Verbintenissenrecht
Stichting komt terug op afspraak om kinderen te plaatsen op een van haar scholen wegens gedrag moeder
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 15 juli 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:7234 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 15 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/civiel-recht/verbintenissenrecht/kort-geding/ecli-nl-rbzwb-2026-7234
Zaakgegevens
Op 15 juli 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 15 juli 2026
- Datum publicatie
- 5 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/02/449378 / KG ZA 26-328 (E)
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- Kort gedingKort gedingEen snelle procedure bij de voorzieningenrechter voor spoedeisende zaken, met een voorlopig oordeel.Meer uitleg
- Advocaat
- voorheen mr. R Aboukir, mr. S. Prekpalaj
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7234
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Stichting komt terug op afspraak om kinderen te plaatsen op een van haar scholen wegens gedrag moeder
Uitspraak
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/449378 / KG ZA 26-328
Vonnis in kort geding van 15 juli 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: voorheen mr. R. Aboukir , thans mr. S. Ilkdogan,
tegen
STICHTING ISLAMITISCH PRIMAIR ONDERWIJS,
te Breda ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: SIPO ,
advocaat: mr. S. Prekpalaj.
1 De zaak in het kort
Onder de stichting valt een aantal Islamitische basisscholen. De stichting komt terug op de door haar gemaakte afspraak om twee kinderen terug te plaatsen op een van haar vestigingen, omdat met name door het gedrag van de moeder sprake is van een ernstig verstoorde relatie waardoor een vruchtbare samenwerking niet meer mogelijk is. De vorderingen van de moeder tot nakoming van de gemaakte afspraak wordt afgewezen. Die beslissing wordt hierna toegelicht.
2 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
– de dagvaarding met drie producties,
– de producties 1 t/m 16 van SIPO ,
– de mondelinge behandeling van 1 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen
zijn gemaakt,
– de pleitnota van [eiser] ,
– de pleitnota van SIPO .
3 De feiten
[eiser] is de moeder van de minderjarige kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
SIPO is een stichting die zich bezig houdt met het oprichten en instandhouden van een of meer Islamitische scholen voor het primair onderwijs. Zij heeft in [plaats] twee vestigingen: [basisschool 1] en [basisschool 2] .
Tot september 2025 zaten [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op [basisschool 1] .
In de loop van 2024 is er een conflict ontstaan tussen de (voormalige) schoolleiding van [basisschool 1] en [eiser] en haar ex-man, [persoon] . [eiser] en [persoon] hebben de school beticht van fraude doordat de leerkracht van groep 7 leerlingen zou hebben geholpen met het invullen van de CITO-toets. Ook hebben zij vermoedens geuit dat het onderwijs ondermaats is, dat de leraren niet bevoegd of bekwaam zijn, dat lessen feitelijk niet gegeven worden en dat niet meer kan worden uitgegaan van de juistheid van schooladviezen of toetsresultaten. Zij hebben de (voormalig) directeur in overweging gegeven om op te stappen omdat sinds zijn komst weinig goeds gehoord wordt.
De (voormalig) directeur heeft naar aanleiding van de beschuldigingen van fraude een onderzoek ingesteld en hij is tot de conclusie gekomen dat de beweringen ongefundeerd zijn. De Inspectie voor het Onderwijs heeft naar aanleiding van een melding door een van de ouders geconcludeerd dat er geen redenen zijn voor nader onderzoek.
In de periode daarna hebben SIPO meerdere signalen bereikt dat [eiser] zich negatief over de school blijft uitlaten.
[eiser] heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in verband met de vermeende fraude en de verstoorde verhouding met de (voormalige) directeur van [basisschool 1] ingeschreven bij [basisschool 2] . De kinderen hebben daar met ingang van het schooljaar 2025/2026 onderwijs gevolgd.
[eiser] en [persoon] hebben in de loop van oktober 2025 SIPO verzocht [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weer (terug) te plaatsen op [basisschool 1] , omdat de kinderen volgens hen niet konden wennen op [basisschool 2] . Bij besluit van 13 november 2025 heeft SIPO het verzoek afgewezen omdat er op dat moment geen ruimte was in de groepen 3 en 4 om hen te plaatsen en omdat er sprake is van een ernstig verstoorde relatie tussen de ouders en de school waardoor een vruchtbare samenwerking tussen de ouders en de school niet meer mogelijk is. In december 2025 hebben [eiser] en [persoon] ieder afzonderlijk tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Het bezwaar is bij beslissing van 7 januari 2026 ongegrond verklaard.
