Strafrecht overig

De rechtbank veroordeelt een inwoner van Wezep tot 15 maanden gevangenisstraf, waarvan 5 maanden…

Rechtbank Zutphen, 1 november 2006

Zaakgegevens

Op 1 november 2006 heeft de Rechtbank Zutphen in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
1 november 2006
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
06/920021-05
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBZUT:2006:AZ1335
E-mail

Samenvatting

De rechtbank veroordeelt een inwoner van Wezep tot 15 maanden gevangenisstraf, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, voor het op 2 verschillende locaties voorhanden hebben van grote partijen illegaal vuurwerk.

De vordering tot ontneming van het wederrechtelijk voordeel zal op 20 december aanstaande inhoudelijk behandeld worden.

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Economische kamer

Parketnummer(s): 06/920021-05

Uitspraak d.d.: 1 november 2006

Tegenspraak/ dip

VERKORT VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 oktober 2006.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 06 december 2005, te Hattemerbroek, gemeente Oldebroek,

samen en in vereniging met anderen of een ander dan wel alleen, al dan niet

opzettelijk, consumentenvuurwerk, te weten

314, althans een aantal flowerbeds,

176, althans een aantal Romeinse kaarsen,

15, althans een aantal vuurpijlen

en/of

36, althans een aantal Mortier en/of mortierbommen,

voorhanden heeft gehad, ten aanzien waarvan niet werd voldaan aan de bij het

Vuurwerkbesluit gestelde eisen of de ter uitwerking van voornoemd besluit

krachtens artikel 24, derde lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen gestelde

regels, immers was voornoemd vuurwerk niet voorzien van:

a. de aanduiding: "Geschikt voor particulier gebruik";

b. een gebruiksaanwijzing met zodanige aanwijzingen en/of waarschuwingen dat

bij het dienovereenkomstig handelen geen letsel of schade bij de gebruiker

en/of omstanders kon ontstaan,

en/of

a. had (een deel van) voornoemd vuurwerk een zodanige constructie, was (een

deel van) voornoemd vuurwerk zodanig vervaardigd en/of verkeerde (een deel

van) voornoemd vuurwerk in een zodanige staat,

b. was (een deel van) voornoemd vuurwerk, wat aard, samenstelling en overige

eigenschappen van het materiaal betreft, zodanig, en

c. functioneerde (een deel van) voornoemd vuurwerk zodanig,

dat bij gebruik niet overeenkomstig de gebruiksaanwijzing van dat vuurwerk

letsel of schade kon ontstaan;

art 1.2.2 lid 1 ahf/ond a Vuurwerkbesluit

art 2.1.3 lid 1 Vuurwerkbesluit

2.

hij op of omstreeks 7 december 2005, te Wier, gemeente Menaldumadeel, samen

en in vereniging met anderen of een ander dan wel alleen, al dan niet opzettelijk, consumentenvuurwerk, te weten

3000, althans een aantal vuurpijlen,

540, althans een aantal mortieren

en/of

1724, althans een aantal flowerbeds, voorhanden heeft gehad, ten aanzien

waarvan niet werd voldaan aan de bij het Vuurwerkbesluit gestelde eisen of de

ter uitwerking van voornoemd besluit krachtens artikel 24, derde lid, van de

Wet milieugevaarlijke stoffen gestelde regels, immers was voornoemd vuurwerk

niet voorzien van:

a. de aanduiding: "Geschikt voor particulier gebruik";

