Civiel recht overig
Ontslag statutair bestuurder; onregelmatig ontslag; kennelijk onredelijk ontslag, toepasselijkheid…
Rechtbank Zutphen, 13 december 2006
ECLI:NL:RBZUT:2006:AZ9415 · Rechtbank Zutphen · 13 december 2006
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zutphen/civiel-recht/civiel-recht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbzut-2006-az9415
Zaakgegevens
Op 13 december 2006 heeft de Rechtbank Zutphen in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank ZutphenRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Zutphen
- Datum uitspraak
- 13 december 2006
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 73385 - HA ZA 05-1101
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZUT:2006:AZ9415
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Ontslag statutair bestuurder; onregelmatig ontslag; kennelijk onredelijk ontslag, toepasselijkheid kantonrechtersformule
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK ZUTPHEN
73385 / HA ZA 05-11013 januari 2007
Sector Civiel – Afdeling Handel
zaaknummer / rolnummer: 73385 / HA ZA 05-1101
Vonnis van 13 december 2006
in de zaak van
[eiser],
wonende te [plaats ],
eiser,
procureur mr. A.J.H. Ozinga,
advocaat mr. M.E. Bosman te Velp,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[naam BV],
gevestigd te [plaats ],
gedaagde,
procureur mr. J.J.M. Melissen.
Partijen zullen hierna [eiser] en [naam BV] genoemd worden.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
de dagvaarding van 11 oktober 2005
-
de conclusie van antwoord
-
het vonnis van 4 januari 2006
-
het proces-verbaal van comparitie van 12 juli 2006
-
de conclusie van repliek
-
de conclusie van dupliek
-
de akte uitlating producties.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
[naam BV] houdt zich bezig met de fabricage en distributie van hang- en sluitwerk, gereedschappen en “do-it-yourself” producten van allerlei aard. [naam BV] is een 100% dochter van [naam BV] Holding GmbH, hierna de holding.
[eiser], geboren op [1961], is op [1996] bij [naam BV] in dienst getreden in de functie van productmanager. Met ingang van 1 januari 2000 is [eiser] benoemd tot statutair directeur van [naam BV]. Mevrouw [naam 1], hierna [naam 1] genoemd, was de andere statutair directeur. Zij is tevens directeur van de holding.
Beiden waren zelfstandig volledig bevoegd. Het laatstverdiende salaris van [eiser] bedroeg € 4.840,-- bruto per maand exclusief vakantiebijslag.
In zijn Arbeitsvertrag staat, voor zover hier van belang:
“(...)
5. Tantieme
Herr [eiser] erhält weiterhin eine Tantieme in Höhe von 5 % des in der Bilanz ausgewiesenen handelsrechtlichen Jahresüberschusses vor Abzug der Tantieme und Körperschaftssteuer.
(...)
14. Beendigung des Arbeitsverhältnisses, Kündigung
Der Arbeitsvertrag mit Herrn [eiser] ist für unbestimmte Zeit abgeschlossen.
Der Vertrag kann von beiden Vertragsparteien mit einer Frist von zwölf Monaten zum Monatsende gekündigt werden. Die Kündigung hat schriftlich zu erfolgen.
(...)
Während der Kündigungsfrist ist die BV berechtigt, Herrn [eiser] von jeder weiteren Tätigkeit freizustellen. Herr [eiser] hat dann lediglich Anspruch auf sein monatliches Grundgehalt, zusätzlich 8 % Urlaubsgeld. Eine Tantieme wird dann über diese Periode nicht mehr gewährt.
(...)
In de statuten van [naam BV] van 15 januari 2002 is bepaald, voor zover hier van belang:
Artikel 11 . 1. De directie besluit bij volstrekte meerderheid van stemmen. Bij staking van stemmen beslist de algemene vergadering.
De algemene vergadering is bevoegd die besluiten van de directie aan haar goedkeuring te onderwerpen, welke door haar in haar daartoe strekkend besluit duidelijk zijn omschreven en aan de directie zijn medegedeeld.
De directie is voorts verplicht zich te gedragen naar de aanwijzingen van de algemene vergadering betreffende de algemene lijnen van het te voeren financiële, sociale, economische en personeelsbeleid. (...)”
Op 14 april 2005 is [eiser] door de algemene vergadering van aandeelhouders, hierna AVA, met onmiddellijke ingang ontslagen. [eiser] is, niet bijgestaan door een (juridisch onderlegd) vertegenwoordiger, aanwezig geweest bij de vergadering. De ontslaggronden zijn tijdens de vergadering, ondanks verzoek daartoe van [eiser], niet aan de orde geweest.
Bij aangetekende brief van 15 april 2005 heeft de raadsman van [naam BV] aan [eiser] geschreven:
“Hiermede bevestig ik namens uw werkgever [naam BV] uw ontslag als directeur, ter gelegenheid van de buitengewone vergadering van aandeelhouders d.d. donderdag 14 april jl. U bent bij de vergadering aanwezig geweest en bent gehoord op het vooraangekondigde ontslagvoornemen.
Zoals bekend hebben een aantal gronden tot dit ontslag geleid, waaronder de
navolgende:
Sedert langere tijd loopt de omzet van [naam BV] Nederland terug. Weliswaar is de winst gestegen echter alleen op grond van kostenbesparing, zoals personeelskosten, zomede besparing door uitstel van vervanging van goederen. Op termijn is dit echter geen goede, structurele oplossing en wordt er op het kapitaal ingeteerd.
