Socialezekerheidsrecht

Brief van betrokkene aanmerken als verzoek om terug te komen van in rechte vaststaand primair besluit. Geen…

Centrale Raad van Beroep, 15 maart 2006

Zaakgegevens

Op 15 maart 2006 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
15 maart 2006
Datum publicatie
4 april 2013
Zaaknummer
05-2451 NABW
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2006:AV6427
E-mail

Samenvatting

Brief van betrokkene aanmerken als verzoek om terug te komen van in rechte vaststaand primair besluit. Geen herhaald bezwaar.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

05/2451 NABW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 7 april 2005,

reg.nr. 04/789 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 1 februari 2006, waar partijen - wat gedaagde betreft met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.

II. MOTIVERING

Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak en naar de tussen partijen gewezen uitspraak van de voorzieningenrechter van de Raad van 15 juli 2003, reg.nrs. 03/2563 NABW-VV en 03/1195 NABW.

De Raad stelt voorop dat hij, anders dan gedaagde in het in beroep bij de rechtbank bestreden besluit van 15 juni 2004 en eveneens anders dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak, de brief van appellant aan gedaagde van 8 april 2004 aanmerkt als een verzoek om terug te komen van het in rechte vaststaande - primaire - besluit van 18 september 2002, en niet als een herhaald bezwaar tegen dat besluit.

De Raad overweegt vervolgens dat de voorzieningenrechter van de Raad in de uitspraak van 15 juli 2003 reeds

- onherroepelijk - heeft geoordeeld dat geen sprake is van een concreet geschil tussen partijen met betrekking tot het besluit van 18 september 2002.

Daarvan uitgaande valt niet in te zien welk (proces)belang appellant heeft bij een beoordeling door de Raad van (de juistheid van) de aangevallen uitspraak, die immers - opnieuw - betrekking heeft op dat besluit.

Dit betekent dat het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

De Raad is voorts van oordeel dat sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht door appellant. Van door gedaagde gemaakte kosten waarop een veroordeling (van appellant) in de proceskosten betrekking kan hebben, is echter niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gegeven door mr. drs. Th.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2006.

(get.) Th.G.M. Simons.

(get.) L. Jörg