Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het ten laste gelegde onvoldoende wettig en overtuigend kan worden bewezen, vanwege een gebrek aan steunbewijs. Ook heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verklaring van aangeefster onbetrouwbaar is gelet op het tijdsverloop en de getuigenverklaringen over de psychische gesteldheid van aangeefster ten tijde van de periode waarin het ten laste gelegde zou hebben plaatsgevonden. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat mogelijk sprake is van confabuleren, waarbij bij aangeefster een vervormde of gecreëerde herinnering/werkelijkheid is ontstaan waarin zij zelf is gaan geloven. Verder heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat aangeefster niet aan de zorg of waakzaamheid van verdachte was toevertrouwd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte ter zitting van 5 februari 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Aangeefster verbleef in de ten laste gelegde periode meermalen in mijn woning in [plaats] . Het is in die periode ook wel voorgekomen dat ik alleen was met aangeefster.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 14 september 2023, opgenomen op pagina 89 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2023189839 (onderzoek NNRBC23 257, Windsor) d.d. 19 juni 2024, inhoudend als verklaring van [slachtoffer] :
Ik doe aangifte tegen [verdachte] van seksueel misbruik. Toen ik 13 jaar oud was ben ik begonnen seks te hebben met [verdachte] . De eerste keer was in de zomer. Ik zat bij hem thuis in de tuin. Het volgende moment wat ik nog weet is dat ik in zijn bed lag. Het lukte de eerste keer niet om seks te hebben. We hebben toen wel andere dingen gedaan. Ik pijpte hem en hij befte en vingerde mij. De volgende ochtend deden we weer dezelfde dingen en volgens mij toen ook seks. Over all hebben we dat meer dan tien keer gedaan. Ik kan mij ook een keer herinneren dat het gebeurde in een mini hokje op de overloop waar hij een matras had liggen. Ook is het een keer gebeurd in mijn bed in mijn moeders huis, een keer bij de wasmachine in zijn schuur, een keer in de gang bij hem bij de voordeur en een keer op de bank bij hem thuis. Hij woonde toen in [plaats] en ik woonde met mijn moeder ook in [plaats] . Ik heb hem ook afgetrokken. Hij deed zijn vingers in mijn vagina en ging met zijn penis in mijn vagina. Met pijpen bedoel ik zijn penis in mijn mond. Met beffen bedoel ik zijn mond op mijn vulva.
Ik kan mij van de eerste keer dat we probeerden seks te hebben herinneren dat hij probeerde zijn penis naar binnen te brengen en dat hij zei: “Het past gewoon niet”. Met zon lach dat hij ervan genoot. Ik lag op dezelfde plek en hij lag boven op mij. Ik weet dat hij de volgende ochtend zei dat ik goed kon pijpen. Hij heeft mij toen gebeft en gevingerd. Toen squirtte ik. Dat vond hij zo leuk dat hij weer hard werd en dat we toen daadwerkelijk seks hadden.
De keer die mij het meeste is bijgebleven was een keer met de wasmachine. Ik was toen ongesteld. Dat was in de schuur waar het huis aan vast zat. Toen hebben we zonder condoom, penis in vagina seks gehad. Ik zat op de wasmachine en hij stond op de grond. Toen begon het anders te voelen omdat het anders werd. Toen deden we het licht aan en toen was er overal bloed. Het bloed zat op hem, rond zijn kruis. Op mij, op mijn benen en op de grond en op de wasmachine. [getuige 1] , zijn pleegdochter was thuis volgens mij. Die had gezien dat er allemaal bloed was. Die zei: “Hoe komt al dat bloed hier? Toen hebben we ook verteld dat dat mijn menstruatiebloed was. We waren ook een keer in de badkamer. [getuige 1] kwam toen binnen voordat ik een shirt aan had. [verdachte] kwam toen ook al heel snel met een reden. De periode dat [verdachte] en ik seks hebben gehad was uitgestrekt over een aantal maanden.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 12 december 2016, opgenomen op pagina 25 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1] :
Ik heb een keer gezien dat [slachtoffer] , dat was de oudste van toen 13 jaar, in alleen een onderbroek en [verdachte] alleen in een boxer tegen elkaar aanlagen. [verdachte] lag achter [slachtoffer] met zijn armen om haar heen. [slachtoffer] had haar armen om zijn armen geslagen. Ik heb wel gezien dat [slachtoffer] ook wel bij hem in bed lag. Ik heb vaker gezien dat [slachtoffer] in alleen een onderbroekje bij hem lag.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 28 november 2023, opgenomen op pagina 106 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1] :
[slachtoffer] en haar zusje kwamen bijna dagelijks over de vloer. Er werden ook wel matrassen op de vloer in de woonkamer gelegd en daar sliepen ze ook wel. Er is een periode geweest waarop [slachtoffer] heel aanhankelijk was van [verdachte] . Maar er is ook een periode geweest waarbij ze helemaal omsloeg en niets van hem wilde weten. Als hij in de buurt kwam riep ze dat hij weg moest en niet aan haar mocht komen. Ze wilde niet meer bij [verdachte] komen. Dat was in de tijd dat ze ook zichzelf begon te snijden. Het ging duidelijk niet goed met haar. Het was duidelijk zichtbaar dat ze dat deed. Er zaten dan wondjes op haar arm.