Op 25 februari 2026 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de bestuurder van SIPO en de ouders. Zij hebben daarin afgesproken dat de kinderen met ingang van het nieuwe schooljaar (per 23 augustus 2026) weer geplaatst kunnen worden op [basisschool 1] . Deze afspraak is bevestigd in e-mails van [eiser] van 5 en 31 maart 2026, in een e-mail van [persoon] van 17 maart 2026 en in een e-mail van de bestuurder van SIPO van 18 maart 2026.
In juni 2026 heeft een leerkracht van [basisschool 2] tegen [eiser] aangifte gedaan van smaad en laster door [eiser] .
Op 12 juni 2026 heeft SIPO aan [eiser] bericht dat zij is doorgegaan met het zwartmaken van de betrokken leerkracht en de school, dat [eiser] al van plan was om de kinderen uit te schrijven bij [basisschool 2] en dat SIPO geen inschrijving van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zal accepteren op een van de andere SIPO -scholen.
4 Het geschil
[eiser] vordert als voorlopige voorziening – samengevat – om SIPO te veroordelen tot nakoming van de gemaakte afspraak om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 23 augustus 2026 te plaatsen in de hen betreffende groep op [basisschool 1] , onder verbeurte van een dwangsom.
SIPO heeft daartegen verweer gevoerd.
5 De beoordeling
algemeen kader
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
spoedeisend belang
De vordering is gericht op terugplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op [basisschool 1] met ingang van het nieuwe schooljaar. Gelet op deze termijn kan een bodemprocedure niet worden afgewacht. De vordering is dus spoedeisend. Overigens heeft SIPO de spoedeisendheid niet betwist.
terugplaatsing [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
[eiser] stelt dat partijen de afspraak hebben gemaakt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] per
23 augustus 2026 worden teruggeplaatst op de basisschool [basisschool 1] en dat SIPO die afspraak moet nakomen. [eiser] ontkent dat zij negatieve uitlatingen heeft verspreid over leerkrachten en directie van de beide scholen. Zij stelt dat zij een betrokken en kritische ouder is en het recht heeft zich kritisch te uiten. Daarbij heeft zij geen grens overschreden. [eiser] stelt vertrouwen te hebben in de huidige directie en docenten van [basisschool 1]. Het geschil dat in 2024 is ontstaan had betrekking op de voormalig directeur van [basisschool 1] . Die is inmiddels opgestapt.
SIPO voert als verweer aan dat redelijkerwijs van haar niet kan worden verlangd dat zij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weer moet toelaten tot [basisschool 1] , omdat een vruchtbare samenwerking met [eiser] niet mogelijk is. Partijen hadden afgesproken dat de kinderen weer teruggeplaatst kunnen worden op [basisschool 1] als er geen beschuldigen c.q. verwijten meer worden geuit. Aan die voorwaarde heeft [eiser] zich niet gehouden. Zij heeft zich herhaaldelijk in ernstige bewoordingen uitgelaten over medewerkers en de bestuurder van SIPO . Die negatieve uitlatingen heeft zij ook extern verspreid, waardoor niet alleen de reputatie van individuele medewerkers maar ook die van de schoolorganisatie is geschaad. Hierbij is van belang dat [eiser] als vrijwilligster werkt bij de Islamitische stichting “[stichting]” en daardoor over een groot netwerk beschikt waarbinnen zij deze negatieve uitlatingen verspreidt.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de huidige bezwaren van SIPO tegen de terugplaatsing van de kinderen op [basisschool 1] niet los kunnen worden gezien van het eerdere conflict tussen de schoolleiding en de ouders. Naar aanleiding van dit conflict is aan de terugplaatsing de voorwaarde verbonden dat [eiser] zich moet onthouden van verdere negatieve uitlatingen. SIPO stelt dat na de op 25 februari 2026 gemaakte afspraak zich een aantal nieuwe omstandigheden heeft voorgedaan. Kort nadat [eiser] had ingestemd met de terugplaatsing van de kinderen op [basisschool 1] , heeft zij op 2 april 2026 op [basisschool 2] op een dreigende toon en met stemverheffing tegen een leerkracht gesproken in het bijzijn van andere leerkrachten en leerlingen. Daarna heeft een leerkracht op 4 mei 2026 het gedrag van [minderjarige 2] met [eiser] willen bespreken, maar daar stond [eiser] niet voor open en zij is weggelopen. Vervolgens heeft [persoon] in een gesprek op 22 mei 2026 aangegeven te twijfelen aan de professionaliteit van een leerkracht en bang te zijn dat zijn zoon mogelijk niet op eerlijke wijze wordt beoordeeld. In juni 2026 heeft een leerkracht van [basisschool 2] tegen [eiser] aangifte gedaan van smaad en laster, nadat zij door [eiser] ervan werd beschuldigd [minderjarige 2] te hebben geknepen. Ook zouden er onwaarheden worden verteld naar aanleiding van de inhoud van een zogenaamde ‘[term]’. Vervolgens heeft [eiser] de school verweten een ‘diepte-interview’ met [minderjarige 2] te hebben afgenomen in plaats van met hem in gesprek te gaan en hem een veilig gevoel te geven.
