Socialezekerheidsrecht
Weigering ziekengeld. Is betrokkene terecht geschikt geacht voor de in het kader van de WAO-beoordeling…
Centrale Raad van Beroep, 24 januari 2007
ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7054 · Centrale Raad van Beroep · 24 januari 2007
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2007-az7054
Zaakgegevens
Op 24 januari 2007 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 24 januari 2007
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 05-265 ZW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7054
Samenvatting
Weigering ziekengeld. Is betrokkene terecht geschikt geacht voor de in het kader van de WAO-beoordeling geduide functies?
Uitspraak
05/265 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 13 december 2004, 04/2894 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 24 januari 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2006. Appellante is verschenen, bijgestaan door A. Adiyaman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.G. Larijsen.
II. OVERWEGINGEN
Appellante heeft op 2 januari 2002 haar werkzaamheden als schoonmaakster gestaakt wegens nekklachten. De mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO) werd per einde wachttijd door het Uwv vastgesteld op minder dan 15%, omdat appellante, rekening houdend met haar belastbaarheid, in staat werd geacht gangbare arbeid te verrichten. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden.
Appellante heeft zich met ingang van 17 maart 2004 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld vanwege klachten aan haar nek, schouder en rug en wegens duizeligheid.
Verzekeringsarts A.E.F. van der Velden heeft appellante op het spreekuur gezien. Hij heeft vastgesteld dat geen sprake is van bewegingsbeperkingen en heeft haar geschikt geacht voor de in het kader van de WAO-beoordeling geduide functies. Bij besluit van
15 juni 2004 is aan appellante kenbaar gemaakt dat aan haar met ingang van 16 juni 2004 geen ziekengeld wordt toegekend.
Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 30 augustus 2004 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Dit besluit is gebaseerd op het rapport van
20 augustus 2004 van bezwaarverzekeringsarts S.N. van Erk-Raes. Deze bevestigt op basis van dossieronderzoek, lichamelijk en psychiatrisch onderzoek de conclusie van de verzekeringsarts dat appellante op de datum in geding geschikt is te achten voor de geduide functies in het kader van de WAO-beoordeling.
De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard, daarbij met name betekenis toekennend aan het afschrift van de medische kaart en de rapportage van bezwaarverzekeringsarts Van Erk-Raes. Naar het oordeel van de rechtbank kan, gelet op de inhoud en de wijze van totstandkoming van de verzekeringsgeneeskundige rapporten, niet worden gezegd dat het Uwv in onvoldoende mate kennis heeft vergaard omtrent de relevante medische en overige feiten. De rechtbank oordeelt dat de bezwaarverzekeringsarts terecht heeft geconcludeerd dat de belastbaarheid van appellante niet is gewijzigd ten opzichte van de WAO-beoordeling.
In hoger beroep stelt appellante zich onder andere op het standpunt dat de rechtbank te weinig rekening heeft gehouden met haar lichamelijke klachten en dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan de verergering van haar klachten in de periode tussen
23 april 2003 en 16 juni 2004. Appellante heeft bij haar beroepschrift een brief van haar huisarts, P.A.J. Rijnierse, van 6 december 2004 overgelegd, waarin onder andere is opgenomen dat bij herhaald orthopedisch en bij röntgenologisch onderzoek geen afwijkingen zijn vastgesteld. Tevens blijkt hieruit dat appellante geen baat heeft gehad bij pijnstilling en bij fysiotherapie. Appellante verzoekt de Raad om een deskundige te benoemen. Het Uwv heeft, onder overlegging van een rapport van de bezwaarverzekeringsarts, aangegeven het eerdere standpunt te handhaven.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen. Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe medische gegevens aangedragen die een ander licht werpen op haar gezondheidstoestand ten tijde in geding. Zoals ook bezwaarverzekeringsarts Erk-Raes in haar reactie op de in hoger beroep overgelegde brief van de huisarts heeft aangegeven, bevat deze brief geen gegevens die aanleiding geven voor een ander oordeel. Evenals de rechtbank heeft appellante de Raad er niet van kunnen overtuigen dat haar medische situatie op de datum in geding – 16 juni 2004 – was verslechterd ten opzichte van de WAO-beoordeling. De Raad ziet dan ook geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het openbaar op
24 januari 2007.
(get.) Ch. van Voorst
(get.) J. Verrips
TM