Over haar aanhankelijke periode kan ik zeggen dat ze ook wel bij hem op schoot kroop voor een knuffel. De periode dat [slachtoffer] omsloeg en het niet zo lekker met haar ging was dat wel van invloed op het gezin. Ze liep dan letterlijk weg. Ze was graag bij ons en toen ineens niet meer.
Ik zag bij [slachtoffer] dat ze de aandacht opeiste. Ook één op één alsof [verdachte] vooral met haar bezig was. Letterlijk aandacht vragen. [verdachte] ging daar ook wel op in. Het gebeurde regelmatig dat [slachtoffer] bij [verdachte] thuis kwam en dat er in de tuin werd gezeten.
Het klopt dat ik ooit thuis was en dat ik toen bloed heb gezien. Volgens mij vond ik dat bloed toen in de gang voor de douchedeur. Tussen de keuken en de douchedeur in. [slachtoffer] was ongesteld geworden. Toen ik thuis kwam waren [verdachte] en [slachtoffer] thuis. [verdachte] was in de keuken. Volgens mij vertelde [verdachte] toen dat [slachtoffer] ongesteld was geworden en dat het heftig was.
Ik kan mij herinneren dat [verdachte] wel eens vertelde dat [slachtoffer] bij hem thuis haar kleren wel eens uit had gedaan en dat ze dan [verdachte] riep.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 30 november 2023, opgenomen op pagina 113 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 2] :
[slachtoffer] heeft mij verteld dat zij seks heeft gehad met [verdachte] , heel lang geleden al. Dat hoorde ik van haar toen ze 16,17 jaar oud was. Ze zei toen dat ze seks met hem had gehad toen ze 13 jaar oud was. En ze zei dat ze het niet wilde. Maar dat het wel zo was gegaan en dat ze niet zo goed wist wat ze moest doen en dat ze wel wist dat het niet ok was. Ik had geen enkele reden om [slachtoffer] niet te geloven. En dat was omdat [verdachte] en ik vrienden waren en we hebben heel erg vaak gebeld over [slachtoffer] . Later als wij spraken wist hij altijd het gespreek weer op [slachtoffer] te brengen. Ik begon het vreemd te vinden dat hij het steeds over [slachtoffer] had. Ik heb hem daar toen wel naar gevraagd en dan merkte ik dat het even minder werd. Dan begon het weer opnieuw. Hij ontkende dan en was dan verbaasd. Hij reageerde dan wel geschrokken als ik hem hiermee confronteerde. De gesprekken over [slachtoffer] gingen over wat hij zag aan haar en wat hij observeerde aan haar.
Er was ook eens een slaapfeestje bij [verdachte] thuis. Daar waren ook [getuige 1] mijn halfzusje, zijn pleegdochter [getuige 1] , [naam ] , [slachtoffer] en ik. Het was rond de kerst/oud en nieuw. [verdachte] nam ook wel vaak de kinderen op schoot, maar deed dat toen ook bij [slachtoffer] . Ik weet nog dat ik toen zei: “Nou joh, zij is al 13 die neem je toch niet meer op schoot?”. Die focus op haar vond ik vreemd. Hij deed dan altijd alsof ik gek was en me niet aan moest stellen. Er lagen allemaal matrassen op de grond. Ik lag aan de kant van de achtertuin en [verdachte] lag aan de kant van de voortuin. Er lagen zes matrassen in de woonkamer. Naast mij zou [slachtoffer] liggen. In het midden [naam ] en daarnaast pleegdochter [getuige 1] en dan [verdachte] . Dat was de gedachte voor het slapengaan. Ik ging me klaar maken in de douche en tandenpoetsen beneden in de hal. Toen ik terugkwam in de woonkamer lag [slachtoffer] samen met [verdachte] op zijn matras te lachen. Ik vond dit vreemd en zei toen tegen haar: [slachtoffer] kom je zo bij mij liggen? Volgens mij kwam [slachtoffer] later terug en ging naast mij liggen. Toen vielen we ook in slaap, ik in ieder geval wel. Later werd ik wakker van wat gegiechel aan de kant van [verdachte] . Ik snapte er niets van en keek en dacht: “huh, is dat [slachtoffer] ?”. Ik keek naast me en zag haar daar niet meer liggen. Zij lag bij [verdachte] . Ik zei toen: “ [slachtoffer] kom nu hier, je moet slapen.” En tegen [verdachte] : “Het is nu klaar hoor, hou eens op met dat geklier”. Het was echt al 01:00 uur en zij was toen 13 jaar. [slachtoffer] zei toen: ik moet plassen en ging daarna bij me liggen. Pas later hoorde ik toen van [slachtoffer] dat zij toen ook lagen te vozen onder de dekens.