Op 24 juni 2026 heeft de oudergeleding van de medezeggenschapsraad in een spoedoverleg aangegeven dat meerdere ouders op het schoolplein door [eiser] zijn benaderd en dat daarbij gezegd is dat de ouders in opstand moeten komen tegen de school.
Ten slotte heeft [eiser] zich tegenover ouders van (toekomstige) leerlingen van [basisschool 2] zodanig negatief uitgelaten over de school, dat diverse ouders de aanmelding van hun kinderen hebben ingetrokken. Hierdoor komt het voortbestaan van [basisschool 2] in gevaar, omdat zij daardoor het vereiste aantal minimum leerlingen dreigt niet te halen.
SIPO stelt dat de impact van de beschuldigingen en de negatieve verhalen die rondgaan over de leerkracht van [minderjarige 2] op [basisschool 2] groot zijn. SIPO wijst er in dit verband op dat ook de voormalig leerkracht op [basisschool 1] is uitgevallen naar aanleiding van de persoonlijke beschuldigingen aan haar adres door met name [eiser] .
De voorzieningenrechter stelt vast dat dat SIPO haar bezwaren voldoende gemotiveerd heeft onderbouwd en dat [eiser] daar onvoldoende tegenin heeft gebracht. Zij volstaat met het simpelweg ontkennen of bagatelliseren van de door SIPO gestelde omstandigheden, zonder verdere onderbouwing. Ook zijn de door [eiser] in het kader van deze procedure afgelegde verklaringen niet consistent. Tijdens de mondelinge behandeling heeft zij verklaard dat zij vertrouwen heeft in de directie en de leerkrachten van beide scholen, om vervolgens te verklaren dat zij haar kinderen tijdelijk heeft willen inschrijven bij een andere school ([basisschool 3]) omdat de kinderen zich onveilig voelden op [basisschool 2] en om verdere escalatie te voorkomen. Ook heeft [eiser] een verklaring overgelegd van een moeder van een klasgenoot van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] waarin deze zich negatief uitlaat over [basisschool 2] , terwijl zij tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd heeft verklaard het niet eens te zijn met de inhoud van deze door haarzelf overgelegde verklaring.
Gelet op het vorenstaande heeft SIPO voldoende aannemelijk gemaakt dat na de tussen partijen gemaakte afspraak zich een aantal nieuwe omstandigheden heeft voorgedaan waaruit blijkt dat de noodzakelijke basis voor een vruchtbare samenwerking ontbreekt. Onder die omstandigheden kan van SIPO redelijkerwijs niet worden verlangd dat de afspraak tot terugplaatsing van de kinderen wordt nagekomen. Een belangenafweging tussen partijen leidt niet tot een andere beslissing. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat – naar SIPO onweersproken heeft gesteld – de kinderen nog steeds terecht kunnen op [basisschool 3] en dat de leerkrachten van [basisschool 1] volgens SIPO ernstige bezwaren hebben geuit tegen de terugplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op hun school. Zij vrezen dat er meer leerkrachten zullen uitvallen als gevolg van de negatieve uitlatingen van [eiser] . SIPO dient als werkgever ook zorg te dragen voor een veilige werkomgeving van de leerkrachten.
Dit leidt ertoe dat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen.
proceskosten
5.10.. [eiser] is in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van SIPO worden begroot op:
- griffierecht € 735,00
- salaris advocaat € 1.177,00
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.101,00
6 De beslissing
De voorzieningenrechter
wijst de vorderingen af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.101,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Wordt bij niet betaling het vonnis daarna betekend, dan moet zij € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.