Socialezekerheidsrecht

Bij een nieuwe aanvraag om een bijstandsuitkering of bij een voor de toepassing van de ABW relevante…

Centrale Raad van Beroep, 25 mei 1998

Zaakgegevens

Op 25 mei 1998 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25 mei 1998
Datum publicatie
8 april 2013
Zaaknummer
97/5165 ABW
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7979
E-mail

Samenvatting

Bij een nieuwe aanvraag om een bijstandsuitkering of bij een voor de toepassing van de ABW relevante wijziging in de omstandigheden dient het in het in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de ABW in verbinding met artikel 8 van het Bijstandsbesluit landelijke normering bedoelde vrij te laten bescheiden vermogen opnieuw te worden vastgesteld.

Uitspraak

97/5165 ABW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[A.], wonende te [B.], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente

Enschede, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Als gemachtigde van appellante heeft mr N.M.H. Neijsen,

verbonden aan het Buro voor Rechtshulp te Enschede, op de bij

beroepschrift uiteengezette gronden hoger beroep ingesteld

tegen de door de Arrondissementsrechtbank te Almelo onder

dagtekening 29 april 1997 tussen partijen gewezen uitspraak,

waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft d.d. 29 oktober 1997 een verweerschrift

ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 14 juli 1998, waar

appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr

Neijsen, voornoemd, terwijl gedaagde zich heeft doen

vertegenwoordigen door C. Jeurink, werkzaam bij de gemeente

Enschede.

II. MOTIVERING

Met ingang van 1 januari 1996 is de Algemene Bijstandswet (ABW)

ingetrokken en zijn de Algemene bijstandswet en de

Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet in werking

getreden.

Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld

aan de hand van de ABW en de daarop berustende bepalingen zoals

die luidden ten tijde als hier van belang.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante, geboren in 1940, heeft een studerende dochter, C.,

die in 1977 is geboren.

Appellante ontvangt sedert 1980 een uitkering ingevolge de ABW.

Begin 1995 heeft appellante een erfenis ontvangen in verband

waarmee gedaagde bij besluit van 7 maart 1995 de uitkering van

appellante met ingang van 1 februari 1995 heeft beëindigd. Hij

heeft daarbij overwogen dat het vermogen van appellante ten

bedrage van f 47.313,88 het in artikel 7, eerste lid, aanhef en

onder b, van de ABW bedoelde vrij te laten bescheiden vermogen

van f 18.400,-- overtreft. Bij dat besluit is voorts aan

appellante medegedeeld dat zij omstreeks 22 december 1995

opnieuw een aanvraag om bijstand kan indienen indien zij dan

niet zou kunnen voorzien in de algemeen noodzakelijke kosten

van het bestaan.

Eind december 1995 heeft appellante gedaagde verzocht om haar

wederom een uitkering ingevolge de ABW toe te kennen.

Die aanvraag is bij primair besluit van 22 januari 1996

afgewezen op de grond dat het vermogen van appellante ten

bedrage van f 21.034,34 het vrij te laten bescheiden vermogen

met f 11.834,34 overtreft. Daarbij is overwogen dat appellante

voor de toepassing van de ABW als een alleenstaande wordt

aangemerkt sedert haar dochter Irene, voornoemd, de leeftijd

van 18 jaren heeft bereikt, zodat het vrij te laten bescheiden

vermogen f 9.200,-- bedraagt.

Het door appellante tegen het primaire besluit ingediende

bezwaarschrift, dat zich richtte tegen de vaststelling van het

vrij te laten bescheiden vermogen op een bedrag van f 9.200,--,

is door gedaagde bij het bestreden besluit van 15 juli 1996

ongegrond verklaard. Hij heeft daartoe onder andere het

volgende overwogen:

"Naar aanleiding van de door u op 27-12-1995

ingediende aanvraag werd door de sociale dienst een

nieuw onderzoek ingesteld. U bleek nog te beschikken

over een vermogen ad f 21.034,34. Geconcludeerd werd

dat, nu uw dochter op 20-12-1995 de leeftijd van 18

jaar had bereikt, u voor de ABW niet meer aangemerkt

kon worden als één-ouder gezin maar als

alleenstaande. Derhalve werd dan ook voor een

vermogensvaststelling uitgegaan van het lagere

bedrag voor het vrij te laten vermogen ad

f 9.200,--.

Echter, ingevolge het bepaalde in de Wet

Studiefinanciering, gaat een eventuele studiebeurs

eerst in het kwartaal, na het kwartaal waarin de

betrokkene 18 jaar is geworden, in casu 01-01-1996.

