Materieel strafrecht

vrijspraak ontucht met kleinkind. Geen steunbewijs voor geloofwaardige verklaring kleinkind.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 13 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 13 augustus 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
13 augustus 2026
Datum publicatie
13 augustus 2026
Zaaknummer
02-028319-25
Procedure
Op tegenspraak
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:7640
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

vrijspraak ontucht met kleinkind. Geen steunbewijs voor geloofwaardige verklaring kleinkind.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02-028319-25

vonnis van de meervoudige kamer van 13 augustus 2026

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag 1] 1959 te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [woonadres] ,

raadsman mr. K.R. Verkaart, advocaat te Breda.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 30 juli 2026, waarbij de officier van justitie, mr. J. Verschuren, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: op tijdstippen in de periode van 1 december 2021 tot 3 december 2023 ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige [kleinkind] ;
feit 2: in de periode van 1 december 2021 tot 3 december 2023 een persoon, te weten [kleinkind] (hierna: [kleinkind] ), waarvan verdachte wist dat hij jonger dan 16 jaar was, getuige heeft laten zijn van seksuele handelingen.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van de aan verdachte ten laste gelegde feiten. De verklaring van [kleinkind] is betrouwbaar, consistent, gedetailleerd en authentiek. Het dossier bevat bovendien voldoende steunbewijs.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Er is onvoldoende wettig bewijs voor het in de mond nemen van de penis van [kleinkind] (feit 1, tweede gedachtestreepje) en het aftrekken (feit 2). Ten aanzien van de overige ten laste gelegde handelingen is het standpunt dat de seksuele aard en het ontuchtige karakter daarvan ontbreekt. Verdachte moet van beide feiten worden vrijgesproken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Juridisch kader

Bij de beoordeling van het bewijs stelt de rechtbank voorop dat zedenzaken zich doorgaans laten kenmerken door het gegeven dat slechts twee personen aanwezig waren bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Bij een ontkennende verdachte brengt dit in veel gevallen mee dat slechts de verklaring van het vermeende slachtoffer als wettig bewijsmiddel kan dienen. Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechtbank niet uitsluitend worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige. Voor een bewezenverklaring moet er dan ook sprake zijn van steunbewijs, afkomstig van een andere bron dan aangever.

De vraag of aan voormeld bewijsminimum is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden.

Betrouwbaarheid verklaring [kleinkind]

Tijdens een gesprek aan de eettafel met het gezin over geheimen heeft [kleinkind] op eigen initiatief en spontaan verteld dat hij geheimen had met opa. [kleinkind] benoemt daarbij dat hij opa op de mond kust, dat hij samen met opa doucht en dat opa dan zijn piemel goed wast. [kleinkind] wast ook de piemel van opa. Enkele dagen later vertelt [kleinkind] aan zijn stiefvader, getuige [getuige] , dat hij wist waar kinderen vandaan kwamen en dat hij had gezien dat opa iets met zijn piemel in bed deed waarna er wit spul uit zijn piemel kwam. Ruim een maand later wordt [kleinkind] verhoord door de politie in een zogenoemd studioverhoor. Daar heeft hij hetzelfde verteld. De rechtbank is van oordeel dat [kleinkind] consistent heeft verklaard over de handelingen en de omstandigheden waaronder deze handelingen zouden hebben plaatsgevonden. Ook is hij in zijn verklaring heel specifiek en gedetailleerd geweest. Hij heeft duidelijk aangegeven wat er wel en wat er niet is gebeurd. Dit alles bij elkaar maakt dat de verklaring van [kleinkind] geloofwaardig en authentiek overkomt. De rechtbank twijfelt dan ook niet aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [kleinkind] .

Steunbewijs

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of er voldoende steunbewijs is voor de verklaring van [kleinkind] .

De rechtbank stelt vast dat het dossier naast de verklaring van [kleinkind] en verdachte geen andere wettige bewijsmiddelen bevat die de verklaring van [kleinkind] ondersteunen. De verklaringen-van-horen-zeggen van moeder en getuige [getuige] kunnen niet als steunbewijs dienen. Die verklaringen hebben namelijk dezelfde bron omdat die zijn gebaseerd op wat [kleinkind] zelf heeft verklaard.

De verklaring van [kleinkind] ten aanzien van het kussen op de mond (feit 1), het wassen onder de douche (feit 1) en de ejaculatie (feit 2) wordt ondersteund door de verklaringen van verdachte bij de politie en op de zitting. Verdachte heeft voornoemde handelingen erkent. Nu de verklaring van verdachte over deze handelingen in lijn is met de verklaring van [kleinkind] , is de rechtbank ervan overtuigd dat deze handelingen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden en stelt zij deze vast.

Wat de overige ten laste gelegde handelingen betreft, is niet in geding dat verdachte deze ontkent. Zowel bij de politie als op de zitting heeft hij het in de mond nemen van de penis van [kleinkind] (feit 1) en het aftrekken (feit 2) stellig en consistent betwist. Nu ook ander steunbewijs ontbreekt, is er onvoldoende wettig bewijs dat verdachte deze handelingen heeft verricht en zal de rechtbank hem hiervan vrijspreken.

Ontuchtige handelingen (feit 1)

De vraag die de rechtbank voorts dient te beantwoorden, is of de wel vast te stellen handelingen als ontuchtig moeten worden aangemerkt. Het gaat dan om het kussen op de mond en het wassen van het geslachtsdeel. Ontuchtige handelingen als bedoeld in artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht zijn handelingen van seksuele aard die op zichzelf, of in samenhang bezien, in strijd zijn met de sociaal-ethische norm. Het gaat daarbij zowel om de aard als de intentie van de handeling. Of een handeling kan worden gekwalificeerd als strijdig met de sociaal-ethische norm hangt onder meer af van de omstandigheden van het geval, zoals de context waarin de handelingen hebben plaatsgevonden en de verhouding tussen de betrokkenen.

