Socialezekerheidsrecht
Betrokkene heeft geen procesbelang bij zijn beroep tegen het onderhavige besluit.
Centrale Raad van Beroep, 5 april 2005
ECLI:NL:CRVB:2005:AT3532 · Centrale Raad van Beroep · 5 april 2005
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2005-at3532
Zaakgegevens
Op 5 april 2005 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 5 april 2005
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 03/2765 NABW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2005:AT3532
Samenvatting
Betrokkene heeft geen procesbelang bij zijn beroep tegen het onderhavige besluit.
Uitspraak
03/2765 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amerongen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 25 april 2003, reg.nr. SBR 02/1472, waarbij zijn beroep tegen het besluit op bezwaar van gedaagde van 21 mei 2002 niet-ontvankelijk is verklaard bij gebreke van procesbelang.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 22 februari 2005, waar appellant is verschenen en gedaagde zich niet heeft laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Voor de feiten die hebben geleid tot het besluit van gedaagde van 21 mei 2002 verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.
Ter zitting van de Raad heeft appellant, desgevraagd, verklaard dat hij zich in wezen wenst te keren tegen bepaalde - rancuneuze - gedragingen van (ambtenaren van) gedaagde die erop zouden zijn gericht hem van de arbeidsmarkt te weren. Die gedragingen zouden er, aldus appellant, toe hebben geleid dat het - thans - Centrum voor werk en inkomen te Veenendaal niet meer voor hem heeft bemiddeld en dat eigen sollicitaties op niets uitliepen. Als gevolg daarvan is appellant ook thans nog aangewezen op een bijstandsuitkering.
De Raad moet vaststellen dat het voorgaande geen betrekking heeft op het besluit van 21 mei 2002, dat ziet op de aan appellant opgelegde verplichting om zijn aanspraak op vermogen op korte termijn geldend te maken.
Hieruit volgt dat ook de Raad tot de conclusie komt dat appellant geen procesbelang heeft bij zijn beroep tegen het besluit van 21 mei 2002.
De aangevallen uitspraak moet daarom worden bevestigd.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 april 2005.
(get.) Th.G.M. Simons.
(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.
TTAG29032005