[slachtoffer] heeft mij verteld dat er seks was geweest met penetratie, zoenen zonder kleren en dat [verdachte] haar eerste sekspartner was. Ze vertelde van het vozen op het slaapfeestje en dat het best lang geduurd heeft allemaal. Ik kan mij ook herinneren dat zij het contact met hem verbrak. Toen was ze zeker een jaar ouder. Dat vond [verdachte] echt vreselijk en hij was helemaal van het padje af. Hij noemde het toen altijd bezorgdheid. Hij benaderde haar telefonisch op verschillende manier, via social media. Echt wel maandenlang en ook via mij wel.
Wat mij opviel was dat mijn twee zusjes daar veel waren. Dat er veel contact was. Hij was veel met ze bezig. Meer dan je van iemand zou verwachten van iemand van zijn leeftijd en geslacht. Hij had ook geen moeite met aanrakingen zoals knuffelen. Het leek wel liefdevol maar dus ook weinig grenzen.
Oordeel van de rechtbank
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.
Juridisch kader
Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan door de rechtbank niet uitsluitend worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige of enkel op basis van de verklaring of aangifte van het slachtoffer. Aangezien verdachte de beschuldigingen heeft ontkent, betekent dit dat de rechtbank eerst de betrouwbaarheid van de verklaring van het slachtoffer moet beoordelen en daarnaast moet bepalen of voor de verklaringen van het slachtoffer voldoende steunbewijs in het dossier aanwezig is.
Dit steunbewijs hoeft, zo volgt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad, bij zedenzaken niet per definitie te zien op de ontuchtige handelingen zelf. Het is voldoende wanneer de verklaring van het slachtoffer op onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Voorts is van belang dat uit het dossier en uit het verhandelde ter terechtzitting, de rechtbank onverminderd de overtuiging moet krijgen dat het feit is gepleegd zoals het de verdachte wordt verweten.
Betrouwbaarheid verklaring aangeefster
Aangeefster heeft toen zij ongeveer 16 jaar oud was aan haar zus verteld over het misbruik door verdachte. Vervolgens heeft zij op 15 januari 2019 een informatief gesprek zeden gehad bij de politie, waarna zij op dat moment heeft besloten geen aangifte te willen doen. Na een nieuw informatief gesprek zeden op 20 juli 2023 heeft aangeefster alsnog aangifte gedaan op 14 september 2023 van seksueel misbruik gepleegd door verdachte in de periode tussen 29 november 2012 en 29 november 2014.
Uit de verklaringen van aangeefster volgt, kort samengevat, dat het misbruik is begonnen toen aangeefster 13 jaar oud was. Aangeefster heeft omschreven wanneer, waar en op welke manier de seksuele contacten tussen haar en verdachte hebben plaatsgevonden. De rechtbank stelt vast dat aangeefster consistent is in haar verklaringen, ondanks het aanzienlijke tijdsverloop tussen het ten laste gelegde en de aangifte, en dat zij een aantal situaties waarin seksuele handelingen hebben plaatsgevonden zeer gedetailleerd heeft omschreven. Dat aangeefster enkele details niet meer zeker weet of zich niet meer kan herinneren, kan naar het oordeel van de rechtbank worden verklaard door het tijdsverloop. De rechtbank merkt daarbij op dat aangeefster niet de indruk wekt de gebeurtenissen te hebben overdreven. Zij benoemt ook eerlijk dat zij op dat moment de ernst van de situatie niet inzag en dat zij het ook best leuk vond. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van aangeefster.