Tot en met 31-12-1995 behield u dan ook uw recht op

kinderbijslag voor de bij u inwonende en ten laste

van u komende dochter. Derhalve diende bij de

behandeling van de aanvraag d.d. 27-12-1995, tot

01-01-1996 qua vrij te laten vermogen te worden

uitgegaan van f 18.400,--. Na 01-01-1996 gold echter

wel het lagere bedrag ad f 9.200,-- (na indexering f

9.300,--).

De feitelijke aanwezigheid van een saldo ad

f 21.034,34 overtrof echter ook voornoemd (hogere)

bescheiden vermogen hetgeen betekent dat er geen

recht op ABW bestond.".

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het

bestreden besluit van 15 juli 1996 ingestelde beroep ongegrond

verklaard.

Appellante heeft in hoger beroep, evenals in eerste aanleg,

betoogd dat het in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b,

van de ABW bedoelde vrij te laten bescheiden vermogen slechts

éénmaal dient te worden vastgesteld en wel op het moment van

de aanvraag dan wel, zoals in haar geval, op het moment van

overschrijding daarvan. Aangezien het vrij te laten bescheiden

vermogen bij het besluit van 7 maart 1995 op f 18.400,-- is

vastgesteld, is bedoeld vermogen volgens appellante bij het

bestreden besluit ten onrechte bepaald op f 9.200,-- c.q

f 9.300,--.

Appellante heeft voorts gesteld dat gedaagde door diens brief

van 7 maart 1995 bij haar het te rechtvaardigen vertrouwen

heeft gewekt dat zij omstreeks 22 december 1995 wederom voor

een uitkering ingevolge de ABW in aanmerking zou komen.

Hetgeen appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht,

heeft de Raad niet tot een ander oordeel geleid dan waartoe de

rechtbank in de aangevallen uitspraak is gekomen.

De Raad stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is

dat appellante ten tijde van haar aanvraag in december 1995

(nog) geen recht had op toekenning van een bijstandsuitkering

omdat haar vermogen van f 21.034,34 zowel het voor een

één-ouder gezin geldende vrij te laten bescheiden vermogen van

f 18.400,-- als dat voor een alleenstaande van

f 9.200,-- overtrof.

Partijen worden slechts verdeeld gehouden door het antwoord op

de vraag of gedaagde zich bij het bestreden besluit terecht en

op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat het voor

appellante op en na 1 januari 1996 geldende vrij te laten

bescheiden vermogen f 9.300,-- bedraagt omdat appellante per

die datum voor de toepassing van de ABW als een alleenstaande

dient te worden aangemerkt omdat haar dochter op 20 december

1995 de leeftijd van 18 jaren had bereikt.

Evenals gedaagde en de rechtbank is de Raad van oordeel dat

bij een nieuwe aanvraag om een bijstandsuitkering of bij een

voor de toepassing van de ABW relevante wijziging in de

omstandigheden het in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder

b, van de ABW in verbinding met artikel 8 van het

Bijstandsbesluit landelijke normering (Bln) bedoelde vrij te

laten bescheiden vermogen opnieuw dient te worden vastgesteld.

Aangezien de dochter van appellante met ingang van 1 januari

1996 niet langer kon worden aangemerkt als een ten laste van

appellante komend kind, zulks in verband met haar aanspraken

ingevolge de Wet op de Studiefinanciering, is appellante per

laatstvermelde datum door gedaagde terecht en op goede gronden

als een alleenstaande in de zin van het Bln aangemerkt voor

wie het vrij te laten bescheiden vermogen f 9.300,-- bedraagt.

Voorts is de Raad met gedaagde en de rechtbank van oordeel dat

het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel faalt.

Zoals de Raad reeds herhaaldelijk tot uitdrukking heeft

gebracht zijn er bijzondere gevallen denkbaar waarin strikte

toepassing van een wettelijk voorschrift van

dwingendrechtelijke aard in die mate in strijd komt met het

vertrouwensbeginsel of met de in de artikelen 3:2 en 3:4 van

de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde beginselen dat

zij op grond daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn. Van een

dergelijk bijzonder geval kan sprake zijn indien vanwege het

tot beslissen bevoegde orgaan ten aanzien van een betrokkene

uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde

toezeggingen zijn gedaan die bij haar gerechtvaardigde

verwachtingen hebben gewekt. Een dergelijk bijzonder geval

doet zich naar het oordeel van de Raad hier niet voor omdat

het besluit van gedaagde van 7 maart 1995 geen toezeggingen

als bedoeld bevat.

Gelet op het vorenoverwogene dient de aangevallen uitspraak te

worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan

artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr J.M.A. van der Kolk-Severijns als

voorzitter en mr Ch. de Vrey en mr Ch.J.G. Olde Kalter als

leden, in tegenwoordigheid van mr I. de Hartog als griffier en

uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 1998.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) I. de Hartog.

HL

2408