Socialezekerheidsrecht
De Raad wijst het verzoek om herziening af. Geen nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119 Awb.
ECLI:NL:CRVB:2026:1024 · Centrale Raad van Beroep · 6 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/herziening/ecli-nl-crvb-2026-1024
Zaakgegevens
Op 6 augustus 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in een herzieningsprocedure uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 6 augustus 2026
- Datum publicatie
- 7 augustus 2026
- Zaaknummer
- 26/176 WAO
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- HerzieningHerzieningEen onherroepelijke uitspraak wordt opnieuw bekeken, omdat er nieuwe feiten zijn die de rechter niet kende.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:1024
Samenvatting
De Raad wijst het verzoek om herziening af. Geen nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119 Awb.
Uitspraak
Inhoudsopgave
26/176 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 24 november 2025, CRvB 24 / 2516 WAO-V (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 6 augustus 2026
SAMENVATTING
In deze zaak gaat het om een verzoek om herziening van een uitspraak van de Raad. Wat verzoeker heeft aangevoerd is niet voldoende om het bijzondere rechtsmiddel van herziening toe te passen. De Raad wijst het verzoek daarom af.
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 24 november 2025.
Het Uwv heeft een schriftelijke reactie op het verzoek gegeven.
Verzoeker heeft een nader stuk ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak ter behandeling aan de orde gesteld op een zitting van 25 juni 2026. Partijen zijn niet verschenen.
OVERWEGINGEN
Inleiding
Uitspraak van de Raad
1. De Raad heeft in de uitspraak van 24 november 2025 het verzet ongegrond verklaard tegen een eerdere uitspraak van de Raad van 7 mei 2025. In de laatstgenoemde uitspraak is het hoger beroep tegen de hiervoor genoemde uitspraak van de rechtbank Amsterdam nietontvankelijk verklaard, omdat verzoeker te laat hoger beroep had ingesteld. Inhoudelijk ging de zaak bij de rechtbank over de weigering van toekenning een uitkering op grond van de WAO.
Standpunt van verzoeker
2. Verzoeker heeft in het verzoek aangevoerd dat hij het hoger-beroepschrift tijdig had ingediend en de griffierechtkosten tijdig had betaald. Verzoeker betwist de beslissing omdat de zaak inhoudelijk is behandeld zonder dat hij op de hoogte is gesteld over de reden hiervan. Verzoeker heeft ook verzocht om het dossier opnieuw te bestuderen en een nieuw gunstig besluit te nemen.
Standpunt van het Uwv
3. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek moet worden afgewezen.
Het oordeel van de Raad
4. Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
-
hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
-
de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en;
-
waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
Het is vaste rechtspraak van de Raad dat het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet gegeven is om, anders dan op grond van enig nieuw feit of omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie te voeren over de betrokken zaak en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen.
Verzoeker heeft in zijn verzoek geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb aangevoerd, dat wil zeggen feiten of omstandigheden die hem vóór de uitspraak van 24 november 2025, niet bekend waren en hem voorafgaand aan die uitspraak ook niet redelijkerwijs bekend hadden kunnen zijn. Er is dus niet voldaan aan de voorwaarden voor herziening.
Het verzoek komt erop neer dat verzoeker in feite een (hernieuwde) discussie wil voeren over de inhoud van de zaak en de juistheid van de uitspraken van de Raad van 7 mei 2025 en 24 november 2025. Zoals hiervoor is overwogen is het middel van herziening daarvoor niet bedoeld. Wat verzoeker heeft aangevoerd leidt daarom niet tot herziening van de uitspraak.
Conclusie en gevolgen
5. Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om herziening wordt afgewezen. Dit betekent dat de uitspraak van de Raad van 24 november 2025 in stand blijft.
Omdat het verzoek wordt afgewezen krijgt verzoeker geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2026.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) M.G.J. van Eck
DÉCISION
La Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale);
statue:
Rejète la demande de révision.
Par conséquent, décidée par H.G. Rottier comme membre, en présence de M.G.J. van Eck en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 6 août 2026.
(signé) H.G. Rottier
(signé) M.G.J. van Eck