Er is onvoldoende geïnvesteerd in het vinden van werknemers om de omzet te vergroten, zomede het vinden van nieuwe klanten en nieuwe markten.
Bovendien is er onvrede ontstaan bij werknemers, omdat uw beloning deels samenhing met de winst vóór belastingen, terwijl medewerkers in de verkoop alleen naar omzet betaald werden. Ik verwijs voor het vorenstaande ook naar schriftelijke stukken, die dat onderbouwen en die reeds in uw bezit zijn.
(...)
Voor de vergadering is reeds met u van gedachten gewisseld over een billijke beëindigingsregeling. Hoewel u deze verworpen heeft ben ik bereid namens cliënte een nieuw aanbod te formuleren. Dit houdt in dat cliënte bereid is een vergoeding toe te kennen ter hoogte van de opzegtermijn die volgens cliënte gegolden zou hebben indien cliënte in deze de contractuele opzegtermijn had gevolgd. Dit leidt er toe dat aan u een vergoeding kan worden aangeboden ter hoogte van 12 bruto maandsalarissen, ter vermeerderen met vakantietoeslag. In begrijp dat uw inkomen over 2005 € 58.080,-- zou bedragen, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag, derhalve € 62.726,40 totaal.
Bij verwerping van dit voorstel, kunt u daarop later geen beroep meer doen.
Indien en voor zover u van mening zou zijn dat het ontslag kennelijk onredelijk is
meen – quod non – ik namens cliënte een zodanig voorstel geformuleerd te hebben dat die kennelijke onredelijkheid geheel aan het ontslag ontnomen is. (...)”
Namens [eiser] is bij brief van 20 april 2005 aan de raadsman van [naam BV] bezwaar aangetekend tegen zijn ontslag:
“(...) Tijdens de zogenaamde “Hauptversammlung”van 14 april 2005 heeft mevrouw
[naam 1] namens [naam BV] Duitsland gemeend dhr. [eiser] te moeten ontslaan als statutair directeur van [naam BV]
Normaliter dient een dergelijk voorstel door een aandeelhoudersvergadering beslist te worden. Wij zijn van mening dat de bespreking van 14 april 2005 niet te vergelijken is met een aandeelhoudersvergadering.
Echter naast de functie van statutair directeur heeft dhr[eiser] ook een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
Gezien de door u genoemde redenen wenst dhr. [eiser] bezwaar aan te tekenen tegen zijn ontslag en eist terugkeer binnen [naam BV] (...)”
Bij email van 25 juli 2005 heeft [eiser] aan de raadsman van [naam BV] geschreven:
“(...) Voorts wil ik u melden dat mijn werkgever nog steeds in gebreke blijft. De winstuitkering heeft [naam BV] nog niet uitgekeerd. (...)
Als ik de feiten op een rij zet ontstaat volgend beeld:
-
[naam BV] betaald zonder aankondiging geen loon over april.
-
[naam BV] keert geen winstuitkering uit over het boekjaar 2004.
-
Mijn telefoons worden zomaar afgesloten.
-
De winstuitkering over 2005 wordt achtergehouden.
De aandeelhouders vergadering van 14 april 2005 is in strijd met de wet om meerdere redenen. Essentieel is dat in de vergadering geen reden voor het ontslag is genoemd.
Het verweer is me daardoor ontnomen. U weet beter als ik dat daarmee het ontslagbesluit nietig is. Ik eis daarom mijn werkplek op. (...)”
3 De vordering
[eiser] vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
primair:
-
voor recht zal verklaren dat het onderhavige ontslag nietig is dan wel bij brieven van 20 april 2005 en 25 juli 2005 buitengerechtelijk is vernietigd en zal bepalen dat [naam BV] binnen acht dagen na de betekening van dit vonnis [eiser] in staat stelt de overeengekomen werkzaamheden voor [naam BV] te hervatten;
-
[naam BV] zal veroordelen om binnen acht dagen na betekening van dit vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te voldoen zijn salaris van € 4.840,-- bruto per maand vanaf 14 mei 2005, te vermeerderen met 8% vakantiebijslag alsmede om aan [eiser] te voldoen de wettelijke rente en de wettelijke verhoging over de bedragen, voor zover betaling daarvan niet heeft plaatsgevonden tegen het eind van de maand waarop die betrekking had, totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd;
subsidiair:
-
voor recht zal verklaren dat sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag ex artikel 7:681 BW;
-
[naam BV] zal veroordelen om binnen acht dagen na betekening van dit vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te voldoen een bedrag aan schadevergoeding op grond van kennelijk onredelijk ontslag op de wijze zoals sub 5 van de dagvaarding omschreven, dan wel een bedrag aan schadevergoeding in goede justitie door de rechtbank te bepalen;
-
[naam BV] zal veroordelen om binnen acht dagen na betekening van dit vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te voldoen het aan hem over 2005 toekomende bedrag aan tantième volgens de ter zake vast door [naam BV] gehanteerde werkwijze, uitgaande van winst voor belasting;
primair en subsidiair:
- [naam BV] zal veroordelen in de kosten van deze procedure.
[eiser] legt, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, de navolgende stellingen ten grondslag aan zijn vorderingen. Het is onjuist dat het (voltallige) bestuur althans het bevoegde orgaan, de AVA bijeengeroepen heeft. De vergadering van 14 april 2005 kan niet worden beschouwd als een vergadering van de AVA, zodat het ontslagbesluit onbevoegd is genomen. Noch voorafgaand aan de vergadering noch tijdens de vergadering zelf is opgave gedaan van de redenen voor het ontslag. [eiser], die noch voor noch tijdens de vergadering is gehoord, heeft zich tegen het ontslagbesluit niet kunnen verweren. Hij heeft zich beschikbaar gehouden voor werk.
