akkoord gaan met de concept overeenkomsten, waarbij zij met betrekking tot artikel 1.2. (het selecteren en aanstellen van huurders) hebben opgemerkt dat zij zich steeds op het standpunt hebben gesteld dat zij de panden niet opnieuw verhuurd willen zien in verband met de aanstaande ontvlechting. [verweerder] is niet akkoord met de conceptovereenkomsten omdat hij vreest dat de formulering van artikelen 1.2. en 2.1. (huurbeheer) in de conceptovereenkomsten gelet op voormelde opmerking van [eisers] zal leiden tot leegstand. Hij heeft [bedrijf] verzocht de overeenkomsten op dit punt aan te passen. [bedrijf] heeft te kennen gegeven daartoe niet meer bereid te zijn zonder dat daarover consensus bestaat.
[eisers] hebben daarnaast aan [verweerder] verzocht om medewerking te verlenen aan het openen van nieuwe bankrekeningen ten behoeve van de panden, met machtiging van [bedrijf] [verweerder] heeft daar niet aan meegewerkt omdat hij dit niet nodig vindt.
Ten slotte hebben [eisers] [verweerder] verzocht de originele Triodos-bankafschriften met betrekking tot de bankrekeningen van de [panden 1] en [panden 2] over te leggen [verweerder] heeft aangegeven dat hij alles wat hij in zijn bezit heeft al aan [eisers] heeft overgelegd en dat hij bij Triodos heeft geprobeerd bankafschriften op te vragen maar dat dit niet is gelukt.
[eisers] vorderen in dit kort geding, kort samengevat, [verweerder] te bevelen om de conceptovereenkomsten die door hen zijn overgelegd als producties 10A en 10B, te ondertekenen op straffe van een dwangsom, en te bepalen dat als hij daar niet aan voldoet, dit vonnis in de plaats zal treden van een in wettige vorm opgemaakte akte waarbij partijen gezamenlijk opdracht geven aan [bedrijf] om het beheer over de panden te voeren en [eiser 3] een volmacht te verlenen om de kopie(ë)n, originele bankafschriften en/of transactieoverzichten van de Triodos-bankrekeningen ten behoeve van de panden op te vragen. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen toegewezen.
3 De beoordeling
Partijen zijn tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep overeengekomen dat het volledige beheer over de [panden 1] en [panden 2] per 1 februari 2026 aan [bedrijf] zal worden overgedragen. Ook zijn zij overeengekomen dat zij ernaar streven te komen tot ontvlechting van de tussen hen respectief bestaande gemeenschappen van onroerende zaken per 1 juli 2026. Daarbij is in het midden gebleven hoe die ontvlechting zal moeten plaatsvinden, dit zal in de toekomst nader moeten worden uitgewerkt. Eveneens is het afleggen van rekening en verantwoording door [verweerder] over het in het verleden door hem gevoerde beheer over de panden doorgeschoven naar de toekomst.
De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen alleen afspraken zijn gemaakt over beheer over de panden, waaronder de verhuur van de panden valt. Het beheer van de panden moet worden onderscheiden van het beschikken daarover, waartoe verkoop behoort. Beide partijen hebben aangegeven te willen ontvlechten maar ter zitting is gebleken dat over de wijze waarop, nog geen (begin van) overeenstemming bestaat. Handelingen die daarop zien zijn beschikkingshandelingen en geen handelingen die onder het beheer vallen. Nu partijen niet anders zijn overeengekomen, betekent dit dat het beheer over de panden moet plaatsvinden op de wijze waarop dit in het verleden gebeurde, dus door verhuur van de panden. Afwijzing van kandidaat-huurders door één van partijen zonder instemming van de ander - vanwege de wens om tot verkoop vrij van huur te kunnen komen – zou immers als het ware een voorschot nemen op de ontvlechting en daarmee een inbreuk opleveren op de verplichting die partijen zijn het beheer op te dragen aan een derde, te weten [bedrijf] .
In de concept beheerovereenkomsten is bepaald dat [bedrijf] zorgt voor het vinden en selecteren van huurders en dat [panden 1]/[panden 2] voorafgaande schriftelijke goedkeuring dient te geven op de door [bedrijf] geselecteerde huurder(s). Aan [bedrijf] mag toevertrouwd worden dat de huurder gescreend wordt op geschiktheid. Dit betekent dat het instemmingsrecht ten aanzien van de door [bedrijf] gepresenteerde huurder(s) door [panden 1] en [panden 2] alleen gebruikt mag worden als het gaat om de gegoedheid van de huurder. Het moet gaan om een serieuze aarzeling ten aanzien van de gegoedheid van de voorgestelde huurder op gronden die [bedrijf] zelf niet heeft kunnen bedenken. Een afwijzing van een huurder zal goed gemotiveerd moeten worden en een huurder mag niet geweigerd worden ten behoeve van de leegstand van een pand.