Door de verdediging is betoogd dat bij aangeefster mogelijk sprake is van confabuleren. Dit houdt in dat aangeefster volgens de verdediging onbedoeld gaten in het geheugen heeft gevuld met verzonnen of onjuiste informatie, zonder dat aangeefster zich daarvan bewust is. Aan deze suggestie ligt echter geen diagnose of een concrete onderbouwing ten grondslag. De rechtbank is dan ook van oordeel dat deze enkele suggestie geen afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster.
Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat de verklaringen van aangeefster betrouwbaar zijn en dus voor het bewijs kunnen worden gebruikt.
Steunbewijs
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de door haar betrouwbaar geachte verklaringen van aangeefster in voldoende mate steun vinden in de overige bewijsmiddelen.
Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat het dossier genoeg steunbewijs biedt voor de verklaringen van aangeefster. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
De rechtbank ziet voor de verklaring van aangeefster steun in de getuigenverklaring van [getuige 1] , de pleegdochter van verdachte. Zij heeft verklaard dat aangeefster een periode lang bijna dagelijks bij verdachte in zijn woning kwam en dat aangeefster ook bleef slapen. Over het gedrag van aangeefster heeft zij verklaard dat aangeefster een periode heel aanhankelijk was naar verdachte, waarbij aangeefster ook regelmatig bij verdachte op schoot zat en knuffelde met verdachte, maar dat haar gedrag op een gegeven moment omsloeg, waarna aangeefster niks meer van verdachte wilde weten en daar niet meer wilde komen. Als verdachte in de buurt kwam riep aangeefster dat hij weg moest gaan en dat hij niet aan haar mocht komen. In deze slechte periode geeft [getuige 1] ook aan dat aangeefster zichzelf is gaan snijden. Deze door [getuige 1] waargenomen veranderingen in de emotionele en de fysieke staat van aangeefster, in de periode waarin de ten laste gelegde gedragingen hebben plaatsgevonden, ondersteunen naar het oordeel van de rechtbank de verklaring van aangeefster.
Ook heeft [getuige 1] , in haar verklaring die zij in 2023 heeft afgelegd tegenover de politie, bevestigd dat zij een keer menstruatiebloed van aangeefster heeft aangetroffen in het huis van verdachte en dat zij hierover met verdachte en aangeefster een gesprek heeft gevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank ondersteunt deze verklaring de door aangeefster specifiek omschreven situatie waarbij aangeefster en verdachte seks hebben gehad terwijl zij ongesteld was.
Daarnaast zijn door [getuige 1] en [getuige 2] , de zus van aangeefster, verklaringen afgelegd over de relatie tussen aangeefster en verdachte en de manier waarop zij met elkaar omgingen in de ten laste gelegde periode. Zo heeft [getuige 1] in 2016 verklaard dat zij heeft gezien dat aangeefster in de armen van verdachte lag, terwijl zij beiden alleen gekleed waren in ondergoed
[getuige 2] heeft verklaard over een slaapfeestje waarbij zij heeft gezien dat aangeefster s nachts naast verdachte lag en dat [getuige 2] gegiechel hoorde. Aangeefster heeft later hierover tegen [getuige 2] verklaard dat zij op dat moment met verdachte lag te vozen. Verder heeft [getuige 2] verklaard over de in haar ogen ongepaste relatie tussen aangeefster en verdachte hetgeen zich uitte in op schoot zitten, knuffelen en een bovenmatige interesse van verdachte in aangeefster. Naar het oordeel van de rechtbank bieden ook deze verklaringen steun aan de verklaringen van aangeefster, in die zin dat er sprake was van ongepast en seksueel getint contact tussen aangeefster en verdachte.
Op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van aangeefster betrouwbaar zijn en dat er sprake is van voldoende steunbewijs. De rechtbank heeft ook de overtuiging bekomen dat het feit is gepleegd zoals het de verdachte wordt verweten.
De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ontuchtige handelingen heeft gepleegd met aangeefster die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, zoals onder de bewezenverklaring is gespecificeerd.
Aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwd
Aan verdachte is tevens ten laste gelegd dat hij de ontuchtige handelingen heeft gepleegd met een aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige. Door de verdediging is aangevoerd dat van deze situatie geen sprake is geweest.