[naam BV] heeft ten onrechte een opzegtermijn van twee maanden in acht genomen in plaats van de overeengekomen opzegtermijn van twaalf maanden.
Het ontslag is kennelijk onredelijk. Voor [eiser] zijn geen voorzieningen getroffen en het is niet waarschijnlijk dat hij, mede gezien de huidige economische omstandigheden, de specifieke werkervaring in relatie tot de beperkte omvang van de bedrijfstak en de negatieve publiciteit rond het gegeven ontslag, binnen afzienbare termijn passende arbeid zal vinden.
Het concurrentiebeding is een omstandigheid die de mogelijkheid tot het verkrijgen van passende arbeid nog eens beperkt. Door de holding is hij niet eerder op tekortkomingen gewezen. Een correctiefactor 2 is passend.
4 Het verweer
[naam BV] concludeert dat de rechtbank bij vonnis [eiser] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vorderingen zowel primair als subsidiair, althans deze zal afwijzen, met veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure.
[naam BV] voert tegen de achtergrond van de vaststaande feiten de volgende verweren. Vanaf medio 2004 is in toenemende mate met [eiser] besproken dat er problemen gezien werden met betrekking tot zijn functioneren. Een en ander heeft tot diverse besprekingen geleid, voor het laatst op 22 maart 2005 in Duitsland. Tijdens die bespreking kon [eiser] de aantijgingen niet weerleggen, waarna hem is medegedeeld dat dit tot beëindiging van het directeurschap zou leiden. Vervolgens is besproken op welke wijze die beëindiging zou gaan plaatsvinden, te weten in een buitengewone vergadering van aandeelhouders, met als agendapunt het ontslag van [eiser], zowel als statutair directeur als directeur/werknemer. Daarbij is ook uitdrukkelijk aan de orde gesteld de bereidheid om vooraf over een afvloeiingsregeling te spreken. Aan [eiser] is een concept beëindigingsovereenkomst ter hand gesteld. Ook na 22 maart 2005 is nog contact geweest met [eiser], maar partijen konden het niet eens worden over een vergoeding. Op verzoek van de holding is door mevrouw [naam 1], mededirecteur en zelfstandig bevoegd binnen [naam BV], een buitengewone vergadering van aandeelhouders bijeengeroepen. Bij brief van 6 april 2005 is [eiser] zowel op zijn kantoor bij [naam BV] als op zijn privé-adres uitgenodigd om die vergadering bij te wonen. In de uitnodiging stond dat aan de orde was het voorgenomen ontslag als statutair directeur en als directeur/werknemer. De gronden daarvoor waren reeds bekend bij [eiser], onder andere naar aanleiding van het besprokene op 22 maart 2005. [eiser] heeft tijdens de vergadering gevraagd naar de gronden voor zijn ontslag. Mevrouw [naam 1] heeft toen geantwoord dat die niet onderwerp van de vergadering waren, in die zin dat de gronden reeds uitgebreid aan de orde waren geweest op 22 maart 2005. Voor zover vereist is ook de arbeidsovereenkomst ter vergadering opgezegd. De AVA is op rechtsgeldige wijze bijeengeroepen.
Ten aanzien van de contractuele opzegtermijn heeft te gelden dat deze in strijd is met het bepaalde in artikel 7:672 lid 6 BW en dus nietig is. Het civielrechtelijk ontslag is onaantastbaar, zodat beëindiging van de arbeidsovereenkomst heeft plaatsgevonden per 14 april of uiterlijk per 1 juli 2005. [naam BV] betwist dat sprake is van kennelijk onredelijk ontslag. De kantonrechtersformule dient niet onverkort te worden toegepast als toch sprake zou zijn van kennelijk onredelijk ontslag. [eiser] heeft geen recht op tantième over 2005.
5 De beoordeling
Tussen partijen is allereerst in geschil of het besluit van de AVA van 14 april 2005, waarbij [eiser] als bestuurder en als werknemer is ontslagen, rechtsgeldig tot stand is gekomen. Artikel 2:219 BW bepaalt dat het bestuur en de raad van commissarissen bevoegd zijn tot het bijeenroepen van een algemene vergadering. Vast staat dat [naam 1] als bestuurder zelfstandig bevoegd was [naam BV] te vertegenwoordigen.
[naam BV] heeft onbetwist gesteld dat [naam 1], die overigens ook bestuurder is van de holding, op verzoek van de holding, de enig aandeelhouder, de AVA bijeengeroepen heeft. [eiser], die het verwijt maakt dat hij als bestuurder niet betrokken was bij het bijeenroepen van de AVA, ziet daarbij over het hoofd dat [naam 1] zelfstandig bevoegd was de vennootschap te vertegenwoordigen. Daarmee is voldaan aan het vereiste dat het bestuur de vergadering bijeengeroepen heeft. Vast staat derhalve dat de vergadering bevoegdelijk bijeengeroepen is.
Vervolgens rijst de vraag of [eiser] op de juiste wijze is opgeroepen voor de vergadering van 14 april 2005. [eiser] heeft gesteld dat in de uitnodigingsbrief voor die vergadering geen ontslaggrond stond vermeld, dat ten tijde van die vergadering evenmin een opgave van redenen is gegeven over het voorgenomen ontslag en dat hij – in strijd met het bepaalde in artikel 2:227 lid 4 BW – ter vergadering niet is gehoord.
