Socialezekerheidsrecht

Verzet gegrond: niet kan worden geconcludeerd dat de ingediende beroepsgronden niet tijdig zijn ingediend.

Centrale Raad van Beroep, 9 februari 2007

Zaakgegevens

Op 9 februari 2007 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
9 februari 2007
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
06/2227 WAO
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8764
E-mail

Samenvatting

Verzet gegrond: niet kan worden geconcludeerd dat de ingediende beroepsgronden niet tijdig zijn ingediend.

Uitspraak

06/2227 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 9 maart 2006, 05/525 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 februari 2007

I. PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet van 25 oktober 2006 heeft de Raad het namens appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft haar echtgenoot, J.B.A. Bosma, namens appellante verzet gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2007, waar appellante en het Uwv - met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 25 oktober 2006 berust hierop, dat appellante de gronden van het hoger beroep niet binnen de haar daartoe gestelde termijn alsnog heeft aangevoerd.

In geding is de vraag of het hoger beroep van appellante terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

De Raad beantwoordt die vraag ontkennend. Nadat appellante aanvankelijk bij brief van 6 juli 2006 een uitstel voor het indienen van de beroepsgronden was verleend tot en met 31 augustus 2006, heeft de Raad bij brief van 13 juli 2006 de termijn voor het indienen van de gronden met vier weken verlengd en daarbij aangegeven dat de termijn loopt tot en met 5 september 2006.

Laatstgenoemde datum is, te rekenen vanaf 31 augustus 2006, niet in overeenstemming met de verleende verlenging van vier weken, zodat deze niet eenduidig is. Daarom kan naar het oordeel van de Raad niet worden geconcludeerd dat de op 7 september 2006 ingediende beroepsgronden niet tijdig zijn ingediend.

Gelet op het voorgaande dient het verzet gegrond te worden verklaard.

Dit betekent dat de uitspraak van de Raad van 25 oktober 2006 vervalt en dat het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

Van door appellant in verband met de verzetprocedure gemaakte proceskosten is de Raad niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het verzet gegrond.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.

PR/310107