In artikel 248 lid 2 (oud) Sr is onder meer opgenomen dat indien de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige dit als strafverzwarende omstandigheid dient te gelden. De strekking van deze bepaling is het verlenen van bescherming aan minderjarigen die als gevolg van afhankelijkheid en een overwicht minder weerstand kunnen bieden aan de dader dan anderen. Er is geen juridische gezagsverhouding vereist om te kunnen spreken van het aan zijn zorg of waakzaamheid toevertrouwen. Een feitelijke zorgplicht kan daarvoor voldoende zijn. Ook is er geen wetenschap of uitdrukkelijke toestemming van de ouder(s) van de minderjarige vereist van de aanwezigheid van het slachtoffer bij de verdachte. De vraag of zich een situatie voordoet waarin de minderjarige aan de zorg of de waakzaamheid van de dader is toevertrouwd, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Hierbij kan gedacht worden aan het overwicht dat tussen de verdachte en de minderjarige bestaat, de plaats waar de tenlastegelegde gedragingen plaatsvonden en de leeftijd van de verdachte en van de minderjarige. Ook de duur van de betrekking tussen beiden kan daarbij een rol spelen.
Uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen blijkt dat aangeefster in de bewezenverklaarde periode bijna dagelijks bij verdachte over de vloer kwam en ook dat zij meermalen in de woning van verdachte is blijven slapen. De bewezenverklaarde feiten hebben zich voor een groot gedeelte ook afgespeeld in de woning van verdachte. Aangeefster was op dat moment 13 jaar oud, terwijl verdachte 27 jaar oud was en de enige volwassene was in het huishouden. In die situatie oefende verdachte een bepaalde zeggenschap uit over aangeefster en was hij verantwoordelijk voor haar. Een meisje van 13 jaar is doorgaans ook afhankelijk van een volwassene voor wat betreft haar welzijn en veiligheid. Hoewel er geen sprake was van een formele juridische gezagsverhouding tussen aangeefster en verdachte is de rechtbank van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden verdachte aangeefster onder zijn hoede had en dat aangeefster aan de zorg en waakzaamheid van de verdachte was toevertrouwd. De rechtbank komt daarmee ook tot een bewezenverklaring van dit deel van de tenlastelegging.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen strafmaatverweer gevoerd, gelet op de bepleite vrijspraak.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het rapport van Reclassering Nederland d.d. 27 maart 2025, het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 15 december 2025, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich gedurende een langere periode op verschillende momenten schuldig gemaakt aan het plegen van vergaande ontuchtige handelingen met aangeefster, een destijds kwetsbaar minderjarig meisje van 13 jaar oud die aan de waakzaamheid van verdachte was toevertrouwd. Door het handelen van verdachte heeft hij de lichamelijke en geestelijke integriteit van aangeefster geschonden en op grove wijze misbruik gemaakt van de kwetsbare positie waar aangeefster zich in bevond. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van zedendelicten vaak nog lang ernstige psychische gevolgen ondervinden van hetgeen hen is overkomen. Dit geldt mogelijk nog sterker wanneer het slachtoffer reeds bekend is met psychische problematiek. Dat aangeefster ernstig is beschadigd en nog steeds kampt met de psychische gevolgen van het handelen van verdachte, blijkt ook uit het door het slachtoffer ter terechtzitting uitgeoefende spreekrecht. Verdachte heeft bij dit alles kennelijk niet stilgestaan en heeft zich enkel laten leiden door de bevrediging van zijn eigen seksuele behoefte. Verdachte heeft bovendien op geen enkele manier verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. De rechtbank rekent dit alles verdachte zwaar aan.
Naar het oordeel van de rechtbank kan op het handelen van verdachte enkel worden gereageerd met een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het advies van de reclassering van 27 maart 2025. Uit het onderzoek van de reclassering komen geen problemen naar voren op de verschillende leefgebieden, hetgeen als positief wordt beschouwd. De reclassering kan het delictgedrag niet duiden en kan evenmin het risico op herhaling inschatten. Aanknopingspunten voor nader psychologisch onderzoek of reclasseringsinterventies ziet de reclassering niet. Bij een bewezenverklaring wordt door de reclassering dan ook geadviseerd een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden. Door de reclassering worden daarbij geen contra-
indicaties voor een gevangenisstraf gezien.
Strafoplegging
Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in vergelijkbare zaken plegen te worden opgelegd. De rechtbank komt tot de conclusie dat de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf recht doet aan de ernst van het feit en de gevolgen voor het slachtoffer, en dat de gevorderde straf in lijn is met straffen die plegen te worden opgelegd in vergelijkbare zaken. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen factoren aanwezig die maken dat de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf moet worden gematigd of moet worden verhoogd. De rechtbank zal verdachte daarom veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 15.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voldoende is onderbouwd en voor toewijzing vatbaar is.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de vordering benadeelde partij af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren gelet op de bepleite vrijspraak.
Oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 29 november 2014.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 245 en 248 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.