Artikel 2:224 lid 1 BW bepaalt dat de oproepingsbrief de te behandelen onderwerpen van de AVA dient te vermelden. [eiser] heeft bij conclusie van repliek als productie 9 overgelegd de uitnodiging d.d. 7 april 2005 voor de buitengewone vergadering van aandeelhouders op 14 april 2005, waarin staat: “(...) Einziger Tagesordnungspunkt dieser außerordentlichen Hauptversammlung ist die Beschlussfassung über ihre sofortige Entlassung als satzungsgemäßer Direktor und Direktor-Arbeitnehmer.
Zu dieser außerordentlichen Hauptversammlung werden Sie hiermit eingeladen.” Daarmee is voldaan aan het vereiste in artikel 2:224 lid 1 BW. Dat in de oproepingsbrief ook de gronden voor het voorgenomen ontslag moeten zijn vermeld, zoals [eiser] heeft gesteld, vindt geen steun in de wet.
Door [naam BV] is gesteld dat de gronden voor het voorgenomen ontslag aan de orde zijn geweest tijdens een bespreking met [naam 1], de heren Gmeinwieser, directeur van de holding, [naam 2], de jurist van [naam BV] op 22 maart 2005. [eiser] heeft niet betwist dat een dergelijke bespreking op 22 maart 2005 heeft plaatsgevonden. Weliswaar heeft hij in algemene zin betwist dat met hem vóór 7 april 2005, de datum waarop de uitnodiging voor de AVA is verzonden, is gesproken over zijn disfunctioneren, doch hij heeft niet expliciet weersproken dat op 22 maart 2005 de ontslaggronden aan de orde zijn geweest. Door [naam BV] is als productie 5 bij conclusie van antwoord een verslag van de bespreking, een zogenaamd Protokoll, overgelegd. Hierin staat, kort samengevat, dat [eiser] is voorgehouden dat de vennootschap in Nederland reeds vijf jaar niet vooruitkomt, dat de omzetontwikkeling negatief is, dat er weliswaar is bezuinigd maar dat er aan de andere kant niet is geïnvesteerd, met name niet in nieuw personeel en dat [eiser] niet genoeg nieuwe markten heeft aangeboord. Vervolgens is vastgelegd dat [eiser] ten slotte inzag dat het geen zin had om vast te blijven houden aan zijn dienstverband en dat hij een onderlinge beëindiging daarvan voorstond. Daarop is hem een concept beëindigingovereenkomst, het zogenaamde Aufhebungsvertrag, overhandigd en is gesproken over een beëindigingsvergoeding. Weliswaar heeft [eiser] gesteld dat het opgemaakte Protokoll van 22 maart 2005 een onjuiste weergave is van hetgeen er in die vergadering is besproken, maar hij heeft niet aangegeven op welke punten het verslag dan onjuist zou zijn. Zelfs indien ervan moet worden uitgegaan dat het Protokoll naderhand is opgemaakt, hetgeen door [naam BV] is betwist, brengt dit, zonder nadere toelichting van de kant van [eiser], die ontbreekt, niet met zich dat het verslag inhoudelijk onjuist zou zijn en dat de aanleiding om hem te ontslaan nimmer met hem zou zijn besproken. Dit betekent dat ervan wordt uitgegaan dat [eiser] voorafgaande aan de vergadering van 14 april 2005 reeds op de hoogte was van de gronden voor het voorgenomen ontslag.
Het enkele feit dat die gronden niet zijn herhaald tijdens de vergadering van 14 april 2005, zoals tussen partijen vast staat, brengt onder deze omstandigheden niet met zich dat het genomen besluit zelf niet rechtsgeldig zou zijn.
Door [naam BV] wordt betwist dat [eiser] ter vergadering niet in de gelegenheid is gesteld zijn visie te geven omtrent het voorgenomen ontslag. Volgens haar kon [eiser] zijn mening kenbaar maken maar heeft hij daarvan afgezien omdat hij niet met modder wilde gooien. Zij verwijst daarvoor naar zowel de schriftelijke bevestiging van 15 april 2005 (r.o. 2.5.) als het verslag van die vergadering, het Protokoll, overgelegd als productie 6 bij conclusie van antwoord. Daarin staat, voor zover hier relevant:
“(...) Vor der Beschlussfassung über den heutigen Tagesordnungspunkt ist Herr [eiser] von der Vorsitzenden gefragt worden, ob er sich hierzu äußern wolle.
Herr [eiser] hat sich wie folgt geäußert:
Er moechte nicht mit Dreck werfen. Aber die Abfindung, die Haefele ihm angeboten habe,sei zu niedrig fuer die hollaendischen Verhaeltnisse. Deshalb muesse man nun vor Gericht gehen.
Herr [eiser] fragte nach den Gruenden der Entlassung. Frau [naam 1] antwortete, dass dies nicht Gegenstand der Versammlung sei. (...)”
