Strafrecht overig

2 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf van 240 uur voor het ten behoeve van de handel in…

Rechtbank Zutphen, 15 februari 2006

Zaakgegevens

Op 15 februari 2006 heeft de Rechtbank Zutphen in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
15 februari 2006
Datum publicatie
4 april 2013
Zaaknummer
06/437628-05
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBZUT:2006:AV1946
E-mail

Samenvatting

2 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf van 240 uur voor het ten behoeve van de handel in voorraad hebben van illegaal vuurwerk

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Meervoudige economische kamer

Parketnummer: 06/437628-05

Uitspraak d.d.: 15 februari 2006

Tegenspraak / dnip

VERKORT VONNIS

in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [plaats] op [geboortedatum],

wonende te [postcode] [plaats], [adres]

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 februari 2006.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 3 november 2004, in de gemeente Putten, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk, consumentenvuurwerk, te weten 35, althans een aantal Fonteinen, 7280, althans een aantal rotjes, 1420, althans een aantal stijkers, 61, althans een aantal Chinese rollen (100.000 shots), 13, althans een aantal flowerbeds, 8, althans een aantal Romeinse Kaarsen, 1 Ratelband (500 shots) 786, althans een aantal vuurpijlen, 25, althans een aantal mortierbommen en/of 71, althans een aantal zonnewielen, voorhanden heeft gehad, ten aanzien waarvan niet werd voldaan aan de bij het Vuurwerkbesluit gestelde eisen of de ter uitwerking van voornoemd besluit krachtens artikel 24, derde lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen gestelde regels, immers was voornoemd vuurwerk niet voorzien van:

a. de aanduiding: "Geschikt voor particulier gebruik";

en/of

b. een gebruiksaanwijzing met zodanige aanwijzingen en/of waarschuwingen dat

bij het dienovereenkomstig handelen geen letsel of schade bij de gebruiker

en/of omstanders kon ontstaan;

art 1.2.2 lid 1 ahf/ond a Vuurwerkbesluit

art 2.1.3 lid 1 Vuurwerkbesluit

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat: hij op 3 november 2004, in de gemeente Putten, opzettelijk consumentenvuurwerk, te weten 35 Fonteinen, 7280 rotjes, een aantal strijkers, 61 Chinese rollen (100.000 shots), 13 flowerbeds, 8 Romeinse Kaarsen, 1 Ratelband (500 shots), 786 vuurpijlen en 71 zonnewielen, voorhanden heeft gehad, ten aanzien waarvan niet werd voldaan aan de bij het Vuurwerkbesluit gestelde eisen of de ter uitwerking van voornoemd besluit krachtens artikel 24, derde lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen gestelde regels, immers was voornoemd vuurwerk niet voorzien van:

a. de aanduiding: "Geschikt voor particulier gebruik";

en/of

b. een gebruiksaanwijzing met zodanige aanwijzingen en/of waarschuwingen dat

bij het dienovereenkomstig handelen geen letsel of schade bij de gebruiker

en/of omstanders kon ontstaan;

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

Wat meer of anders is ten las-te gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op het misdrijf:

Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 24, eerste lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen, opzettelijk begaan.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I).

Gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank een gevangenisstraf met daarnaast een taakstraf als na te melden - met welke strafmodaliteit verdachte heeft ingestemd - op zijn plaats. Bedoelde taakstraf zal moeten worden verricht op een projectplaats als opgenomen in de door de Stichting Reclassering Nederland gehanteerde lijst van projectplaatsen.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte vanwege het geldelijk gewin een grote hoeveelheid illegaal en ten dele zeer krachtig vuurwerk voor handen heeft gehad, terwijl algemeen bekend is dat het gebruik van zodanig vuurwerk zeer ernstige risico’s pleegt op te leveren. Die risico’s zijn er niet alleen voor degene die het vuurwerk afsteekt, maar ook voor niets vermoedende omstanders.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 91 van het Wetboek van Strafrecht;

- 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;

- 24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen;

- 1.2.2 en 2.1.3 van het Vuurwerkbesluit.

BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.

Bepaalt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot de navolgende taakstraf, te weten:

een werkstraf gedurende 240 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen.

Aldus gewezen door mrs. Lagarde, voorzitter, Borgerhoff Mulder en Elders, rechters, in tegenwoordigheid van Jansen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van

15 februari 2006.