Anders dan [verweerder] ziet de voorzieningenrechter geen aanwijzingen dat [bedrijf] niet onpartijdig zou zijn en dat dit reden zou zijn om de vorderingen af te wijzen. Weliswaar heeft [bedrijf] nagelaten om bepaalde correspondentie aan de advocaat van [eisers] in CC naar (de advocaat van) [verweerder] te sturen, maar de voorzieningenrechter hecht hieraan geen grote betekenis toe. [bedrijf] heeft duidelijk aangegeven met open vizier naar partijen te willen communiceren en heeft hij duidelijk gemaakt dat hij niet betrokken wil worden in de juridische discussie tussen partijen. Daarmee heeft hij voldoende afstand genomen van de partijstandpunten en de discussie die tussen hen gevoerd wordt.
[eisers] willen dat [verweerder] meewerkt aan het openen van twee nieuwe gezamenlijke bankrekeningen voor de gezamenlijke middelen (een voor 3 CS op naam van [eiser 1] en [verweerder] en een voor [panden 1] op naam van [eiser 3] en [verweerder] ), tot welke bankrekeningen [bedrijf] gemachtigd wordt. [verweerder] heeft te kennen gegeven dat hij zich daar niet echt tegen verzet maar dat dit naar zijn mening -gelet op de voorgenomen datum van ontvlechting (1 juli 2026)- onnodig is. De voorzieningenrechter is van oordeel dat nu [bedrijf] het beheer voert over de panden het in de rede ligt dat hij ook gevolmachtigd wordt tot de bankrekeningen. Dat ten behoeve van het beheer nieuwe bankrekeningen worden geopend acht de voorzieningenrechter gelet op het ontstane wantrouwen tussen partijen niet onredelijk.
Ten slotte oordeelt de voorzieningenrechter dat nu partijen de panden in gezamenlijk eigendom hebben iedere deelgenoot gerechtigd is tot informatie met betrekking tot die panden. Door [verweerder] is ook geen verweer gevoerd tegen de vordering tot het verstrekken van de informatie, anders dan dat hij de informatie al heeft verstrekt of dat het hem niet is gelukt de informatie te verkrijgen bij Triodos. Nu [eisers] betwisten dat de aan hun verstrekte informatie bruikbaar is en zij voorts stellen dat door [verweerder] niet de juiste weg is bewandeld om de informatie van Triodosbank te verkrijgen, zal aan [eiser 3] de volmacht worden verleend om zelf bij Triodos bank de bankafschriften /transactieoverzichten op te vragen.
Dit alles leidt tot de slotsom dat de vorderingen 1, 2 en 4 worden toegewezen als na te melden. Aan [verweerder] zal een termijn worden gegund van 5 werkdagen na betekening van dit proces verbaal om de conceptovereenkomsten te ondertekenen. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd tot € 500,00 per dag met een maximum van € 50.000,00. Anders dan [verweerder] meent ziet de voorzieningenrechter voldoende aanleiding voor een prikkel tot nakoming.
[verweerder] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
- griffierecht € 341,00
- salaris advocaat € 1.177,00
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals
vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.707,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4 De beslissing
De voorzieningenrechter
beveelt [verweerder] om binnen vijf werkdagen na betekening van dit proces-verbaal van de mondelinge uitspraak de conceptovereenkomsten van [bedrijf] van 3 februari 2026 (producties 10A en10 B van [eisers] ) te ondertekenen, en bepaalt dat hij een dwangsom verbeurt van € 500,00 per dag of dagdeel dat hij daar niet aan voldoet, met een maximum van € 50.000,00,
bepaalt dat indien [verweerder] niet voldoet aan het hiervoor onder 4.1. gegeven bevel, dit vonnis in de plaats zal treden van een in wettige vorm opgemaakte akte waarbij partijen gezamenlijk opdracht geven aan [bedrijf] om het beheer over de panden te voeren, conform de overeenkomsten van [bedrijf] van 3 februari 2026,
verleent aan [eiser 3] een volmacht die inhoudt dat hij gerechtigd is op te vragen de (kopieën van) originele bankafschriften en/of transactieoverzichten van de bankrekeningen die [verweerder] aanhield bij Triodosbank ten behoeven van de panden,
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 1.707,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [verweerder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [verweerder] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. Van der Weide en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de voorzieningenrechter.