[eiser] heeft niet betwist dat in het Protokoll is vastgelegd wat ter vergadering is besproken zodat ervan wordt uitgegaan dat [naam BV] [eiser] uitdrukkelijk heeft gevraagd te reageren op het voorgenomen ontslag. [eiser] heeft evenmin betwist dat hij heeft volstaan met op te merken dat hij niet met modder wilde gooien, zodat ook daarvan wordt uitgegaan. Anders dan [eiser], is de rechtbank op grond van die feiten en omstandigheden van oordeel dat [eiser] de gelegenheid is geboden zich te verweren tegen het voorgenomen ontslag maar dat hij er zelf voor heeft gekozen geen verweer te voeren. Aldus is niet gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 2:227 lid 4 BW. Dit betekent dat niet behoeft te worden ingegaan op de stelling van [eiser] dat sprake is van misbruik van bevoegdheid ex artikel 3:13 BW.
Vervolgens komt de vraag aan de orde of het besluit van de AVA buitengerechtelijk is vernietigd bij brieven van 20 april 2005 en 25 juli 2005 (r.o. 2.6. en
r.o. 2.7.). Vast staat dat [eiser] niet de vernietiging van het besluit van de AVA heeft verzocht op de voet van artikel 2:15 BW. Zelfs als de brieven van 20 april 2005 en 25 juli 2005 zouden moeten worden opgevat als een buitengerechtelijke vernietiging, heeft te gelden dat het besluit van de AVA op grond van het bepaalde in artikel 2:15 BW niet buitengerechtelijk kan worden vernietigd nu in lid 3 van dat artikel is bepaald dat vernietiging van een besluit dient te geschieden door een uitspraak van de rechtbank. Evenmin wordt [eiser] gevolgd in zijn stelling dat het besluit vernietigbaar is wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 2:8 BW. Ook hiervoor is immers noodzakelijk dat vernietiging geschiedt door een uitspraak van de rechtbank, terwijl overigens door [eiser] geen, dan wel onvoldoende, feiten en omstandigheden zijn gesteld die kunnen leiden tot de slotsom dat [naam BV] niet in redelijkheid en naar billijkheid tot dit besluit heeft kunnen komen. [eiser] heeft vervolgens nog bij conclusie van repliek van 23 augustus 2006 voor zover vereist de nietigheid van het ontslagbesluit ingeroepen. De bevoegdheid om vernietiging van het besluit te vorderen vervalt echter op grond van het bepaalde in artikel 2:15 lid 5 BW een jaar na het einde van de dag waarop aan het besluit voldoende bekendheid is gegeven, zijnde 15 april 2005.
Wat er ook zij van de gronden voor vernietiging en de wijze waarop het verzoek tot vernietiging is gedaan, vast staat dat [eiser] niet binnen de termijn van een jaar op juiste wijze de vernietiging van het besluit van de AVA heeft ingeroepen. Geoordeeld wordt dan ook dat het besluit rechtsgeldig tot stand is gekomen. Onder die omstandigheden wordt niet meer toegekomen aan de discussie tussen partijen over de status van de tweede vergadering van 16 november 2005 waarin nogmaals is besloten tot ontslag van [eiser] als statutair directeur voor zover het besluit van de AVA van 14 april 2005 aantastbaar zou zijn.
[naam BV] heeft bij dit besluit van de AVA [eiser] niet alleen met onmiddellijke ingang ontslagen als statutair bestuurder maar heeft eveneens de arbeidsovereenkomst met [eiser] opgezegd. In het Protokoll van 14 april 2005, van de inhoud waarvan hier wordt uitgegaan, staat immers:
“(...) Beschluss
Herr [eiser] wird mit sofortiger Wirkung in seiner Eigenschaft als
. satzungsgemäßer Direktor und als
. Direktor-Arbeitnehmer
entlassen.”
Anders dan [eiser] heeft betoogd, is hiermee eveneens een einde gekomen aan de arbeidsrechtelijke relatie tussen partijen. Ook overigens is het vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 15.4.2005, JAR 2005, 153 en HR 15.4.2005, JAR 2005, 117) dat de bepalingen 2:134 en 2:244 BW ertoe strekken te bewerkstelligen dat door een ontslagbesluit ook een einde wordt gemaakt aan de arbeidsrechtelijke verhouding, zodat een ontslagbesluit in beginsel tevens beëindiging van de dienstbetrekking van de bestuurder tot gevolg heeft. Voor een uitzondering is slechts plaats indien een wettelijk ontslagverbod aan die beëindiging in de weg staat of indien partijen anders zijn overeengekomen. [eiser] heeft gesteld dat zich hier een uitzondering voordoet, in die zin dat partijen een opzegtermijn van 12 maanden zijn overeengekomen maar dat [naam BV] in afwijking daarvan een opzegtermijn van twee maanden in acht heeft genomen. [eiser] wordt niet gevolgd in die stelling. Het niet in acht nemen van de juiste opzegtermijn heeft niet tot gevolg dat de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd maar heeft tot gevolg dat mogelijk sprake is van een onregelmatige opzegging als gevolg waarvan de werkgever schadeplichtig wordt. Dit betekent dat ook rechtsgeldig aan de arbeidsrechtelijke relatie tussen partijen een einde is gekomen, zodat de primaire vordering in al haar onderdelen zal worden afgewezen.
Subsidiair heeft [eiser] gesteld dat sprake is van kennelijk onredelijk ontslag ex artikel 7:681 BW. Voor zover [eiser] heeft bedoeld daaraan de wijze van opzegging ten grondslag te leggen, wordt die stelling verworpen nu hiervoor reeds is geoordeeld dat [naam BV] [eiser] voorafgaand aan de vergadering van 14 april 2005 op de hoogte heeft gebracht van de ontslaggronden, hij tijdig een oproep heeft gekregen voor die vergadering en tijdens die vergadering in de gelegenheid is gesteld tegen het voorgenomen ontslagbesluit verweer te voeren. Aldus is van kennelijke onredelijkheid geen sprake.