De rechtbank is van oordeel dat het kussen op de mond en het wassen van geslachtsdelen niet per definitie als ontuchtig moeten worden gezien. Het zijn handelingen waarover in de maatschappij verschillend wordt gedacht en er bestaat geen consensus over de acceptatie of verwerping ervan. Of ze in een specifiek geval in strijd zijn met de sociaal-ethische norm hangt sterk af van de context waarbinnen deze handelingen plaatsvinden.

Tussen [kleinkind] en verdachte was sprake van een grootouder-kleinkindverhouding waarbij [kleinkind] , net als zijn zussen, afwisselend en regelmatig een weekend bij zijn grootouders logeerde. Er was wederzijdse genegenheid en verdachte en [kleinkind] gingen op een vertrouwelijke manier met elkaar om. Wanneer [kleinkind] bij zijn grootouders logeerde, ging hij daar ook met verdachte onder de douche. De rechtbank kan, gelet op de context van deze gegeven omstandigheden, niet concluderen dat het kussen op de mond en het wassen van geslachtsdelen onder de douche een seksuele bedoeling had. Wat dit laatste betreft, overweegt de rechtbank dat het wassen van geslachtsdelen bij kinderen van jonge leeftijd onderdeel kan zijn van de normale verzorgingshandelingen. Het feit dat het in het onderhavige geval gaat om een grootvader en zijn kleinzoon, maakt dit niet anders. De rechtbank zal verdachte dan ook integraal vrijspreken van het tenlastegelegde feit 1.

Alternatief scenario (feit 2)

Ten aanzien van feit 2 heeft verdachte een alternatief scenario naar voren gebracht. Volgens verdachte heeft hij in de aanwezigheid van [kleinkind] een spontane zaadlozing gehad. Verdachte heeft daarbij zijn penis dichtgeknepen en [kleinkind] gevraagd een onderbroek aan te geven. Verdachte heeft vervolgens zijn penis schoongemaakt. Ook hierbij was [kleinkind] aanwezig. Op vragen van [kleinkind] hierover heeft verdachte naar waarheid antwoord gegeven. Verder heeft verdachte opgemerkt dat hij destijds al langer erectieproblemen en spontane ejaculaties had, dat hij zijn klachten inmiddels aan de huisarts heeft voorgelegd en daarvoor medicatie ontvangt. Ter onderbouwing heeft verdachte op de zitting brieven van de huisarts en het ziekenhuis overgelegd.

De rechtbank is van oordeel dat het door verdachte geschetste alternatieve scenario (ook) verenigbaar is met de bewijsmiddelen en niet bij voorbaat als hoogst onwaarschijnlijk terzijde kan worden geschoven. Gelet hierop heeft de rechtbank niet de overtuiging dat verdachte het voor dit feit vereiste ontuchtig oogmerk had. Om die reden wordt verdachte ook van feit 2 vrijgesproken.

Conclusie

Gelet op de bovenstaande overwegingen is naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd, zodat verdachte van alle feiten zal worden vrijgesproken.

5 De benadeelde partij

Benadeelde partij [kleinkind]

De benadeelde partij [kleinkind] , wettelijk vertegenwoordigd door zijn moeder [persoon] , vordert een schadevergoeding van € 7.000,- aan immateriële schade voor de feiten 1 en 2.

Verdachte is vrijgesproken van de feiten waaruit de schade zou zijn ontstaan. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

Benadeelde partij [persoon]

De benadeelde partij [persoon] vordert een schadevergoeding van € 16.200,- aan materiële schade voor de feiten 1 en 2.

Verdachte is vrijgesproken van de feiten waaruit de schade zou zijn ontstaan. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

6 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten;

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij [kleinkind] niet-ontvankelijk in de vordering;

- veroordeelt de benadeelde partij [kleinkind] in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij [persoon] niet-ontvankelijk in de vordering;

- veroordeelt de benadeelde partij [persoon] in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.S. van Bree, voorzitter, mr. E.B. Prenger en

mr. L.E. Verschoor-Bergsma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. W.T.C. Venekamp, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 13 augustus 2026.

Mrs. E.B. Prenger en L.E. Verschoor-Bergsma zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: de tenlastelegging

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 december 2021 tot

en met 03 december 2023 te [plaats] (telkens) ontucht heeft gepleegd met de

aan zijn zorg, opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [kleinkind]

, geboren op [geboortedag 2] 2015, door

- die [kleinkind] op de mond te kussen/zoenen en/of

- de penis van die [kleinkind] in de mond te nemen en/of te brengen en/of te houden

en/of

- de penis van die [kleinkind] te wassen en/of te betasten/aanraken en/of

- zijn, verdachtes, penis in de hand(en) van die [kleinkind] te laten vasthouden en/of te

wassen;

(art 249 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 december 2021 tot en met 3 december 2023 te

[plaats] , een persoon van wie hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat

deze de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, te weten [kleinkind] (geboren

op [geboortedag 2] 2015), met ontuchtig oogmerk ertoe heeft bewogen getuige te zijn van

seksuele handelingen, door

in het zicht en/of ten overstaan van die [kleinkind] zichzelf af te trekken en/of in zijn,

verdachtes, penis te knijpen en/of daarbij tevens een ejaculatie te hebben;

(art 248d Wetboek van Strafrecht)