b. een gebruiksaanwijzing met zodanige aanwijzingen en/of waarschuwingen dat

bij het dienovereenkomstig handelen geen letsel of schade bij de gebruiker

en/of omstanders kon ontstaan,

en/of

a. had (een deel van) voornoemd vuurwerk een zodanige constructie, was (een

deel van) voornoemd vuurwerk zodanig vervaardigd en/of verkeerde (een deel

van) voornoemd vuurwerk in een zodanige staat,

b. was (een deel van) voornoemd vuurwerk, wat aard, samenstelling en overige

eigenschappen van het materiaal betreft, zodanig, en

c. functioneerde (een deel van) voornoemd vuurwerk zodanig,

dat bij gebruik niet overeenkomstig de gebruiksaanwijzing van dat vuurwerk

letsel of schade kon ontstaan

art 1.2.2 lid 1 ahf/ond a Vuurwerkbesluit

art 2.1.3 lid 1 Vuurwerkbesluit

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op 6 december 2005, te Hattemerbroek, gemeente Oldebroek, samen en in vereniging met anderen, opzettelijk, consumentenvuurwerk, te weten:

314 flowerbeds, 176 Romeinse kaarsen, 15 vuurpijlen en 36 mortierbommen,

voorhanden heeft gehad, ten aanzien waarvan niet werd voldaan aan de bij het

Vuurwerkbesluit gestelde eisen of de ter uitwerking van voornoemd besluit

krachtens artikel 24, derde lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen gestelde

regels, immers was voornoemd vuurwerk niet voorzien van:

a. de aanduiding: "Geschikt voor particulier gebruik";

b. een gebruiksaanwijzing met zodanige aanwijzingen en/of waarschuwingen dat

bij het dienovereenkomstig handelen geen letsel of schade bij de gebruiker

en/of omstanders kon ontstaan;

2.

hij omstreeks 7 december 2005, te Wier, gemeente Menaldumadeel, samen

en in vereniging met een ander, opzettelijk, consumentenvuurwerk, te weten 3000 vuurpijlen, 540 mortieren en 1715 flowerbeds, voorhanden heeft gehad, ten aanzien waarvan niet werd voldaan aan de bij het Vuurwerkbesluit gestelde eisen of de ter uitwerking van voornoemd besluit krachtens artikel 24, derde lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen gestelde regels, immers was voornoemd vuurwerk niet voorzien van:

a. de aanduiding: "Geschikt voor particulier gebruik";

b. een gebruiksaanwijzing met zodanige aanwijzingen en/of waarschuwingen dat

bij het dienovereenkomstig handelen geen letsel of schade bij de gebruiker

en/of omstanders kon ontstaan.

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

Wat meer of anders is ten las-te gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

1 en 2 telkens:

medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 24, eerste lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen, opzettelijk begaan.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I).

De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden – dat verdachte en zijn mededader(s) vanwege geldelijk gewin grote hoeveelheden illegaal en zeer krachtig vuurwerk voorhanden hebben gehad. Het is algemeen bekend dat het gebruik van zodanig vuurwerk zeer ernstige risico’s pleegt op te leveren. Die risico’s zijn er niet alleen voor degene die het vuurwerk afsteekt, maar ook voor niets vermoedende omstanders.

De rechtbank houdt er daarbij ook rekening mee dat verdachte eerder met politie en justitie in aanraking is geweest en is veroordeeld terzake van vuurwerkdelicten.

Ad informandum gevoegde zaak

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen het ter kennisneming gevoegde feit, bekend onder parketnummer 06/920021-05.

Verdachte heeft bekend dat feit te hebben begaan en de officier van justitie heeft toegezegd dat voor dat feit geen verdere strafvervolging zal volgen.

In beslag genomen voorwerpen

Nu er geen strafvorderlijk belang meer aanwezig is dat zich daartegen verzet, zal de teruggave worden gelast van de in beslaggenomen documenten aan de veroordeelde.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen:

- 10, 14a, 14b, 14c, 27, 47, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht;

- 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;

- 24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen;

- 1.2.2 en 2.1.3 van het Vuurwerkbesluit.

Beslissing

De rechtbank beslist als volgt.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden.

Bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 5 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Gelast de teruggave van de in beslaggenomen documenten aan veroordeelde.

Aldus gewezen door mrs. Borgerhoff Mulder, voorzitter, Van Hoorn en Hemrica, rechters,

in tegenwoordigheid van Jansen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van

1 november 2006.