Vervolgens heeft [eiser] betoogd dat sprake is van kennelijk onredelijk ontslag omdat [naam BV] de contractuele opzegtermijn niet in acht heeft genomen. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan een onregelmatige opzegging kennelijk onredelijk zijn. Vast staat dat [naam BV] de dienstbetrekking met onmiddellijke ingang heeft beëindigd en
aanvankelijk als schadeloosstelling heeft betaald het salaris ter hoogte van twee bruto maandsalarissen.
Nadat [naam BV] in kort geding door de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem in reconventie was veroordeeld tot betaling van tien bruto maandsalarissen als voorschot op de schadevergoeding uit hoofde van onregelmatige opzegging, heeft zij alsnog een bedrag van € 48.400,-- aan [eiser] betaald.
[naam BV] heeft als verweer opgeworpen dat artikel 14 van de arbeidsovereenkomst een nietige bepaling is als gevolg waarvan de wettelijke opzegtermijn ex artikel 7:672 lid 2 BW geldt, welke termijn uitkomt op twee maanden. Ofschoon zij niet heeft geappelleerd tegen het vonnis van de voorzieningenrechter, houdt zij vast aan dit verweer en meent zij dat sprake is van onverschuldigde betaling van het bedrag van € 48.400,--.
Dit verweer wordt verworpen. In artikel 7:672 lid 6 BW is bepaald dat de termijn van opzegging voor de werknemer bij verlenging niet langer mag zijn dan zes maanden en voor de werkgever niet korter dan het dubbele van die voor de werknemer. De in de arbeidsovereenkomst opgenomen bepaling dat de wederzijdse opzegtermijn twaalf maanden bedraagt, is derhalve in beginsel nietig. Evenwel wordt geoordeeld dat lid 6 van artikel 7:672 BW is bedoeld om de werknemer te beschermen. Op grond van het bepaalde in artikel 3:40 BW komt alleen de werknemer de bevoegdheid toe om de nietigheid van een daarmee strijdige bepaling in te roepen. [eiser] heeft de nietigheid van artikel 14 van de arbeidsovereenkomst niet ingeroepen, zodat [naam BV] gebonden is aan de contractuele opzegtermijn van twaalf maanden.
[eiser] heeft er op gewezen dat [naam BV] bij de uiteindelijke betaling van het loon over de contractuele opzegtermijn niet de vakantiebijslag van 8% heeft betrokken, zodat hem nog een bedrag van € 4.646,40 toekomt uit dien hoofde. [naam BV] is hier niet op ingegaan anders dan dat zij heeft gesteld dat bij een opzegtermijn een vergoeding van tien maandsalarissen volstaat. Nu vast staat dat [naam BV] slechts het bruto salaris over de opzegtermijn heeft voldaan, ligt het bedrag van € 4.646,40 voor toewijzing gereed. Overigens was dit blijkens de brief van 15 april 2005 destijds door [naam BV] aan [eiser] aangeboden als ontslagvergoeding.
Nu [naam BV] na het kort geding vonnis de contractuele opzegtermijn in acht geeft genomen, in die zin dat zij het salaris van [eiser] over die periode heeft voldaan, is de grond voor een eventueel kennelijk onredelijk ontslag uit hoofde van een onregelmatig ontslag weggenomen.
[eiser] heeft vervolgens gesteld dat het ontslagbesluit is gebaseerd op voorgewende redenen en op die grond kennelijk onredelijk is. Van een kennelijk onredelijk ontslag wegens een voorgewende reden is slechts sprake indien de aangedragen ontslaggronden in werkelijkheid niet de redenen vormden voor het ontslag teneinde de werkelijke ontslaggrond te verbloemen. Met het woord “kennelijk” wordt aangegeven dat de onredelijkheid voor een ieder duidelijk moet zijn. Bij de beoordeling van de vraag of het gegeven ontslag kennelijk onredelijk is, moeten alle aangevoerde en juist bevonden omstandigheden tezamen en in onderling verband beschouwd, in aanmerking worden genomen. Volgens vaste jurisprudentie moet de kennelijke onredelijkheid worden gesteld en zonodig worden bewezen door de werknemer.
Volgens het Protokoll van 22 maart 2005 in samenhang met de bevestigingsbrief van 15 april 2005 lagen aan het ontslag ten grondslag de volgende redenen: teruglopende omzet, onvoldoende investering in nieuw personeel of het aanboren van nieuwe markten en nieuwe klanten. Weliswaar wordt in de brief van 15 april 2005 eveneens als grond aangevoerd dat onvrede is ontstaan bij de werknemers over het beloningssysteem, maar die grond is niet vermeld in het Protokoll van 22 maart 2005, zodat ervan wordt uitgegaan dat deze grond niet voorafgaand aan het ontslag is besproken met [eiser] als één van de ontslaggronden.
[eiser] heeft gesteld dat de terugval van de omzet te maken heeft met het door zijn voorganger, de heer [naam 3], verbreken van de relatie met [naam 4], importeur van Blum Benelux, als gevolg waarvan [naam BV] in 2000 ruim ƒ 1.000.000,-- op haar omzet heeft verloren. [naam 4] heeft in 1999 een Nederlandse organisatie opgezet waarna personeel en klanten van [naam BV] werden weggekaapt. Daarnaast voert [eiser] aan dat de huidige conjuncturele problemen de oorzaak zijn van de omzetdaling. De sector interieurbouw, een belangrijke sector voor [naam BV], is volgens hem door de tegenvallende economie en structurele problemen in de sector woningbouw in de malaise geraakt.
[naam BV] heeft erkend dat als gevolg van de beëindiging van de relatie met de firma [naam 4] in 1999 de omzet is gedaald met ongeveer € 500.000,--. Zij heeft [eiser] echter verweten dat hij niet in staat is geweest om nieuwe markten aan te boren om dit verlies te compenseren. In het jaar 2005 is sprake geweest van omzetverlies, aldus [naam BV], terwijl eerder omzetverlies bijna goed gemaakt was. Onder de leiding van [eiser] is volgens [naam BV] de onderneming juist afgegleden. [eiser] wordt verweten dat hij geen initiatief heeft getoond om dit te keren, noodzakelijke investeringen achterwege heeft gelaten en niet ambitieus genoeg was in zijn plannen.
Door [eiser] is niet betwist dat de omzet dalende was, terwijl die trend eerder bijna ten goede was gekeerd. Hij heeft voorts niet betwist dat hij geen investeringen heeft gepleegd zoals het aantrekken van nieuw en jong personeel maar heeft erkend dat hij in 2005 behoudend heeft gepland, zodat daarvan wordt uitgegaan. [eiser] heeft weliswaar gesteld dat hij nieuwe markten en nieuwe klanten heeft aangeboord met behulp van een speciaal daartoe opgericht team maar heeft die stelling onvoldoende nader met feiten en omstandigheden onderbouwd om te kunnen leiden tot de gevolgtrekking dat deze ontslaggrond onjuist is. Hetzelfde geldt met betrekking tot zijn stelling dat hij in 2002 voor een bedrag van € 127.129,-- heeft geïnvesteerd, in het jaar 2003 voor een bedrag van
€ 29.829,-- en in het jaar 2004 weer voor een bedrag van € 193.861,--. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, tonen die cijfers niet zonder meer aan dat noodzakelijke investeringen zijn gepleegd. Dit klemt temeer nu [naam BV] daar tegen in heeft gebracht dat weliswaar in bedrijfsmiddelen is geïnvesteerd maar juist niet, zoals door haar werd voorgestaan, in personeel. Volgens haar heeft [eiser] ten onrechte bezuinigd op het aantrekken van jong en nieuw personeel om de omzet te vergroten.
Het enkele feit dat [naam BV] de triple A status heeft gekregen, zoals [eiser] nog aanvoert, zegt niets over initiatieven om de omzet omhoog te krijgen door investeringen te plegen. Voor zover [eiser] nog stelt dat hij ten behoeve van de jachtbouw een innovatief product heeft ontwikkeld, heeft hij niet gesteld dat dit product ook heeft geleid tot het aanboren van nieuwe markten of het benaderen van nieuwe klanten. Of deze ontwikkeling als een investering moet worden beschouwd waarom [naam BV] verzocht, is dus, zonder nadere toelichting van [eiser] die ontbreekt, niet duidelijk.
[eiser] heeft aldus onvoldoende gemotiveerd gesteld dat de genoemde gronden voor het ontslag niet bestonden. Hij heeft bovendien niet gesteld welke reden [naam BV] dan wel had om hem te ontslaan. Door [eiser] zijn nog argumenten aangevoerd waaruit zou blijken dat hij juist goed heeft gepresteerd en heeft gefunctioneerd, zoals zijn waardevolle adviezen aan andere dochtermaatschappijen van de holding en de goede verstandhouding tussen hem en [naam 1]. Zelfs als ervan wordt uitgegaan dat die stellingen juist zijn, doet dit niet af aan de constatering dat onvoldoende is gesteld om te kunnen concluderen dat sprake is van voorgewende ontslaggronden als gevolg waarvan het ontslag kennelijk onredelijk is.
[eiser] heeft ten slotte betoogd dat het ontslag kennelijk onredelijk is vanwege de gevolgen voor hem. Er zijn geen voorzieningen getroffen voor hem, aldus [eiser], terwijl het niet waarschijnlijk is dat hij binnen afzienbare termijn passende arbeid zal vinden.
De vraag of – in de zin van artikel 7:681 lid 2 sub b BW – mede in aanmerking genomen de voor de werknemer getroffen voorzieningen en de voor hem bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, de gevolgen van de opzegging voor de werknemer te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging, dient te worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval.
Voorop staat dat [eiser] ten tijde van het ontslag 44 jaar oud was, een leeftijd waarop het niet extra problematisch is om ander passend werk te vinden. Met betrekking tot de mogelijkheden van [eiser] om ander passend werk te vinden heeft hij aangevoerd dat hij niet snel ander werk zal kunnen vinden gelet op de huidige economische omstandigheden, de door hem opgedane specialistische werkervaring in relatie tot de beperkte omvang van de bedrijfstak, het concurrentiebeding en de negatieve publiciteit rond het gegeven ontslag. [naam BV] heeft betwist dat [eiser] niet snel ander passend werk kan vinden. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de opleiding en werkervaring voor [eiser] voldoende waren, dat hij juist goede mogelijkheden had voor andere functies omdat hij enige jaren directeur is geweest, dat hij nooit heeft gevraagd om matiging van het concurrentiebeding en dat [naam BV] geen negatieve publiciteit heeft gegeven aan de beëindiging van de relatie met [eiser]. [eiser] is hier niet meer op ingegaan. Aldus heeft [eiser] onvoldoende gesteld dat voor hem de gevolgen van de opzegging in het kader van zijn mogelijkheden om ander passend werk te vinden te ernstig zijn in vergelijking met het belang dat [naam BV] had bij de opzegging.
Voor zover [eiser] nog heeft bedoeld te stellen dat de gevolgen voor hem te ernstig zijn omdat ten onrechte door [naam BV] geen vergoeding conform de zogenaamde Kantonrechtersformule is voldaan, heeft het volgende te gelden. Voorop staat dat het enkele feit dat geen of een geringe vergoeding betaalbaar wordt gesteld door een werkgever, niet zonder meer met zich brengt dat het gegeven ontslag kennelijk onredelijk is. In dit geval is overigens door [naam BV] – zij het eerst na het voeren van een kort geding procedure – een vergoeding betaald ter grootte van twaalf bruto maandsalarissen. Aldus is rekening gehouden met de gevolgen van het ontslag voor [eiser] en is ook op die grond geen sprake van een kennelijk onredelijk ontslag.
Nu geoordeeld is dat het ontslag niet kennelijk onredelijk is, wordt niet toegekomen aan de discussie tussen partijen over de toepasselijkheid van Kantonrechtersformule naast het in acht nemen van de contractuele opzegtermijn. Dit betekent dat de subsidiaire vordering sub 1 voor afwijzing gereed ligt.
Ten aanzien van de subsidiaire vordering sub 2 zal [naam BV] worden veroordeeld tot betaling van het bedrag van € 4.646,40 aan niet-betaalde vakantiebijslag over het salaris gedurende de contractuele opzegtermijn, zoals in rechtsoverweging 5.15. is beslist.
Ten slotte heeft [eiser] gevorderd betaling van de aan hem toekomende tantième over 2005 volgens de ter zake vast door [naam BV] gehanteerde werkwijze, uitgaande van winst voor belasting. Hij heeft er op gewezen dat een wezenlijk onderdeel van zijn salaris bestond uit winst afhankelijke tantième. De hoogte van de tantième is hem niet bekend gemaakt en deze is ten onrechte niet aan hem betaald.
[naam BV] heeft als verweer opgeworpen dat op basis van het bepaalde in artikel 14 van de arbeidsovereenkomst geen recht bestaat op een tantième en dat dit recht ook niet bestaat tot de datum van 14 april 2005 omdat toen reeds definitief is besloten dat hij ontslagen werd op basis van zijn functioneren. De regeling is bovendien niet bedoeld voor een werknemer zoals [eiser], die niet herinvesteerde met als gevolg dat zijn tantième door die manipulatie hoger werd.
[eiser] heeft niet meer gereageerd op dit verweer van [naam BV].
In artikel 5 van de arbeidsovereenkomst is, kort samengevat, bepaald dat [eiser] een jaarlijkse tantième toekomt van 5% van de winst voor belasting. Door [naam BV] is niet betwist dat een substantieel deel van het salaris van [eiser] bestond uit de jaarlijkse, van de winst afhankelijke, tantième. In artikel 14 van de arbeidsovereenkomst is bepaald dat [naam BV] tijdens de opzegtermijn gerechtigd is [eiser] vrij te stellen van het verrichten van werkzaamheden, dat hij in dat geval alleen aanspraak heeft op zijn maandelijkse basissalaris vermeerderd met 8% vakantiebijslag, maar dat een tantième over die periode niet wordt verschaft. Dat betekent dat [eiser] geen aanspraak kan maken op de tantième over de periode van de opzegtermijn. Door [naam BV] is echter niet voldoende gemotiveerd betwist dat [eiser] tantième zou toekomen over de maanden dat hij nog in dienst was en werkzaamheden verrichtte, dus over de periode januari tot 14 april 2005. Indien en voor zover [naam BV] met een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid zou hebben willen betogen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [eiser] aanspraak kan maken op de tantième over de maanden voorafgaand aan het ontslagbesluit omdat hij zijn tantième zou hebben opgeschroefd door niet dan wel onvoldoende te investeren, heeft zij daarvoor in het licht van de terughoudendheid die bij toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid door de rechter dient te worden betracht, onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld. Het gevorderde subsidiair sub 3 zal dan ook worden toegewezen naar rato van het aantal maanden dat [eiser] tot zijn ontslag van 14 april 2005 heeft gewerkt.
Bij conclusie van dupliek heeft [naam BV] zich verzet tegen de gevraagde uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Gelet op het feit dat de primaire vordering zal worden afgewezen en de subsidaire vordering slechts ten dele zal worden toegewezen,
heeft [naam BV] geen belang meer bij haar verzoek om niet tot uitvoerbaarverklaring van dit vonnis over te gaan. Ook overigens heeft zij onvoldoende gesteld om dat verzoek te honoreren. Het vonnis zal derhalve uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
Nu partijen over en weer op onderdelen in het (on)gelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
6 De beslissing
De rechtbank
veroordeelt [naam BV] om binnen acht dagen na betekening van dit vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van € 4.646,40;
veroordeelt [naam BV] om binnen acht dagen na betekening van dit vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen het aan [eiser] toekomende bedrag aan tantième uitgaande van 5% winst voor belasting over het jaar 2005 naar rato van het aantal maanden dat [eiser] heeft gewerkt tot 14 april 2005;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.H.A. Heenk en in het openbaar uitgesproken op
13 december 2006.?